Name ship: BRINDA

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1936
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
IMO number: 5200928
Nat. Official Number: 1761 Z GRON 1936
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: One mast
Rig: 2 derricks, 2 winches
Lift Capacity: 2 ton each
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: Scheepswerf 'Gideon' J. Koster Hzn., Groningen, Netherlands
Yardnumber: 149
Date Laid Down:
Launch Date: 1936-10-10
Delivery Date: 1936-11-16
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Machinefabriek 'Bolnes' v/h J.H. van Cappellen, Bolnes, Netherlands
Engine Type: Motor, Oil, 2-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 150
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Bolnes Nr. 3252/25/62 Type (10 1/14-14 9/16)
Speed in knots: 8.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 200.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 95.00 Net tonnage
Deadweight: 255.00 tons deadweight (1016 kg)
Grain: 13030 Cubic Feet
Bale: 12330 Cubic Feet
 
Length 1:
Length 2: 33.72 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 6.60 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.40 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

1962-00-00: 1962 nieuwe hoofdmotor: 4tew 3 cil 200 Pk ABC nr. 10044 Type M.D.X. (242x320) 8 Kn.

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1936-11-10 BRINDA
Manager: C. Holscher's Scheepvaartbedrijf (Holscher Shipping) N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Rijnder Brinkman, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PDGV
Additional info:

Date/Name Ship 1955-11-30 TONNY
Manager: N.V. Scheepvaartbedrijf Poseidon, Delfzijl, Netherlands
Owner: Janke Lichtendahl, Dordrecht, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Dordrecht / Netherlands
Callsign: PIAK
Additional info:

Date/Name Ship 1956-07-16 LA PALOMA
Manager: Rotterdamse Bevrachtings- & Scheepvaart Maatschappij N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Filip en Peter B.P. Doorenweerd & Pieter Martinus van Putten, Kampen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Kampen / Netherlands
Callsign: PFNI
Additional info:

Date/Name Ship 1967-06-13 LA PALOMA
Manager: Rotterdamse Bevrachtings- & Scheepvaart Maatschappij N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Filip Doorenweerd, Kampen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Kampen / Netherlands
Callsign: PFNI
Additional info:

Date/Name Ship 1972-08-22 LA PALOMA
Manager: Rotterdamse Bevrachtings- & Scheepvaart Maatschappij N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Filip Doorenweerd, Kampen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Panama / Panama R.P.
Callsign: HO7611
Additional info:

Date/Name Ship 1982-00-00 PALOMA I
Manager: Rotterdamse Bevrachtings- & Scheepvaart Maatschappij N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Filip Doorenweerd, Kampen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Panama / Panama R.P.
Callsign: HO7611
Additional info:

Date/Name Ship 1987-00-00 PALOMA
Manager: Elizabeth White, Cristobal, Panama R.P.
Owner: Elizabeth White, Cristobal, Panama R.P.
Shareholder:
Homeport / Flag: Cristobal / Panama R.P.
Callsign: HO7611
Additional info:

Date/Name Ship 1988-00-00 LA PALOMA
Manager: Elizabeth White, Kingstown, St. Vincent (and Grenadines)
Owner: Elizabeth White, Kingstown, St. Vincent (and Grenadines)
Shareholder:
Homeport / Flag: Kingstown / St. Vincent (and Grenadines)
Callsign: 3EWJ7
Additional info:

Ship Events Data

1936-10-00: De Eemsbode 13.10.1936: Zaterdag j.l. werd met goed gevolg van de scheepswerf 'Gideon' van J. Koster Hzn., te Groningen te water gelaten het motorzeevrachtschip 'BRINDA', in aanbouw voor kapitein R. Brinkman. Het schip is groot 235 ton d.w. en wordt voorzien van een 150 Pk Bolnes Diesel motor. De bouw geschiedt onder speciaal toezicht Bureau Veritas voor classificatie grote kustvaart.

1936-11-11: Op 11-11-1936 als BRINDA, zijnde een motorzeevrachtschip, groot 566 m3, liggende te (Gideon) Groningen, door A. Kielema, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Rijnder Brinkman, kapitein te Groningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1761 Z GRON 1936 op het achterschip in achterkant dekhuis ingang kajuit van den kapitein aan bakboordzijde.

1936-11-16: NvhN 17-11-1936: Proefvaart m.s. „BRINDA”. Op de Eems te Delfzijl vond gisteren de in alle opzichten uitstekend geslaagde proefvaart plaats van het nieuwe motorschip „BRINDA", gebouwd onder klasse Bureau Veritas en Scheepvaart-Inspectie op de scheepswerf „Gideon" van den heer J. Koster Hzn te Groningen voor rekening van kapt. Brinkman te Groningen. Het schip heeft een deadweieht van 285 ton en het is voorzien van een Bolnes Diesel motor waarmede een snelheid van 9 mijl werd bereikt. Het heeft een stalen mast met twee stalen laadboomen, waarmede een last van twee ton kan worden geheschen. Het laad en losgerei is geleverd met een certificaat van de Inspectie van Havenarbeid. De geheele verlichting geschiedt door een electrische licht-installatie, geleverd door het Technisch Bureau Herman G. Eekels te Hoogezand. Het schip is keurig betimmerd en ook de afwerking laat niets te wenschen over. Het is voorzien van een Oertz-patent roer, waarmede het op de proefvaart zeer gemakkelijk te besturen bleek, terwijl tevens zeer goed met het schip gemanoeuvreerd kon worden. Na afloop van de proefvaart werd het schip dan ook zeer ten genoegen door den kapitein overgenomen.

1939-12-16: De Telegraaf 16-12-1939: Groningsche kustvaarder redt elf man van het Zweedsche s.s. „Ursus". Een vuurzuil, de Zweed brak in tweeën en drenkelingen klemden zich aan balken en en sloep. Met 4 gewonden te Rotterdam. (Van onzen correspondent.) Rotterdam, 16 Dec. — De „Brinda", een Nederlandsen kustvaardertje van een 200 ton, heeft elf overlevenden gered van het Zweedsche s.s. “Ursus", dat Vrijdag voor de Theemsmonding is vergaan. Vannacht om drie uur heeft het notedopje in een ijzige koude de gewonde opvarenden van de „Ursus" in de Parkhaven aan den wal gebracht. Zonder dat de buitenwereld er iets van waar werd, is de “Ursus" Vrijdagmorgen omstreeks 9 uur voor de Theems-monding door een explosie verloren gegaan. Negen zeelieden van de twintig koppen tellende bemanning lieten er het leven bij. Het 1499 bruto-register ton metende Zweedsche s.s. „Ursus". toebehoorende aan de reederij Thure Engström te Gothenburg, met een lading houtpulp op weg van Uddevala naar Rochester was door een explosie getroffen. Het schip brak in tweeën en verdween binnen enkele seconden in de diepte. De Nederlandsche motorboot “Brinda", een kustvaarder van de N V. C. Holscher's Kustvaartbedrijf te Rotterdam, dat op 2 mijl achter de „Ursus" voer, slaagde er in elf overlevenden van het schip te redden. Daar de „Brinda" geen radio aan boord heeft, hoorde men te Rotterdam eerst vannacht om een uur, toen de „Brinda" op weg naar de Maasstad het rapporteerbureau te Hoek van Holland passeerde, welk drama zich den vorigen dag had afgespeeld. Het is nog niet bekend, of de “Ursus" op een mijn is geloopen of door een torpedo werd getroffen. De Rotterdamsche rivierpolitie kwam onmiddellijk in actie toen zij hoorde, dat de “Brinda" in aantocht was, want uit de mededeelingen van den kapitein van dit schip, den Groninger Foppe v.d. Veen, was gebleken, dat zich onder de geredden vier zwaar gewonden bevonden, die geneeskundige hulp noodig hadden. Een politieboot met agenten voer de “Brinda" te gemoet tot Maassluis. Inmiddels had inspecteur H van Boxtel, leider van de hulpverleening, den geneeskundigen dienst gewaarschuwd, die twee ambulance-auto's naar de Parkkade stuurde, erwijl ook de adminstrateur, de heer Beetstra en een geneersheer zich daarheen begaven. Ook de te Rotterdam wonende Zweedse dominee S. Hjort werd gewaarschuwd en toen dit gebeurd was, begaf inspecteur Van Boxtel zich met een tweede politieboot de rivier op om de “Brinda” naar de Parkhaven te brengen. Brancards gereed: Om 3 uur in den nacht staan wij op de Parkkade de komst van het kleine scheepje af te wachten. Het is een sinister taferee. In het helle schijnsel van de zoeklichten van de rivierpolitie staan de beide ambulance-auto's gereed. In den ijzigen wind hebben de verplegers de brancards reeds in gereedheid gebracht en het duurt niet lang, of de “Brinda” komt in zicht, geescorteerd door de beide politiebooten. Het is een notedopje, dit scheepje en men verwondert er zich over, dat het, behalve de eigen bemanning, die zeven koppen telt, nog plaats heeft voor de elf schipbreukelingen. Nauwelijks is de loopplank uitgelegd, of de mannen van den geneeskundigen dienst gaan aan boord. Even later gaat de deur van de kleine kajuit opnieuw open en heel voorzichtig wordt de eerste gewonde, stevig ingepakt in wollen dekens, die hem tegen de felle koude moeten beschermen, op de brancard over de smalle loopplank gedragen. Het is de 28-jarige tweede stuurman Johannes Johanssen, die zijn linkerarm gebroken heeft, en hevige pijnen lijd. Opnieuw verschijnen de verplegers met een brancard. De daarop liggende man de de steward Gusta Martin, die een bloeduitstorting in het been heeft opgeloopen en die ernstige shock-verschijnselen vertoont. Weer wordt een gewonde aan land gebracht. Het is nog bijna een kind, deze zestienjarige dekjongen Oele Sigfald Polsen, die ook ernstig geschokt is door de vreeselijke ramp en die bovendien een groote wonde boven een der oogen heeft opgeloopen. Huiverend in zijn dunne kleeren en met doodsbleek gezicht strompelt de jongen, ondersteund door de verplegers naar den ambulancewagen De vierde gewonde is de 33 jarige Poolsche lampenist Stanislaf Gworszd Aus; hij is er niet zoo erg aan toe. Maar men vermoedt, dat hij een hersenschudding heeft opgeloopen en ook hij wordt in de ambulance gebracht. In snelle vaart verdwijnen de beide auto's naar het ziekenhuis aan den Coolsingel waar men reeds alles voor de opneming der gewonden in gereedheid heeft gebracht. De zeven overblijvende schipbreukelingen worden met de politieboot naar het bureau van de rivierpolitie gebracht, dat als een gastvrij huis vol warmte en licht aan de donkere Parkhaven ligt. Een vuurzuil. Kapitein v.d.Veen, die zich zoo kranig heeft gedragen, is inmiddels aan boord van de “Brinda" onder de wol gekropen. Hij is zoo doodop van de moeilijke reis en de aan aangrijpende gebeurtenissen die hij meemaakte, dat hij nauwelijks meer op zijn beenen kan staan. Toch doet hij eerst nog het relaas van de redding. Wij hooren, dat de „Brinda" Vrijdagmorgen in alle vroegte op weg was gegaan van de Theemsmonding naar Rotterdam. Het schip voer in ballast. Om kwart voor negen zag de bemanning op omstreeks twee mijl voor zich uit een schip, waarvan men toen nog niet wist, dat het de “Ursus" was. Het weer was tamelijk kalm, de zee was niet ruw, er waren geen duikbooten of mijnen te zien en niets wees er op dat er iets bijzonders zou gebeuren. Om precies vijf minuten voor negen, op vijf mijl buiten de Theemsmonding zag men plotseling uit het onbekende schip een enorme vuurzuil opstijgen. Een watermassa, gemengd met rook, spoot omhoog en op hetzelfde moment zag men het schip in twee stukken breken. Direct daarop klonk een slag. Met volle kracht stevende de ..Brinda" op het verongelukte schip af, waarvan het achterdeel zich intusschen rechtstandig in de hoogte verhief om een paar tellen later onder den zeespiegel weg te zinken. Het voorschip voer nog even door doch weldra verdween ook dit in de diepte. Een afgrijselijke aanblik wachtte den opvarenden van de „Brinda" toen dit schip op de plaats van de ramp was aangekomen. Tusschen allerlei wrakhout zag men overal verminkte lijken drijven. Vijf mannen klemden zich wanhopig vast aan een omgeslagen reddingboot, zes anderen hielden zich op de planken en balken drijvende in het ijskoude water. Anderhalf uur bleef de „Brinda" de zee afzoeken doch men slaagde er niet in meer dan deze elf menschen op te pikken. De lijken moest men noodgedwongen laten drijven daar de ruimte op een scheepje als de „Brinda" niet van dien aard is, dat men ook de dooden aan boord had kunnen nemen. De bemanning van de “Brinda", stoere Groningsche zeelieden, die niet voor een kleintje vervaard zijn. deed intusschen alles wat zij kon om de ongelukkige Zweden te verzorgen. Zoo goed mogelijk verleende men den gewonden de eerste hulp waarna de Groningers hun eigen kledingstukken afstonden om den totaal verkleumden schipbreukelingen wat warmte te geven. Men gaf hun warm eten doch daar de voorraad levensmiddelen maar klein was had de “Brinda" bij aankomst te Rotterdam geen hap eten en geen kruimel brood meer aan boord. Dit is het sobere relaas van kapitein v. d. Veen. Hij verdient lof en bewondering voor zijn doortastend en menschlievend optreden want het valt niet mee met zoo'n klein scheepje doelmatige hulp te verleenen. (Gedeeltelijk gecorrigeerd). Kapitein gedood; In het warme bureau van de rivierpolitie komen de zeven overige geredden intusschen wat op hun verhaal. Men laat hen alleen met ds. Hjort die vol medeleven met het tragische lot van zijn landgenooten is. Hij noteert ook de namen van de geredden en informeert naar de vermisten. De geredden zijn: De 42-jarige stoker Janne Axel Lind, de 21 -jarige matroos Erik Ake Andersson, de 18-jarige leerling Andreas Ragnar Oskarsson. de 35-jarige donkeyman Karl Fredrik Hallberg, de 21-jarige stoker Berthil P. Lund, de-29-jarige matroos Johan William Petterson en de 31-jarige matroos Finn Nystad. Men kan hun de ontberingen nog duidelijk aanzien, als zij vertellen van den plotselingen ondergang van hun schip, waarhij hun kapitein, de Zweed Stranne, de eerste stuurman en het machinekamerpersoneel, op slag werden gedood. In de meest primitieve kledingstukken gestoken, zitten zij om de groote tafel. Sommigen hebben een dunne overall aan, anderen slechts een borstrok, maar slechts enkele hunner hebben schoenen aan de voeten. De mannen spreken slechts weinig. Zij zijn nog geheel vervuld van de vreeselijke uren, die zij nog zoo kort geleden hebben doorgemaakt. Uit de weinige woorden, die zij spreken blijkt, dat de “Ursus" zoo totaal onverwacht is vergaan, dat er zelfs geen tijd was om ook maar aan het strijken van een sloep te denken. De opvarenden werden óf direct gedood óf in het water geslingerd, terwijl ook enkele leden van de bemanning overboord sprongen. De ongelukkigen, die zich op het achterschip bevonden, zijn vermoedelijk door de ontploffing zoodanig verminkt, dat zij dood in het water terechtkwamen. Van de zeelieden, die zich op het achterschip bevonden, is althans niemand gered. Alle geredden bevonden zich op het moment van de explosie op het voorschip, met uitzondering van den steward, die midscheeps aan dek stond, en die tientallen meters hoog de lucht in geslingerd werd, waardoor hij een bloeduitstorting opliep en zijn zenuwgestel zwaar geschokt werd. Geen der geredden weet met zekerheid te vertellen, of hun schip getorpedeerd werd, dan wel of het op een mijn is geloopen. Alles ging te onverwacht in zijn werk om dat te constateeren, maar een duikboot hebben de mannen in elk geval niet gezien. Van hun bezittingen hebben de mannen niets kunnen redden, maar zij zijn dankbaar, dat zij er het leven af gebracht hebben en groot is hun erkentelijk- heid jegens de bemanning van de “Brinda". Zij vertellen, dat zich onder de negen slachtoffers ook een Noorsche zeeman bevindt. Later in den nacht, toen de noodige formaliteiten vervuld waren, zijn de schipbreukelingen met een overvalauto van het hoofdbureau van politie naar het hotel Elim van het Leger des Heils overgebracht, waar zij op dampende koffie en een stevig ontbijt werden onthaald, waarna zij onder de wol konden krtirpen. De vier gewonden zullen nog wel grruimen tijd in het ziekenhuis moeten verblijven.
Leeuwarder nieuwsblad 16-12-1939: Het Zweedsche s.s. „Ursus” vergaan. Het Nederlandsche schip „Brinda” met geredden te Rotterdam aangekomen.
Vannacht is te Rotterdam aangekomen hel Nederlandsche vaartuig „Brinda", thuis behoorend te Groningen, met de elf geredden van het Zweedsche schip „Ursus” aan boord, dat Vrijdagmorgen is vergaan. Vier van de schipbreukelingen moesten naar het ziekenhuis worden vervoerd, daar zij licht gewond waren. De overige zeven geredden werden naar hotel „Elim" gebracht, waar ze na een ontbijt te hebben genuttigd, te bed gingen. De kapitein van de „Brinda", de heer Foppe van der Veen uit Groningen, vertelde dat hij Vrijdagmorgen vroeg in ballast uit Londen was vertrokken naar Rotterdam. Te vijf voor negen, toen de „Brinda" zich op 5 mijlen uit de Theemsmond bevond, zag hij op 2 mijl voor zich een schip. Plotseling werd een vuurzuil waargenomen, waterfonteinen spoten omboog en bet schip voor hem spleet in tweeën. Het achter- en middenschip zonken onmiddellijk, het voorschip na zeer korte tijd. De „Brinda" zette direct koers naar de plaats van de ramp en daar aangekomen zag men vijf man drijven op een omgeslagen reddingboot, terwijl zes man zich vasthielden aan drijfhout. Aangezien de zee niet zeer woelig was, konden deze elf menschen vrij gemakkelijk aan boord worden genomen. De „Brinda" is nog ongeveer anderhalf uur op de plaats des onheils gebleven. Wel werden eenige lijken gezien, doch overlevenden konden niet meer worden ontdekt. Van de geredden werd vernomen, dat de bemanning van de „Ursus" uit twintig man bestond, zoodat negen man bij deze ramp omgekomen zijn. Van de geredden die nog zeer onder de indruk van het gebeurde waren, vernamen we, dat zij niet konden zeggen of hun schip door een torpedo of door een mijn was getroffen; wel hadden allen de overtuiging, dat de explosie van buiten het schip was gekomen. Op het achterschip, de brug en de machinekamer, had de ontploffing, welke het schip midscheeps trof, de grootste uitwerking. Die deelen van het schip gingen direct omlaag en de zeelieden, die zich daarop bevonden, waaronder de kapitein, zijn omgekomen. De elf geredden vertoefden op het voorschip, een steward stond juist waar het schip spleet, maar door de schok werd hij op het voorschip geslingerd, wat hem het leven heeft gered. Tijd om reddingbooten neer te laten was er niet; bovendien waren ze niet op het voorschip. De elf geredden waren dus in zee geeprongen. Vijf hadden een omgeslagen reddingboot opgepikt en de overigen hielden zich aan wrakstukken boven water. Ze hadden naar mede-opvarenden gekeken, doch niemand gezien, behalve een zoo zwaar gewonde, dat hulp niet kon worden geboden. De lading van de „Ursus” bestond uit houtpulp. De „Ursus was op weg naar Roehester en mat 1499 ton. Hef schip behoort toe aan de Rederi A. B. Ursue (Kurt W. Bensow) te Gothenburg. en, werd in 1902 gebouwd
Zaans volksblad 18-12-1939: Nederlands schip redt 11 zeelieden in volle zee. Hun schip zonk binnen twee minuten. Rotterdam, — Zaterdag. Met elf schipbreukelingen, afkomstig van het Zweedse stoomschip „Ursus", dat Vrijdagmorgen voor de mond van de Theems verging, kwam vannacht het motorschip „Brinda" voor de Parkkade aan. Van de geredden moesten er vier, die verwondingen hadden opgelopen naar het ziekenhuis worden vervoerd, terwijl de overigen een onderdak vonden in hotel „Elim". De „Ursus", die vermoedelijk op een mijn is gelopen, zonk binnen twee minuten. Negen opvarenden, onder wie de kapitein verdronken. De „Brinda" was Vrijdagmorgen in ballast van Londen naar Nederland vertrokken. Voor zich uit zag de kapitein een schip. Even voor negenen zag men een geweldige vuurzuil opstijgen, gevolgd door een enorme v'aterzuil. Testond daarna verdween het achterschip in de diepte. Het leek of het voorschip nog even doorvoer, maar toen verdween ook aat in de golven. Zo snel mogelijk zette de „Brinda" koers naar de plaats, waar men de ondergang van de boot had waargenomen. Kapiten Van der Veen en zijn vijf mannen troffen vijf drenkelingen aan op een omgeslagen roeiboot, terwijl zes andere schipbreukelingen zich aan drijfhout hadden vastgeklampt. Zo snel mogelijk werd hulp verleend en dank zij de kalme zee, slaagde de bemanning van de „Brinda" er in om allen behouden aan boord te nemen. Op een mijn gelopen? Wat de oorzaak van de ondergang van het Zweedse stoomschip is geweest, kon niemand zeggen. Geen van de geredden heeft een duikboot gezien en dus zou men kunnen aannemen, dat de „Ursus" op een mijn is gelopen. Ook uit het feit, dat kapitein Van der Veen en de zijnen een grote vuurzuil zagen, die op een heftige explosie wees, zou men kunnen opmaken, dat het schip op een mijn is gelopen. De „Ursus" werd middenscheeps getroffen en brak midden door. Allen, die zich op het voorste deel bevonden werden gered, doch degenen, die zich in de machinekamer en op het achterschip bevonden, vonden de dood in de golven. Van de bemanning sprongen enkelen in zee, terwijl de meesten over boord werden- geslingerd. De steward werd door de luchtdruk omhoog geslingerd en kwam in zee terecht. Niemand van de opvarenden had kans gezien om in een sloep te komen. Alles ging zo snel in zijn werk, dat men zelfs geen moment kans had om een sloep neer te laten. Er zijn nog pogingen aangewend om enkele lotgenoten, die men in de nabijheid tegen de dood zag worstelen te redden, maar dat lukte niet. Zo zagen enkele van de mannen, die behouden te Rotterdam aan wal konden stappen, de kok in de golven Deze was zelf machteloos, omdat zijn beide benen gebroken waren. Doch juist toen enkele kameraden hem te hulp kwamen, zagen zij hem in de diepte verdwijnen. Een klein half uur, nadat het drama zich afspeelde, dat negen mensenlevens vergde, kwam de „Brinda" ter plaatse en werden de overlevenden gered.
De Sumatra Post 28-12-1939: Groningsche kustvaarder redt elf man van het Zweedsche s.s.”Ursus”. De “BRINDA”, een Nederlandsch kustvaardertje van een 200 ton, heeft elf overlevenden gered van het Zweedsche s.s. “Ursus”, dat voor de Theemsmonding is vergaan. In den nacht heeft het notedopje in een ijzige koude de gewonde opvarenden van de “Ursus” in de Parkhaven te Rotterdam aan den wal gebracht.

1940-05-00: Tijdens het uitbreken van de 2e WO lag het schip in Lorient. Op 27 mei 1940 uitgeweken naar Engeland en daar ingeschreven bij The Netherlands Shipping & Trading Committee, Londen, Engeland.

1955-12-17: NvhN 17-12-1955: BRINDA herdoopt in TONNY. Het 200 brt metende kustvaartuig Brinda van R. Brinkman te Groningen is verkocht aan mevrouw Ligtendaal te Dordrecht. Het schip zal opnieuw in de vaart worden gebracht onder de naam Tonny.

1955-12-17: NvhN 17-12-1955: Brinda herdoopt in Tonny. Het 200 brt metende kustvaartuig Brinda van R. Brinkman te Groningen is verkocht aan mevrouw Ligtendaal te Dordrecht. Het schip zal opnieuw in de vaart worden gebracht onder de naam Tonny.

1956-02-11: Algemeen Handelsblad 13-02-1956: Kustvaarder Tonny uit hachelijke positie gered. De Nederlandse kustvaarder Tonny (215 ton) heeft zaterdag in de monding van de rivier de Tweed enige uren in een benarde positie verkeerd. Het schip liep op een zandbank, kwam weer vlot, maar het roer was beschadigd. De reddingboot van Berwick voer uit om te verhinderen, dat de Tonny, die stuurloos was geworden, op de rotsen zou lopen. Na drie uren, in welke tijd alleen nog de kapitein en de stuurman aan boord van de Tonny waren gebleven, is het de reddingboot en twee ter hulp gekomen vissersschepen gelukt de Tonny, die reeds water maakte, naar de haven van Berwick te slepen.
NvhN 13-02-1956: Het spookte weer op zee. Verscheidene schepen verkeerden in nood. Het heeft de afgelopen dagen op zee kennelijk nogal gespookt. Er raakten nog al wat schepen in moeilijkheden. Zaterdag zond de 280 ton metende Nederlandse logger „Tonny" om 13 uur een s.o.s. uit waaruit bleek, dat het schip was lekgeslagen en onbestuurbaar was geworden. De Tonny was in de monding van derivier de Tweedmouth op een zandbank gelopen, waaruit het zich echter wist vrij te maken. Kort nadat het schip weer vlot gekomen was, viel de machine uit, waardoor er gevaar ontstond dat het schip op de rotsen zou worden geworpen. Twee reddingboten en twee vissersboten zijn erin geslaagd de Tonny naar de haven van Berwick te slepen.
NvhN 14-02-1956: Lading van de Tonny overboord. De lading van het Nederlandse m.s. Tonny, dat zoals bekend is in de nacht van vrijdag op zaterdag j.l. bij Berwick aan de grond was gelopen en een toevlucht heeft gezocht in de rivier de Tweed, is gisteren overboord geworpen. Bij laag water zal men trachten de gaten in de romp van het schip provisorisch te dichten, zodat de Tonny een dok kan worden binnengesleept. Inmiddels is men er reeds in geslaagd het water uit de machinekamer te pompen. De motor kan thans weer werken.
Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van donderdag 16 augustus 1956, no.159. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart.No. 54. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart inzake het stoten van het motorschip „Tonny" voor de haven van Berwick. Betrokkene: de kapitein P. Plugge. Op 11 februari 1956 heeft het motorschip „Tonny", dat, op de reis van Immingham naar Berwick, laatstgenoemde haven wilde aanlopen, terwijl de loods nog niet aan boord was, voor de haven gestoten en is daardoor ernstig beschadigd. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet,dat de raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van dit stoten en dat het onderzoek tevens zou lopen over de vraag of niet het ongeval mede te wijten is aan de schuld van de kapitein van de „Tonny", Pieter Plugge, wonende te Scheveningen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 juli 1956, in tegenwoordigheid van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart. De raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij een proces- verbaal van het verhoor van de kapitein, zomede van de te Newcastle on Tyne afgelegde scheepsverklaring, het scheepsdagboek en een uittreksel daarvan, benevens de Engelse kaart no. 1192: Hartlepool to St. Abbs Head, en hoorde de kapitein, voornoemd, als betrokkene buiten ede. De voorzitter zette de betrokkene, aan wie voormelde beslissing was meegedeeld, doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit de verklaringen en bescheiden is de raad het volgende gebleken: Het motorschip „Tonny" is een Nederlands schip, toebehorende aan C. Holscher's Kustvaartbedrijf N.V., te Rotterdam. Hel meet 199,99 brutoregisterton en wordt voortbewogen door een 135 pk motor. Op 8 februari 1956, te 20 uur, vertrok de „Tonny", beladen met 240 ton fosfaat, onder loodsaanwijzing van Immingham met bestemming Berwick. De diepgang was vóór 7'06", achter 9'. De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit vijf personen. Te 22 uur werd de loods bij Spurnvuurschip ontscheept. Op 10 februari, te 18 uur, werd Longstone- toren op circa 2 mijl afstand aan bakboord gepasseerd. Te 19.30 uur werd het dik van mist, werd met matige vaart gevaren en werden mistseinen gegeven. Te 20.30 uur klaarde het op. Men verkende toen de noordelijke walvuren van Berwick. De kapitein liet de koers veranderen tot 158° k.; de motor draaide zo langzaam mogelijk. Het was nu helder weer, de wind was noord 3, de stroom liep om de zuid met naar schatting 1 mijl per uur. Er stond een roerganger aan het roer. De kapitein wilde evenwijdig aan de kust varen om antwoord af te wachten op zijn seinen om een loods, die vanaf 20.30 uur geregeld werden afgegeven met lamp en fluit, het loodssein G. Daar geen antwoord hierop werd gegeven, besloot de kapitein te 23 uur ten anker te gaan. Er werd enige keren gelood, waarbij 9 a 12 vaam werd gevonden, en in peiling van het vuur van Berwick 295° r.w. werd b.b.-anker gepresenteerd met 30 vaam ketting. De kapitein zette twee man op wacht en ging naar zijn hut. Op 11 februari, te 2 uur, kwam hij weer op de brug. De wind was toen noord 4 —5, de zee was aanschietend. Hij gaf weer enige keren het loodssein, maar kreeg weer geen antwoord. Te 8.15 uur liet de kapitein anker hieuwen. Hij wilde contact zoeken met de wal en de haveningang verkennen om zo nodig zonder loods naar binnen te gaan. Eerst werd korte tijd een noordelijke koers gestuurd, maar daarna werd op de haven aangestuurd. De kapitein, die zelf aan het roer stond, herinnert zich niet de gestuurde koersen; de peiling van de vuurtoren van Berwick was ongeveer westnoordwest k. Er werd niet gelood. Te 9.30 uur stootte het schip. De kapitein gaf even volle kracht achteruit en daarna langzaam vooruit met hard b.b.-roer. De „Tonny" draait gemakkelijker over bakboord dan over stuurboord. Tijdens de draai stootte het schip nog een paar keer. Toen het gedraaid was tot ongeveer oost ten zuiden, werd langzaam in die koers naar dieper water gestoomd. Na enige tijd meldde de motórdrijver, dat de motorkamer water maakte. De kapitein gaf herhaaldelijk het sein F óf korte stoten op de luchtfluit om de aandacht te trekken. De lenspompen waren direct bijgezet. Toen het schip na het bereiken van diep water nog tien minuten had doorgestoomd, nu met volle kracht in koersen tussen oost en oostzuidoost, stopte door het binnendringende water de motor. De „Tonny" bevond zich toen ongeveer op de plek, waar zij in de nacht ten anker had gelegen. Te omstreeks 10 uur liet men b.b.-anker vallen met twintig vaam ketting; er is niet meer gelood. Met vlaggeseinen werd om hulp gevraagd. Bij inspectie van het ruim bleek dit ook water te maken; er kon echter niet meer worden gepompt. Te 10.10 uur arriveerde de reddingboot van Berwick; deze maakte een sleeptros vast. Toen het anker zou worden ingehieuwd, bleek de ketting te zijn gebroken. Daar het slepen door de reddingboot slechts langzaam ging en het schip steeds dieper ging liggen, liet de kapitein te 12 uur de bemanning op de reddingboot overgaan, maar bleef zelf aan boord. Er kwamen nu echter twee vissersvaartuigen en de reddingboot van Eyemouth; deze maakten alle vast en te 13.30 uur kon de „Tonny" in de haven van Berwick aan de grond worden gezet. De bemanning kwam weer aan boord. Bij laagwater stond het schip droog. Op 12 februari begon de brandweer de motorkamer leeg te pompen, waarna de lekken voorlopig werden gedicht. Hierna werd op het ruim gepompt. Ook werd 42 ton lading op het strand gebracht. Nu kon de „Tonny" verhalen naar de kade. Hier werd de overige lading gelost. Daar het schip ook aan de kade bij laagwater droog kwam te staan, kon een expert van Bureau Veritas de bodem onderzoeken. De bodem was ernstig beschadigd en had enige lekken. Deze werden tijdelijk gedicht, waarna toestemming werd verkregen naar Rotterdam te gaan. Nadat ook het roer was gerepareerd, een ander anker was ingesloten en motor en lenspompen waren geprobeerd, vertrok de ,,Tonny" op 4 maart, te 19.15 uur. Hoewel nog enige keren moest worden gepompt, arriveerde de „Tonny" op 6 maart, te 22.50 uur, te Rotterdam. De kapitein heeft nog verklaard, dat hij eerst sinds 14 december 1955 als kapitein op kusters vaart en dat hij Berwick niet kende en daarvan ook geen plankaart bezat. Het zou niet zijn bedoeling zijn geweest zonder loods de haven binnen te lopen. Ter zitting verklaarde de Kapitein geheel overeenkomstig het hiervóór vermelde. Hij voegde daaraan toe, dat hij achttien maanden als stuurman bij de kustvaart had gevaren en sinds 14 december 1955 als kapitein voer. Daarvóór had hij bij de visserij gevaren. Betrokkene heeft besloten om voorlopig als stuurman te blijven varen. Betrokkene, had vóór het bereiken van de rede van Berwick in de zeilaanwijzingen gelezen, dat de haven moeilijk in te varen is. Het was op 10 februari 1956 goed weer, zodat er geen bezwaar was om buiten te blijven wachten. Betrokkene vreesde, dat men van de wal zijn schip niet opmerkte, en besloot daarom de volgende morgen dichter naar de haveningang te gaan. Het weer was minder goed geworden en betrokkene wilde daarom zo spoedig mogelijk naar binnen gaan. Er was, toen de „Tonny" ten anker lag, ook geregeld om een loods geseind, maar men had geen antwoord gekregen; later vernam betrokkene, dat men zijn schip niet opgemerkt had. Op 11 februari, te 8 uur, ging betrokkene ankerop. Hij geeft toe te weinig op de kaart te hebben gelet, daar hij steeds naar de loods uitkeek. Te 9.30 uur stootte het schip. Het was toen halftij. Betrokkene sloeg volle kracht achteruit. De „Tonny" draaide toen bakboorduit. Bij het rondgaan stootte zij nog enige keren. Te 10 uur was men terug ongeveer op de plaats, waar het schip ten anker had gelegen. Toen het ruim open werd gemaakt om naar eventuele schade te kijken, hoorde betrokkene de ankerketting knarsen en hij vermoedt, dat deze toen is gebroken. De reddingboot was niet sterk genoeg om de „Tonny" te slepen, maar nadat twee vissersschepen hadden vastgemaakt, gelukte het de „Tonny" te 13.30 uur in de haven aan de grond te zetten. De bodem bleek later, vooral achter, lek te zijn. Betrokkene deelde de raad nog mee, dat de volle-krachtvaart van de „Tonny" 6 a 7 mijl is. De bemanning heeft geen invloed uitgeoefend op betrokkene om naar binnen te gaan en heeft zich tijdens de ramp goed gehouden. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart voerde aan, dat het stoten van de „Tonny" een ernstig ongeval is geweest, dat bijna heeft geleid tot de totale ondergang van het schip. De kapitein stamt uit een zeemansfamilie, maar is nog zeer jong. De „Tonny" is een zeer klein schip en mag met een verminderde bemanning varen, maar de navigatie eist van de kapitein even veel als op een groter schip. De kapitein nam als jong stuurman een grote verantwoordelijkheid op zich toen hij het commando van de ,.Tonny" aanvaardde en ook de rederij legde deze jonge man een grote verantwoordelijkheid op. Totdat kapitein Plugge 's avonds op 10 februari ten anker ging, was alles goed gegaan. Hij had echter vóór vertrek uit Immingham een redekaart van Berwick moeten kopen. Het was een nalatigheid dit niet te doen. Op deze kaart zou hij anders gezien hebben hoe weinig water er vooral bij laagwater voor de haven staat. Door grote drukte in de vorige haven heeft de kapitein niet de tijd genomen om deze kaart te kopen. Het is begrijpelijk, dat, wanneer men in de winter bij barre kou voor zo'n haven ligt en niets ziet van een uitkomende loods, veel gevergd wordt van het geduld van de kapitein. Wanneer men de volgende ochtend nog niets ziet en ankerop gaat om de haven dichterbij te verkennen en er nog geen loods uitkomt, is het verleidelijk om te proberen naar binnen te gaan. Dit is echter zeer onverstandig, vooral als er geen groot-bestek- redekaart aan boord is en men de plaatselijke omstandigheden niet heeft kunnen bestuderen. Ook voor de “Tonny" was er bij laagwater geen water genoeg om naar binnen te gaan, maar ook bij hoogwater is het binnenlopen gevaarlijk, wanneer men niet weet hoe gevaren moet worden. Kapitein Plugge is naar binnen gelopen en zijn schip stootte. De „Tonny" is in een zeer gevaarlijke situatie gekomen. De kapitein heeft, toen de toestand kritiek werd, zijn equipage van boord laten gaan. maar was zelf zo plichtsgetrouw, dat hij aan boord bleef. Hierdoor is het schip behouden gebleven. De kapitein is door het gebeurde zo geschokt, dat hij besloot eerst meer ervaring op te gaan doen voordat hij weer als kapitein wil varen. De hoofdinspecteur merkt op, dat, indien kapitein Plugge een meer ervaren kapitein was geweest, hij de raad zou hebben voorgesteld om zijn diploma voor enige tijd in te houden. Nu de kapitein zelf reeds heeft besloten om als stuurman te gaan varen en deze zaak is terug te brengen tot een gebrek aan ervaring, waardoor deze ramp is ontstaan, stelt de hoofdinspecteur de raad voor kapitein P. Plugge te straffen door het uitspreken van een berisping. Het oordeel van de raad luidt als volgt: Op 11 februari 1956 heeft het Nederlandse motorschip „Tonny" voor de ingang van de haven van Berwick enige malen gestoten op de rotsen van de Engelse kust, waarbij het schip ernstige bodemschade heeft opgelopen en lek is geraakt, en wel in die mate, dat zoveel water is binnengedrongen, dat de motor is uitgevallen en het schip waarschijnlijk zou zijn gezonken, indien het niet met hulp van twee reddingboten en twee vissersvaartuigen in de haven van Berwick was binnengebracht en daar aan de grond gezet. Met betrekking tot deze ramp is bij het onderzoek door de raad het navolgende komen vast te staan. In de avond van 10 februari 1956 is de „Tonny" voor de haven van Berwick aangekomen en toen op de seinen van betrokkene om een loods geen antwoord werd verkregen, is de „Tonny" te 21 uur buiten ten anker gegaan in 9 tot 12 vaam water en in peiling van het vuur van Berwick 295° r.w. 's Nachts, te 2 uur, is betrokkene weer op de brug geweest en heeft weer enige malen het loodssein gegeven. Ook toen werd daarop geen antwoord ontvangen. In de vroege morgen van 12 februari 1956 wakkerde de wind aan tot kracht 4 tot 5, richting noord, met aanschietende zee. Betrokkene wilde toen niet langer buiten blijven liggen en te 8.15 uur besloot hij contact te zoeken met de wal en de haveningang te verkennen om zo nodig zonder loods naar binnen te gaan, en nadat het anker was gehieuwd en een korte tijd een noordelijke koers was gestuurd, heeft betrokkene op de haven aangehouden. Betrokkene stond hierbij zelf aan het roer. Gelood werd er niet. Toen de „Tonny" de haven tot op omstreeks een/vierde mijl was genaderd. stootte het schip plotseling. Direct gaf betrokkene volle kracht achteruit en daarna langzaam vooruit met hard b.b.-roer, ten einde over bakboord van de kust weg te draaien. Bij deze draai over bakboord heeft de „Tonny" nog enige malen gestoten. Toen gedraaid was tot richting oost ten zuiden, is langzaam in die koers naar dieper water gestuurd, terwijl na het bereiken van dieper water nog ongeveer tien minuten volle kracht in ongeveer dezelfde koers is doorgevaren. Ook daarbij is niet gelood. Toen viel de motor uit. Inmiddels had de motordrijver reeds gemeld, dat de motorkamer water maakte, en had betrokkene door het sein F en het geven van korte stoten op de luchtfluit reeds getracht de aandacht van de wal te trekken. Na het uitvallen van de motor is betrokkene weer ten anker gegaan. Het schip lag daarbij nagenoeg op dezelfde plaats, waar het 's nachts ten anker had gelegen. Betrokkene heeft vervolgens met vlaggeseinen om hulp gevraagd en te 10.10 uur arriveerde de reddingboot van Berwick, die een sleeptros vastmaakte om de „Tonny" naar binnen te slepen. Intussen was gebleken, dat ook het ruim Water maakte, terwijl bij het hieuwen van het anker bleek, dat de ketting was gebroken. Daar het slepen door de reddingboot slechts langzaam vorderde en de „Tonny" steeds dieper kwam te liggen, liet betrokkene te 12 uur de bemanning op de reddingboot overgaan. Zelf bleef hij aan boord. Hierna kwamen nog twee vissersvaartuigen en de reddingboot van Eyemouth te hulp, die alle vastmaakten, waarna de „Tonny" met vereende krachten in de haven van Berwick is binnengesleept en daar aan de grond gezet. De bemanning kwam weer aan boord. Met laagwater stond het schip droog. Op 12 februari begon de brandweer de motorkamer leeg te pompen, waarna de lekken voorlopig werden gedicht. Hierna werd op het ruim gepompt. Vervolgens is 42 ton lading aan wal gebracht, waarna het schip is verhaald naar de kade en de overige lading is gelost. Daar het schip ook hier bij laagwater droog kwam te staan, kon een expert van Bureau Veritas de schade onderzoeken. Daarbij bleek, dat de bodem ernstig was tjeschadigd en op verschillende plaatsen lek was. Nadat deze lekken tijdelijk waren gedicht, het roer was gerepareerd, een ander anker was ingesloten en motor en lenspompen waren geprobeerd, werd toestemming verkregen naar Rotterdam te gaan en op 4 maart, te 19.15 uur, vertrok de „Tonny". Op 6 maart, te 22.50 uur, arriveerde het schip te Rotterdam zonder verdere wederwaardigheden, hoewel onderweg nog enige keren moest worden gepompt. Uit het vorenstaande blijkt, dat aan het motorschip „Tonny" een zeer ernstige ramp is overkomen, waarbij niet alleen gevaar is ontstaan voor schip en lading, maar ook voor het leven van de bemanning, en dat het aan de direct aanwezige hulp is te danken, dat een nog ernstiger ramp is voorkomen. Naar het oordeel van de raad moet een en ander worden geweten aan de absoluut onverantwoorde wijze, waarop betrokkene heeft getracht zonder hulp van een loods de haven van Berwick binnen te varen, waarbij hij op vele punten in goed zeemanschap is te kort geschoten. Immers, betrokkene wist, zoals hij zelf heeft verklaard, dat in de zeilaanwijzingen de haven van Berwick als een gevaarlijke haven wordt aangeduid. terwijl daarin het gebruik van een loods wordt aanbevolen. Betrokkene beschikte slechts over een kaart, waarop de toegang tot de haven onvoldoende kon worden afgelezen. Een plan van de haven, die hij uit ervaring niet kende en waar hij tevoren nooit was geweest, had hij niet en hij heeft Ook geen poging.gedaan zich zo'n plan tijdig te verschaffen. Verder heeft betrokkene er geen rekening mee gehouden, dat het tijverschil voor de haven meer dan vier meter bedraagt, en zich niet gerealiseerd, dat het binnenvaren bij voorkeur, zo niet uitsluitend moet geschieden bij hoogwater. Het tijdstip, waarop betrokkene naar binnen wilde, was juist laagwater. Ten slotte heeft hij niet gelood. Uit dit alles volgt, dat betrokkene als kapitein in zeer ernstige mate is te kort geschoten in het zeemanschap, dat van een bekwame kapitein mag worden verwacht, en dat hem zeer ernstige schuld aan gemelde ramp moet worden verweten, en hoewel de raad niet voorbijziet, dat de positie van de „Tonny" in de ochtend van 11 februari bij toenemende wind en aanschietende zee niet gemakkelijk was en dat betrokkene pas sedert december 1955 als kapitein op een kuster voer en als zodanig nog weinig ervaring had en dat betrokkene, door aan boord van zijn schip te blijven, blijk heeft gegeven in zoverre zich zijn plicht als kapitein bewust te zijn geweest, meent de raad, dat in dezen een ernstige correctie niet achterwege kan blijven. De raad straft daarom betrokkene Pieter Plugge, geboren te Scheveningen op 16 december 1930, wonende aldaar, door hem de bevoegdheid om als kapitein op zeeschepen te varen te ontnemen voor de tijd van drie maanden. Aldus gedaan door de heren mr. G. A. Schreuder, 2de plv. voorzitter, C. H. Brouwer, F. van der Laan en P. G. Koster, leden, in tegenwoordigheid van 's raads waarnemend secretaris, J. F. Verbeek, en uitgesproken door de voorzitter, prof. mr. J. Offerhaus, ter openbare zitting van de raad van 25 juli 1956. (Get.) G. A. Schreuder, J. F. Verbeek
NvhN 21-08-1956: Raad voor de Scheepvaart. Zware straf voor jonge zeekapitein. De Raad voor de Scheepvaart heeft de 25-jarige kapitein P. P. uit Scheveningen gestraft door hem de bevoegdheid om als kapitein van zeeschepen te varen te ontnemen voor de tijd van drie maanden. Op 11 febr. stootte het schip van kap. P. „Tonny" enige malen voor de ingang van de haven van Berwick op de rotsen van de Engelse kust. Het schip liep ernstige bodemschade op en raakte lek. De Raad voor de Scheepvaart acht de schuld van de kapitein aan deze ramp bijzonder groot. De Raad heeft gemeend hem ernstiger te moeten straffen dan de hoofdinspecteur bij de Raad voor de Scheepvaart, de heer J. Metz, had voorgesteld. De heer Metz meende, na de behandeling van deze zaak, dat kon worden volstaan met een berisping.

1988-12-00: Opgelegd in Georgetown en moest eerst gerepareerd worden om het certificaat van zeewaardigheid terug te krijgen. In 1999 Lloyd's laat de registratie vervallen omdat het nog bestaan van het schip twijfelachtig is.

Ship Masters Data

Images


Description: Brinda 1936
Image type: Photo

Description: Brinda 1936
Image type: Photo

Description: Tonny 1936 ex Brinda.
Image type: Photo

Description: 'La Paloma' (ex 'Brinda')
Image type: Photo

Description: De 'La Paloma' onder de vlag van St. Vincent.
Image type: Photo
Sources

General information regarding this ship

 

NNO 161239
Het vergaan van het s.s. URSUS - Het Groninger m.s. BRINDA met geredden te Rotterdam aangekomen.
Vannacht te kwart over drie is aan de Parkkade te Rotterdam  aangekomen het Groninger motorschip BRINDA, met de elf geredden van het Zweedse schip URSUS, dat op de Noordzee is vergaan, aan boord. Twee auto van de G.G.D., met een geneesheer en verplegend personeel, waren  aanwezig om voor de gewonden te zorgen. Dat bleken er vier te zijn, die niet ernstig waren gewond en met de auto’s naar het ziekenhuis aan de Coolsingel  werden vervoerd.
De kapitein van de BRINDA, de heer Foppe van der Veen uit Groningen, vertelde, dat hij vrijdagmorgen vroeg in ballast uit Londen was vertrokken naar Rotterdam. Te vijf voor negen, toen de BRINDA zich op 5 mijlen uit de Theemsmond bevond, zag hij op 2 mijl voor zich een schip. Plotseling werd een vuurzuil waargenomen, waterfonteinen spoten omhoog  en het schip voor hem spleet in tweeën. Het achter- en middenschip zonken onmiddellijk, het voorschip na zeer korte tijd. De BRINDA zette direct koers naar de plaats van de ramp en daar aangekomen zag men vijf man drijven op een omgeslagen reddingboot, terwijl zes man zich vasthielden aan drijfhout.  Aangezien de zee niet zeer woelig was, konden deze elf mensen vrij gemakkelijk aan boord worden genomen.
De BRINDA is nog ongeveer anderhalf uur op de plaats des onheils gebleven, wel werden enige lijken gezien, doch overlevenden konden niet meer worden ontdekt. Van de geredden werd vernomen, dat de  bemanning van de URSUS uit twintig man bestond, zodat negen man bij deze ramp omgekomen zijn. De  geredden, die nog zeer onder de indruk van het gebeurde waren, konden niet zeggen of hun schip door een torpedo of door een mijn was getroffen, wel hadden allen de overtuiging dat de explosie van buiten het  schip was gekomen. Op het achterschip, de brug en de machinekamer had de ontploffing, welke het schip midscheeps trof, de grootste uitwerking. Die delen van het schip gingen direct omlaag en de zeelieden, die zich daarop bevonden, waaronder de kapitein, zijn omgekomen. De elf geredden vertoefden op het voorschip, een steward stond juist waar het schip spleet, maar  door de schok werd hij op het voorschip geslingerd, wat hem het leven heeft gered. Tijd om reddingboten neer te laten was er niet. Bovendien waren ze niet op het voorschip. De elf gereddenwaren dus in zee gesprongen. Vijf hadden een omgeslagen reddingboot opgepikt en de overige hielden zich aan wrakstukken boven water vast. Ze hadden naar medeopvarenden gekeken, doch niemand gezien, behalve een zoo zwaar gewonde, dat hulp niet kon worden geboden.