Name ship: BORCULO

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1952
Classification Register: Lloyd's Register of Shipping (LR)
IMO number: 5048277
Nat. Official Number: 2724 Z AMST 1952
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: Two masts
Rig: 2 derricks, 2 winches
Lift Capacity: 2 ton each
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: N.V. Scheepswerven Gebr. van Diepen, Waterhuizen, Netherlands
Yardnumber: 920
Date Laid Down:
Launch Date: 1952-05-21
Delivery Date: 1952-07-26
Technical Data

Engine Manufacturer: Maschinenfabrik Augsburg-Nürnberg A.G., Augsburg, German Federal Republic
Engine Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 6
Power: 750
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Man Type (16 3/4x23 5/8)
Speed in knots: 11.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 499.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 290.00 Net tonnage
Deadweight: 935.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 38000 Cubic Feet
Bale: 35000 Cubic Feet
 
Length 1: 61.20 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 58.22 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 9.25 Meters Breadth, moulded
Depth: 3.31 Meters Depth, moulded
Draught: 3.66 Meters Draught, maximum
 
Configuration Changes

1957-00-00: In 1957 nieuwe hoofdmotor: 4tew 6 cil. 750 Pk Deutz Nr. 2082585/90 Type RBV6M545 (320x450) 11 Kn.

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1952-07-17 BORCULO
Manager: N.V. Gebr. Scheuer, Amsterdam, Netherlands
Owner: N.V. Stoomvaart Maatschappij 'Noordzee', Amsterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Amsterdam / Netherlands
Callsign: PDEV
Additional info:

Date/Name Ship 1964-10-22 ROTT
Manager: Arnold Myrdal & Per Sanne, Sandnes, Norway
Owner: Rederiet Rott (Arnold Myrdal), Sandnes, Norway
Shareholder:
Homeport / Flag: Sandnes / Norway
Callsign: LLMR
Additional info: Nok. 1.250.000,--

Date/Name Ship 1969-00-00 ROTT
Manager: Arnold Myrdal, Sandnes, Norway
Owner: Rederiet Rott (Arnold Myrdal), Sandnes, Norway
Shareholder:
Homeport / Flag: Sandnes / Norway
Callsign: LLMR
Additional info:

Date/Name Ship 1974-01-00 MOI
Manager: Arnold Myrdal, Sandnes, Norway
Owner: Rederiet Rott (Arnold Myrdal), Sandnes, Norway
Shareholder:
Homeport / Flag: Sandnes / Norway
Callsign: LLMR
Additional info:

Ship Events Data

1952-05-23: NvhN 23-05-1952: Tewaterlating m.s. Borculo. Bij de N.V. Scheepswerven Gebrs. Van Diepen te Waterhuizen werd met goed gevolg te water gelaten het nieuwe motorkustvaartuig Borculo, dat wordt gebouwd voor rekening van de N.V. Stoomvaart Maatschappij „Noordzee" te Amsterdam. De Borculo is van het gladdektype, meet 950 ton d.w. (499 brt.) en heeft de volgende afmetingen: lengte over alles 60 m., lengte tussen de loodlijnen 56j m breedte 9.20 m. en hoogte 4.16 m. De beladen diepgang bedraagt 3.70 m. Het schip zal worden voorzien van een 750 p.k. motor. In de machinekamer, zullen twee hulpmotoren van 30 pk worden geplaatst. Aan dek zullen drie hulpmotoren van 16 p.k. worden geplaatst. De Borculo wordt gebouwd onder klasse Lloyds met certificaat Scheepvaartinspectie voor de Atlantische vaart. Op de vrijgekomen helling wordt de kiel gelegd voor een coaster van 850 ton d.w. voor rekening van de Zuid-Hollandse Scheepvaart Maatschappij te Rotterdam. Dit schip zal worden uitgerust met een 650 p.k motor.

1952-07-21: Op 21-07-1952 als BORCULO, zijnde een motorschip, metende 1415.46 m3 bruto inhoud volgens zeemeetbrief afgegeven te 's Gravenhage no. 8822 d.d. 15-07-1952, liggende te Waterhuizen, door A. Kraaijema, ambtenaar bij de Scheepsmetingsdienst te Groningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 2724 Z AMST 1952 op het achterschip aan S.B. zijde in achterkant dekhuis op kampanje, 3.90 m. uit hekplaat, 0.70 m. uit lengteas en 1.48 m. uit dek.

1952-07-28: NvhN 28-07-1952: Proefvaart m.s. Borculo. Op de Eems heeft de goed geslaagde proefvaart plaats gevonden van het nieuwe motorkustvaartuig Borculo, dat bij de N.V. Scheepswerven Gebr. van Diepen te Waterhuizen (Gr.) werd gebouwd voor rekening van de N.V. Stoomvaart Mij. „Noordzee" te Amsterdam. De Borculo is van het gladdektype, meet 925 ton d.w. en is uitgerust met een 750 P.K. motor, waarmede het schip tijdens de proefvaart een snelheid behaalde van 11.7 mijl. Het schip is gebouwd onder klasse Lloyd's met certificaat Scheepvaart Inspectie voor de Atlantische vaart en speciaal certificaat voor de houtvaart. De Borculo is in ballast naar Rotterdam vertrokken.

1958-09-25: De Waarheid 25-09-1958: Nederlandse kustvaarder gestrand. De 500-ton metende Nederlandse kustvaarder „Borculo" (uit Amsterdam) is gisteravond aan de oostkust van het eiland Rhum (Hebriden) gestrand. Het schip zou niet in gevaar verkeren. De bemanning verwacht dat de Borculo vandaag bij hoog water weer vlot zal komen.
De Waarheid 13-01-1959: „Borculo” zocht luwte en liep tegen de (kamer) lamp. Was het trotseren van zwaar weer op de Atlantische Oceaan veiliger geweest dan het opzoeken van een haventje aan de westkust van Schotland? Dit probleem hield de Raad voor de Scheepvaart gisterochtend bezig bij de behandeling van de stranding van het m.s. „Borculo" in de nacht van 24 september van 't vorig jaar. De jonge kapitein, de 28-jarige M. A. G. uit Dordrecht, die voor 't eerst een schip onder zijn commando had, had het haventje gekozen... Hij was met de „Borculo" van Belfast op weg naar IJsland achter de Hebriden langs gevaren, omdat hij zich daar met een zuidwesterstorm, windkracht 10, meer op zijn gemak voelde dan op open zee. Niettemin was hij bij het binnenvaren van Loch Scressort in Schotland aan de grond gelopen en had hij twee dagen vastgezeten. Hij had bovendien de pech dat hem niet alleen de storm, maar ook een defecte radarinstallatie parten speelde. Met kruispeilingen had hij de beschutting van het haventje willen opzoeken. Hij was daarbij misleid door de verlichte huiskamerramen van een paar huisjes, die hij voor navigatie-lichten had aangezien. Verkeerd geraadpleegd. De hoofdinspecteur de heer J. Metz sprak van gebrek aan ervaring en het verkeerd raadplegen van de Zeemansgids, waarin staat dat men Loch Scressort alleen overdag kan binnenvaren. Navigatielichten staan in de gids niet vermeld. Dit had de kapitein volgens hem moeten bedenken. De veel oudere stuurman P. J. D. verklaarde als getuige, dat hij de beslissing van de kapitein niet aantrekkelijk had gevonden, maar er tijdens de reis ook niet zijn afkeuring over had uitgesproken. „De verleiding om met ruw weer de windluwte op te zoeken, is altijd groot." De hoofdinspecteur voelde voor een berisping.
De Telegraaf 14-01-1959: „Borculo” zat twee dagen op Schotse rotsen. Kamerlamp deed schip stranden. Berisping voor jonge kapitein.
Amsterdam, dinsdag. Een zuinige Schotse huisvrouw, die haar overgordijnen niet had gesloten, was er indirect de oorzaak van dat de kustvaarder „Borculo" in de nacht van 24 september jl. bij Loch Scressort aan de grond liep. Voor de 28-jarige M. A. G uit Dordrecht was dit het noodlottige einde van zijn onfortuinlijke eerste reis als kapitein. De “Borculo" was op weg van Belfast naar IJsland, toen een zware storm het scheepje danig bedreigde. Daarom besloot G. de reis te onderbreken en beschutting te zoeken in Loch Scressort. Bij het binnenlopen begaf de radar- installatie het echter en toen kapitein G. zijn positie door kruispeilingen wilde bepalen, werd hij misleid door het verlichte huiskamerraam van een huisje aan de kust, dat hij voor navigatielicht hield. Het gevolg was dat de ..Borculo" voor twee dagen onwrikbaar op de rotsen kwam te zitten. De hoofdinspecteur van de scheepvaart, de heer J. Metz. meende dat hier slechts sprake was van gebrek aan ervaring en het verkeerd raadplegen van de zeemansgids. Want daarin staat, dat Loch Scressor geen navigatielichten heeft en dat men er alleen overdag kan binnenvaren. „Wij kunnen de kapitein geen slordigheid of roekeloosheid verwijten, maar schuldig acht ik hem wel “ aldus de heer Metz. Om het zelfvertrouwen van G. niet te schokken, stelde hij voor hem slechts een berisping te geven.
Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van donderdag 19 maart 1959, nr. 55. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart: Nr. 23. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart inzake de stranding van het motorschip „Borculo" in Loch Scresort oostkust van Rhumeiland), bij de westkust van Schotland. Betrokkene: de kapitein M. A. Goldberg. Op 24 september 1958 is het motorschip „Borculo", op de reis van Cagliari naar Olafsfjord, op IJsland, gestrand in Loch Scresort (oostkust Rhumeiland), bij de westkust van Schotland. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze stranding en dat het onderzoek tevens zou lopen over de vraag of niet het ongeval mede te wijten is aan de schuld van de kapitein van de „Borculo", Matthijs Abraham Goldberg, wonende te Dordrecht. Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 januari 1959, in tegenwoordigheid van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart J. Metz. De raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein, de stuurman en de roerganger, zomede van het scheepsdagboek en de Engelse kaart nr. 2507: Scotland westcoast, en de te Glasgow afgelegde scheepsverklaring, en hoorde de kapitein, voornoemd, als betrokkene buiten ede. Als getuige werd gehoord de stuurman P. J. E. Dekker. De voorzitter zette de betrokkene, aan wie voormelde beslissing was meegedeeld, doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit de bescheiden blijkt het volgende: Het motorschip „Borculo" is een Nederlands schip, toebehorende aan N.V. Stoomvaart Maatschappij „Noordzee", te Amsterdam. Het meet 499,6 brutoregisterton en wordt voortbewogen door een 750 pk motor. Na te Cagliari een lading zout van 870 ton te hebben geladen, vertrok de „Borculo" op 13 september 1958, te 11 uur, vandaar met bestemming Olafsfjord, op IJsland. De diepgang was vóór 10'06", achter 13'06". De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit 11 personen. De kapitein heeft verklaard, dat de „Borculo" op 21 september 1958 Falmouth aanliep voor het innemen van brandstofolie, drinkwater en proviand en voor het verwisselen van enige leden der bemanning. Wegens ziekte van kapitein C. Post nam kapitein M. A. Goldberg het bevel over. Op 21 september 1958, te 14.10 uur, vertrok de „Borculo" van Falmouth. Toen het schip ongeveer 20 mijl had afgelegd, viel de radar uit en men slaagde er niet in vast te stellen wat hiervan de oorzaak was. In overleg met de rederij besloot de kapitein Belfast aan te lopen om de radar te doen herstellen. Op 23 september, te 7.05 uur, lag de „Borculo" gemeerd te Belfast. Hier bleek geen radardeskundige beschikbaar te zijn en daarom vertrok de „Borculo" die dag te 23.15 uur weer, zonder dat de radar hersteld was. Bij vertrek was de wind Z.W. 6-7. Daar in de weersverwachtingen melding werd gemaakt van een storm uit het westen, besloot de kapitein om niet langs de directe route naar IJsland te varen, via de Ierse Zee en Atlantische Oceaan, maar om zijn route te nemen tussen de westkust van Schotland en de daarvóór gelegen eilanden van de Hebriden, om in lij daarvan verder te gaan. De kapitein had, toen hij nog 1ste stuurman was op de „Markelo", meermalen deze zelfde route gestoomd. De wind nam op 24 september toe tot storm uit het westen. Het schip stampte en slingerde zwaar en nam veel water over. Het zicht was vaak slecht door buiswater en regen. Op de P.V. besloot de kapitein om een ankerplaats te zoeken aan de oostkant van Rhumeiland en daar daglicht af te wachten. De kapitein zag in de zeilaanwijzingen, dat Loch Scresort voor kleinere schepen een goede ankerplaats biedt; hij zette koers daarheen op peilingen, die tijdens opklaringen konden worden genomen. Er stond voortdurend iemand klaar om kompaspeilingen te nemen en een matroos o/g stond bij het echolood om alle veranderingen in aanwijzing door te praaien. Te 19.00 uur werd een goede peiling verkregen; de noordoosthoek van Rhumeiland werd 327° gepeild en Rutha Port na Caranean 188° r.w. Het schip bleeek zich recht voor de ingang van de baai te bevinden. De motor was te 19.00 uur op zeer langzaam vooruit gezet, maar werd te 19.03 uur op langzaam gezet om stuur in het schip te houden. De stuurman ging met 2 matrozen naar de bak om het anker klaar te maken. Het begon ondertussen vrij donker te worden. De kapitein zag aan het einde van de baai een vast licht; hij hield dit voor het in de zeilaanwijzingen genoemde licht van Kinlochhouse. Te 19.05 uur werd de motor op halve kracht vooruit gezet. Op hetzelfde moment riep de matroos o/g, die bij het echolood stond, dat de diepte afnam, en de stuurman praaide van vooruit, dat onmiddellijk achteruitgeslagen moest worden. In de koers, die de „Borculo" stuurde bij het binnenlopen van de baai, 300° (k), liep het schip te 19.07 uur aan de grond. Het gelukte niet door achteruitslaan vlot te komen. Daar het water zakte, werden te 19.15 uur verdere pogingen opgegeven. De „Borculo" bleek te zijn gestrand op het rif aan de zuidkant van de baai. De volgende dag bleek, dat het licht, dat de kapitein had gehouden voor dat van Kinlochhouse, dat van het veel zuidelijker Pierhouse is geweest. De kapitein meent, dat ook stroom het schip om de zuid heeft verzet. De volgende dagen is hard gewerkt bij het uitbrengen van ankers en het verrichten van andere werkzaamheden om het schip vlot te brengen; dit gelukte pas op 26 september, te 18.00 uur. Op 27 september, te 3.40 uur, ankerde de „Borculo" in Loch Snizort en vandaar is verstoomd naar Gairloch, waar te 19.00 uur werd gemeerd. Na onderzoek aldaar is de „Borculo" verstoomd naar Glasgow, waar het schip op 2 oktober, te 17.30 uur, in het droogdok werd opgenomen.
De stuurman heeft verklaard, dat hij vóór het invaren van Loch Scresort geregeld kompaspeilingen heeft genomen en te 19.00 uur van 24 september met 2 matrozen naar de bak is gegaan. De stuurman bemerkte, dat het schip te veel aan de zuidkant van de ingang voer, en heeft, toen hij het schip voelde vastlopen, naar de brug gepraaid achteruit te slaan. De stuurman geeft als zijn persoonlijke mening, dat hij het beter had gevonden de directe route te nemen van de Ierse Zee naar IJsland, daar de ,,Borculo" een goed zeeschip is, goed was beladen en een krachtige machine heeft. Onder de heersende omstandigheden achtte hij het minder juist in Loch Scresort ten anker te gaan. De roerganger kan geen bijzonderheden opgeven over de koersen, die bij het binnenlopen van de baai zijn gestuurd. Ter zitting van 12 januari 1959 verklaarde de kapitein, in aanvulling op zijn bij het vooronderzoek afgelegde verklaring, dat hij deze reis van Falmouth naar IJsland zijn eerste reis als kapitein maakte. De „Borculo" was uitgerust met decca-radar. Te Falmouth is daaraan herstellingswerk verricht, maar enige tijd na vertrek uit deze haven vertoonde dit instrument weer gebreken. Betrokkene was niet in het bezit van een lijst, waarin de vertegen- woordigers van Decca waren aangegeven. In overleg met de rederij werd besloten naar Belfast te gaan; aangenomen werd, dat in deze grote havenplaats de radar wel zou kunnen worden gerepareerd. Dit is echter niet gelukt. In de avond van 23 september werd de reis voortgezet; de radar functioneerde niet. Het woei reeds krachtig, de weersverwachting sprak echter van westerstorm. Betrokkene nam zijn route beoosten de Hebriden. Ook daar ondervond hij slecht weer en op de P.V. van 24 september had men bovendien geregeld zware regenbuien, die vaak slecht zicht meebrachten. Daar alle opvarenden zeer vermoeid waren, besloot betrokkene gedurende de nacht beschutting te zoeken. De ,.Borculo" bevond zich toen niet ver van Rhumeiland.-In overleg met de stuurman besloot betrokkene achter dit eiland beschutting te zoeken in Loch Scresort. De Engelse zeilaanwijzingen gaven aan, dat deze baai goede beschutting geeft voor kleine schepen en goede ankergrond. Betrokkene zag, dat aan de zuidkant van de baai riffen lagen. Verder werd aangegeven, dat, wanneer Kinlochhouse aan het eind van de baai 270° werd gepeild, recht op dit huis aan in deze koers de baai binnengevaren kon worden. Bij het naderen van de baai liep er stroom om de noord; het begon al donker te worden. Het gelukte evenwel te 19.00 uur een behoorlijke kruispeiling te krijgen. Betrokkene liet van dit bestek 270° sturen; de machine werd eerst op zeer langzaam, na 3 minuten op langzaam vooruit gezet. Betrokkene zag, even nadat het schip 270° voorlag, recht vooruit een licht. Betrokkene nam aan, dat dit licht afkomstig was van Kinlochhouse en dat het schip dus in goede positie de baai binnenstoomde. Betrokkene kon de noordoever niet meer zien, doch wel de oever aan b.b.-zij; hij schatte de afstand tot daar op circa 300 m. Korte tijd nadat de motor op halve kracht vooruit was gezet, werd betrokkene gewaarschuwd, dat de diepte afnam, en riep de stuurman vanaf de bak achteruit te slaan. Onmiddellijk daarna liep de „Borculo" aan de grond. Betrokkene zag de volgende morgen, dat het licht, dat hij vooruit had gezien, niet afkomstig was van Kinlochhouse. maar dat het de olieverlichting uit een kamer van het veel zuidelijker gelegen Pierhouse moest ziin geweest en dat de „Borculo" dus ook veel zuidelijker heeft gestaan bij het binnenlopen. Betrokken© is van mening, dat dicht onder de kust een om de zuid lopende neer heeft gestaan. Het was toen echter te donker om door middel van peilingen de stroom te controleren. De stuurman verklaarde ter zitting nog, dat hij als kapitein heeft gevaren op kleine schepen in de Indonesische wateren. Hij heeft tevoren nooit met een kuster op de Atlantische Oceaan gevaren. Getuige was het met de kapitein eens om in de avond van 24 september achter Rhumeiland beschutting te zoeken voor de nacht. Getuige heeft de gegevens over Loch Scresort in de zeilaanwijzingen nagelezen; deze waren vrij summier. Getuige heeft bij het aanlopen van de baai zoveel mogelijk peilingen genomen; het zicht was vaak slecht door regen. Hij praaide de afgelezen peilingen door en de kapitein zette deze af in de kaart. Te 19.00 uur is getuige naar de bak gegaan. Toen het schip een westelijke koers voorlag, zag getuige vooruit een licht van een huis. Hij kon beide kanten van de baai zien. Het schip bevond zich meer aan de zuidkant; getuige schat de afstand tot de zuidoever op 200 a 300 m. Toen getuige bemerkte, dat het schip aan de grond liep, heeft hij naar de brug geroepen om achteruit te slaan. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart voerde aan, dat het met zout beladen motorschip ..Borculo" op de reis van Cagliari naar IJsland op 21 september 1958 Falmouth aanliep. Hier is de kapitein M. A. Goldberg aan boord gekomen; daar is ook de radar gerepareerd. Enige uren na vertrek uit Falmouth bleek de radar weer te weigeren. Het ligt voor de hand, dat de kapitein een haven wilde aanlopen om daar de radar te laten herstellen. Men moet echter niet uit het oog verliezen, dat het ook mogelijk is om zonder radar IJsland te bereiken. De kapitein had verschillende havens op de westkust van Engeland of Schotland aan kunnen doen, waar vertegenwoordigers van Decca gevestigd zijn. Hij besloot echter naar Belfast te gaan. Hier kon hij evenwel niet geholpen worden en hij zette daarom de reis voort met een defecte radar. Daar er storm uit het westen werd verwacht, had de kapitein beter gedaan nog niet te vertrekken, maar er behoeft hem geen verwijt te worden gemaakt, dat hij toch doorging, daar de „Borculo" een goed zeeschip is. De kapitein besloot beoosten de Hebriden langs te gaan; deze route is zeker niet af te keuren. Ook op dit traject werd hoge zee ondervonden. De kapitein wilde daarom voor de nacht een opper zoeken. Dit kon hij zoeken achter Rhumeiland, maar ook achter ander land in de buurt. Het leek erg verleidelijk om beschutting te zoeken in Loch Scresort, aan de oostkant van Rhumeiland. Het was toen stormweer met slecht zicht door regen, het begon donker te worden en deze baai is niet bevuurd. Deze baai is alleen geschikt om bij daglicht binnengevaren te worden, maar niet bij donker en stormweer. De kapitein heeft de zeilaanwijzingen verkeerd gelezen, door aan te nemen, dat het daarin genoemde Kinlochhouse ook een licht zou tonen. Door vermoeidheid is de kapitein in verleiding gebracht om deze baai binnen te lopen om een rustige ligplaats te vinden. De Nederlandse Gids voor de Kleine Vaart wijst erop, dat bij het binnenlopen van deze baai de noordkant moet worden gehouden, omdat aan de zuidkant een rif ligt, dat zich over 0,2 mijl uit de kust uitstrekt. Ook op de kaart kan men zien, dat bij de zuidoosthoek van de baai een ondiepte ligt. Het in de gids genoemde Kinlochhouse heeft geen licht. Toen men een verlicht huis vooruit zag, is aangenomen, dat dit Kinlochhouse was; het was een veel meer om de zuid gelegen huis en de „Borculo" liep aan de grond. Na 2 dagen is het schip vlot gekomen. De hoofdinspecteur merkt, resumerende, op, dat de kapitein door gebrek aan ervaring en opzien tegen het gaande houden in een westerstorm besloot een opper te zoeken, toen dit risico's meebracht. Hij wilde navigeren bij donker zoals alleen daar bij dag kan worden genavigeerd. Hij zag een licht van een huis aan voor een officieel licht. De hoofdinspecteur voegt hieraan toe, dat er bij de kapitein geen sprake is van roekeloosheid. Daar de Zeemansgids enige suggestie geeft om daar binnen te lopen, stelt de hoofdinspecteur de raad voor om kapitein M. A. Goldberg niet zwaarder te straffen dan door het uitspreken van een berisping. Het oordeel van de raad luidt als volgt: Op 24 september 1958, des avonds te omstreeks 19.07 uur, is het motorschip „Borculo" gestrand op een rif in de monding van Loch Scresort aan de oostkant van Rhumeiland, bij de westkust van Schotland. De „Borculo" was op reis van Cagliari naar IJsland. Gezagvoerder was de betrokkene M. A. Goldberg. Het schip vertrok op 21 september 1958 uit Falmouth. Toen men circa 20 mijl had afgelegd, viel de decca-scheepsradar uit. In verband daarmede heeft men daarop Belfast aangedaan voor reparatie, doch aldaar bleek geen decca-radardeskundige beschikbaar te zijn. De raad rekent het de kapitein niet aan, dat hij in het vertrouwen, dat men in het scheepsbouwcentrum Belfast voor de herstelling van de radar terecht zou kunnen, zich niet vooraf op de hoogte heeft trachten te stellen of men daartoe inderdaad in Belfast moest zijn of wel in een andere haven in de omgeving van de voorgenomen route naar IJsland. Op 23 september 1958, te 23.15 uur, vertrok de „Borculo" uit Belfast. De wind was Z.W. 6-7; men verwachtte storm uit het westen. Dat de kapitein ondanks deze ongunstige weersverwachting uit Belfast is vertrokken, geeft de raad geen reden tot bedenkingen. De raad keurt goed het besluit van de kapitein om de route te nemen tussen de westkust van Schotland en de daarvóór gelegen eilanden. Met een betrekkelijk klein schip als de „Borculo" was het in de gegeven omstandigheden stellig verkieslijker niet het volle geweld der elementen te trotseren, zolang er een meer beschutte route was. Zoals de weersverwachtingen reeds hadden aangegeven, nam in de loop van 24 september 1958 de wind toe tot storm. De „Borculo" stampte en slingerde zwaar en nam veel water over; er waren vele zware regenbuien, die vaak slecht zicht meebrachten. De kapitein besloot onder die omstandigheden, in verband met de vermoeidheid van de opvarenden, om tegen de avond beschutting te zoeken en aldus de volgende dag af te wachten. Hij heeft te dien einde Loch Scresort aan de oostkant van Rhumeiland willen binnenlopen. Daarbij is de „Borculo" vastgeraakt. De raad heeft er begrip voor, dat de kapitein er bezwaren in zag om in de nachtelijke storm met slecht zicht langs weinig bewoonde en bevuurde kusten zonder hulp van radar en met een vermoeide bemanning de reis tussen de eilanden voort te zetten, en dat hij er de voorkeur aan gaf de dag af te wachten. Indien de kapitein daartoe besloten had zijn schip gedurende de nacht op een geschikte plaats aan de lij van een der eilanden gaande te houden, dan had hem daarvan geer. verwijt gemaakt mogen worden. Zijn besluit evenwel om Loch Scresort binnen te lopen, is verkeerd geweest. Het begon immers reeds donker te worden; het weer was ruw en het zicht slecht; bovendien ligt in het zuidelijk deel van de monding van Loch Scresort een rif. Al deze omstandigheden waren de kapitein bekend. Daar komt verder bij — en dit laatste is beslissend —, dat de baai onbevuurd was. Volgens de door de kapitein geraadpleegde Engelse zeilaanwijzingen kon de „Borculo" de baai veilig binnenvaren, wanneer Kinlochhouse aan het eind van de baai 270° werd gepeild. Bij het voorlopige onderzoek heeft de kapitein verklaard, dat hij op zeker ogenblik aan het eind van de baai een vast licht zag, dat hij hield voor „het in de zeilaanwijzingen genoemde licht van Kinlochhouse". Het onderzoek van de raad heeft evenwel uitgewezen, dat Kinlochhouse niet van een vast licht was voorzien en dat zulks ook niet in de Engelse zeilaanwijzingen staat te lezen. Ook raadpleging van de door de kapitein gebezigde kaart heeft de raad geleerd, dat daarop geen licht van Kinlochhouse staat aangegeven. Naar het oordeel van de raad is de meeste en voornaamste oorzaak van de ramp gelegen in de misvatting van de kapitein, dat er een vast licht op Kinlochhouse was. Had hij zich rekenschap ervan gegeven, dat de baai niet bevuurd was, dan zou hij, naar de raad aanneemt, Loch Scresort hebben vermeden. Anderzijds, indien Kinlochhouse wèl van een vast licht was voorzien geweest, dan had de manoeuvre veel beter kans van slagen gehad; de raad heeft uit het onderzoek de indruk gekregen, dat er op het beleid van de kapitein bij de poging Loch Scresort binnen te lopen in grote lijnen geen andere aanmerking is te maken dan deze, dat hij een uit het zuidelijker gelegen Pierhouse stralend licht gehouden heeft voor het door hem verwachte vaste licht van Kinlochhouse. In het bijzonder laat de raad daar, of men wellicht verstandiger had gedaan de monding van de baai verder naar het noorden open te varen, ook al is het mogelijk, dat de „Borculo" dan, zelfs bij de bestaande misvatting omtrent de plaats van het gepeilde licht, van het rif zou zijn vrijgebleven. De scheepsverklaring bevat een nauwkeurig verslag van alle pogingen, die zijn ondernomen om de „Borculo" weer vlot te krijgen, pogingen, die op 26 september 1958, te circa 18.00 uur, met succes zijn bekroond. De raad heeft dit verslag met instemming en waardering voor kapitein en schepelingen gelezen. Ook op het beleid van de kapitein daarna heeft de raad geen kritiek. Uit het vorenstaande volgt, dat de kapitein door onnauwkeurige raadpleging van de hem ter beschikking staande gegevens is gekomen tot het in de gegeven omstandigheden onverantwoorde besluit tegen de storm beschutting te zoeken in Loch Scresort en dat daarvan de stranding van de „Borculo" het gevolg is geweest. Deze ramp is derhalve te wijten aan de schuld van de kapitein. Hoewel de gevolgen van deze tekortkoming van de kapitein ernstig zijn geweest, wil de raad te zijnen gunste in aanmerking nemen, dat dit zijn eerste reis als gezagvoerder was en dat hier, veeleer dan van roekeloosheid of slordigheid, sprake is geweest van een gebrek aan ervaring, terwijl bovendien oppervlakkige lezing van de zeilaanwijzingen wellicht het zoeken van beschutting in de baai wat te aantrekkelijk deed schijnen. Op grond van dit alles straft de raad kapitein Matthijs Abraham Goldberg, geboren 6 maart 1930 te 's-Gravenhage, wonende te Dordrecht, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heren mr. Ch. J. Enschedé, 2de plv. voorzitter, H. A. Broere en W. F. van Vreeswijk, leden, in tegenwoordigheid van 's raads secretaris, mr. A. Boosman, en uitgesproken door de voorzitter ter openbare zitting van de raad van 13 maart 1959. (Get.) Enschedé, A. Boosman.

1962-10-12: De Tijd De Maasbode 12-10-1962: Noordzee wacht op gunstig moment om te liquideren „Elk uitstel gaat ten koste van de kleine aandeelhouder"
Amsterdam, 13 okt. — Een der aandeelhouders heeft tijdens de jaarvergadering van de Maatschappij Noordzee zijn angst uitgesproken over het lot van de 'outside-aandeelhouders' die door de politiek van de maatschappij ongetwijfeld het loodje zullen leggen. Het rekken van het leven van de onderneming geschiedt met het stijgen der verliezen „over de rug van de kleine aandeelhouder". Reeds jarenlang is er druk op het bestuur uitgeoefend, om tot liquidatie over te gaan, maar steeds was er weer iets, (meestal de slechte vrachtenmarkt), dat een spaak in het wiel stak. De aandeelhouder deed daarom het voorstel onmiddellijk te liquideren, een voorstel dat hij later echter weer introk, toen het bestuur de belofte deed, elke gelegenheid aan te grijpen om het laatste schip van de maatschappij, de Borculo, zo voordelig mogelijk te verkopen. Een rederij zonder schepen zou dan vanzelfsprekend geen bestaansgrond meer hebben. De Borculo, op welk schip in de al niet vette jaren 1959 en 1960 respectievelijk ƒ6000 en ƒ 49.000 netto is verdiend, vaart op dit moment verliesgevend, een situatie die echter bij elke verbetering van de vrachtenmarkt in een winst kan verkeren. Men schat, dat men voor het schip circa ƒ 600.000 kan maken. Met de opbrengst van de Markelo, zoals bekend netto ƒ 450.000, heeft men de bankschuld aan de Amsterdamsche Bank afbetaald. Het schip is aan Noorwegen verkocht. De Herstelbank heeft thans oog ƒ 240.000 te vorderen, inclusief ƒ 40.000 uitgestelde rente. De van 1948 tot 1958 terugontvangen rente is indertijd als diverse baten opgevoerd. De Borculo moet met januari in jaarlijkse survey. De vooruitzichten zijn niet bemoedigend. De opponerende aandeelhouder deed een beroep op de maatschappij de onkosten zoveel mogelijk terug te brengen om de schade in deze moeilijke tijd tot een minimum te beperken. Het bestuur antwoordde, dat de kosten al minimaal zijn. Men kon geen belofte doen, maar men zou de zaak nog eens bekijken.

1963-12-12: Algemeen Handelsblad 12-12-1963: Vergadering Noordzee. Thans wordt er lonend gevaren. Door slecht eerste halfjaar nog verlies in 1963. Ook dit jaar zal er bij de Stoomvaart Maatschappij Noordzee rekening moeten worden gehouden met een verlies van ongeveer ƒ 50.000. Op het ogenblik wordt er lonend gevaren, maar het eerste halfjaar van 1963 was bepaald ongunstig te noemen. Ook in deze periode werden de afschrijvingen niet verdiend. Dit deelde de directie mede in de vandaag gehouden algemene vergadering van aandeelhouders. Ook in deze vergadering kwam de mogelijkheid van een liquidatie weer ter sprake. Een aandeelhouder gaf uiting aan zijn gevoelens van verontrusting. Hij merkte op, dat de maatschappij zeer kwetsbaar was, doordat men slechts in het bezit was van één scheepje, het m.s. Borculo. Het totale verlies neemt steeds toe, zo zei hij, en het leek hem wenselijk over te gaan tot de verkoop van de Borculo. De directie sloot zich hier volledig bij aan, maar ze ziet er op het ogenblik geen mogelijkheid toe. Er is thans geen markt voor. En we willen beslist geen bod forceren. Het m.s. Borculo is een goed schip en als we het verlies eruit willen halen dan moet het uiteindelijk ƒ 700.000 opbrengen. We zijn verplicht om door te gaan, aldus de directie. Het enige wat we kunnen doen is de kosten zo veel mogelijk drukken. Dit is ook in zekere zin gebeurd, doordat het „zorgenkind", het m.s. Markelo van de hand is gedaan. Hierdoor hebben we kunnen bewerkstelligen, dat de assurantiepremie op de Borculo met ƒ 27.000 wordt verlaagd tot ƒ 33.000. Op het ogenblik heeft men ook geen kantoorpersoneel meer. Alle zaken worden afgehandeld door de firma Scheuer.

1964-09-30: Het Vrije Volk 30-09-1964: Eén schip in de vaart. Mij. Noordzee wil bod op aandelen. Amsterdam. (ANP). — Het bestuur van de Stoomvaart Maatschappij Noordzee ziet maar één oplossing : een bod op de aandelen; De maatschappij, die slechts een schip in de vaart heeft, de Borculo van 953 ton, heeft wederom de afschrijvingen niet verdiend. Het schip blijft echter varen, omdat opleggen nog duurder zou zijn. Op de jaarvergadering zei, een aandeelhouder gisteren, dat een bod van 125 pct. redelijk zou zijn. „lets minder kan ook nog wel," meende commissaris C. A. Klaasse.

1964-10-21: Leeuwarder courant 21-10-1964: Mij. Noordzee: Verkoop 'Borculo' vordert. De directie van de NV Stoomvaart Maatschappij Noordzee deelt mede dat de onderhandelingen over de verkoop van haar enige schip, het ms Borculo, thans in een vergevorderd stadium zijn gekomen. Over de verkoopprijs van het schip is in beginsel overeenstemming bereikt tussen de maatschappij en de gegadigde. Er zijn echter nog verschillende moeilijkheden te overwinnen en formaliteiten te vervullen, die de overeenkomst alsnog in gevaar kunnen brengen. De financiering is bovendien nog niet rond, aldus de direktie. Binnen enkele weken hoopt het bestuur met een definitief bericht over de transaktie te komen.
De Tijd De Maasbode 21-10-1964: Mij Noordzee. Bespreking over verkoop ,Borculo' vergevorderd. Amsterdam, 21 okt. — De directie van Stoomvaart Maatschappij Noordzee deelt mede dat de onderhandelingen, over de verkoop van haar enige schip, het m.s. „Borculo", thans in een vergevorderd stadium zijn. Over de verkoopprijs van het schip is in beginsel overeenstemming bereikt tassen de maatschappij en de gegadigde. Er zijn echter nog verschillende moeilijkheden te overwinnen en formaliteiten te vervullen, die de overeenkomst alsnog in gevaar kunnen brengen. De financiering is bovendien nog niet rond, aldus de directie. De prijs, waarop de partijen het eens zijn geworden, wilde men nog niet noemen, omdat deze, door allerlei omstandigheden nog wijzigingen kan ondergaan. Binnen enkele weken hoopt het bestuur met een definitief bericht over de transactie te komen. Zoals bekend, heeft de directie in de onlangs gehouden jaarvergadering verklaard thans haast te zetten achter de verkoop van het schip. In verband hiermee had zij de vraagprijs voor de „Borculo" verlaagd tot ƒ 623.000. Bovendien werd toen verklaard dat een bod op de aandelen van de maatschappij een betere oplosstag voor aandeelhouders moet worden geacht dan een liquidatie, wanneer het schip zou zijn verkocht. De Borculo staat op de commerciële balans teboek voor f 314.163; de fiscale boekwaarde is ƒ 499.000. Over de meeropbrengst van het schip zou dus een belastingschuld ontstaan. Op het ogenblik is het schip nog in de vaart omdat opleggen ervan meer zou gaan kosten dan de verwachte exploitatieverliezen. Het schip is twaalf jaar oud en meet 953 ton.

1964-11-04: De Telegraaf 04-11-1964: ,Noordzee' verkocht laatste schip. Amsterdam, woensdag. De Stoomvaart Mij. „Noordzee" heeft haar laatste schip het m.s. „Borculo" verkocht. De maatschappij heeft de koopsom in contanten ontvangen. Het schip heeft de Amsterdamse haven reeds verlaten. De maatschappij is in onderhandeling met enige gegadigden voor een bod op de aandelen.

1975-01-03: Final Fate: Onderweg met een lading van 900 ton dolomiet van Hammerfall naar Knarrevik tijdens zwaar weer op de rotsen gelopen en een dag later gezonken bij Maltsekken bij Stokksund in de Linesfjord, Noorwegen.

Ship Masters Data

Images


Description: De proefvaart en oplevering van de Borculo op 26 juli 1952.
Image type: Photo

Description:
Image type: Photo

Description: Borculo (bj 1952)
Image type: Photo

Description:
Image type: Photo
Sources