Name ship: BUIZERD

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1931
Classification Register: Lloyd's Register of Shipping (LR)
IMO number: 5336832
Nat. Official Number: 1427 Z GRON 1931
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: One mast
Rig: 2 derricks
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: G.J. van der Werff, Hoogezand, Netherlands
Yardnumber: 199
Date Laid Down:
Launch Date: 1931-06-25
Delivery Date: 1931-11-02
Technical Data

Engine Manufacturer: Humboldt-Deutz Motoren A.G., Cologne (Köln), Germany
Engine Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 150
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Deutz Type (x)
Speed in knots: 8.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 270.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 186.00 Net tonnage
Deadweight: 350.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 20000 Cubic Feet
Bale: 18500 Cubic Feet
 
Length 1:
Length 2: 37.70 Meters Registered
Beam: 6.94 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.69 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

1948-03-00: Verbouwd door Havenbedrijf Vlaardingen Oost en van een nieuwe motor (vervaardigd in 1928) voorzien: 4tew 4 cil 200 Pk Deutz nr. 2/19068/71 Type SVMV 145 (280x450) 8 Kn.

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1931-09-30 BUIZERD
Manager: N.V. J. Salomons' Scheepvaart- & Expeditiekantoor (J. Salomons Shipping & Forwarding Office), Rotterdam, Netherlands
Owner: N.V. Motorschip 'Kondor', Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: NHMB
Additional info:

Date/Name Ship 1932-02-26 BUIZERD
Manager: N.V. J. Salomons' Scheepvaart- & Expeditiekantoor (J. Salomons Shipping & Forwarding Office), Rotterdam, Netherlands
Owner: Jan Bosma, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: NHMB
Additional info: 1934 callsign PDHN

Date/Name Ship 1941-09-00 BUIZERD
Manager: J.H. Voskamp, London, Great Britain
Owner: J.H. Voskamp, London, Great Britain
Shareholder:
Homeport / Flag: London / Great Britain
Callsign:
Additional info:

Date/Name Ship 1941-12-00 BERNARD V
Manager: International Shipbrokers Ltd., London, Great Britain
Owner: N.V. Zeelichter 'Thames IV', London, Great Britain
Shareholder: H. van der Eb, Rotterdam
Homeport / Flag: London / Great Britain
Callsign:
Additional info:

Date/Name Ship 1945-08-00 BERNARD V
Manager: H. van der Eb, Rotterdam, Netherlands
Owner: N.V. Zeelichter 'Thames IV', Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PDBD
Additional info:

Date/Name Ship 1947-11-00 BERNARD V
Manager: H. van der Eb, Rotterdam, Netherlands
Owner: N.V. Zeelichter 'Thames IV', Willemstad (NA), Netherlands Antilles
Shareholder:
Homeport / Flag: Willemstad (NA) / Netherlands Antilles
Callsign: PJEF
Additional info:

Date/Name Ship 1949-07-06 BERNARD V
Manager: H. van der Eb, Rotterdam, Netherlands
Owner: N.V. Zeelichter 'Thames IV', Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PDBD
Additional info:

Date/Name Ship 1954-12-13 SPIRIT
Manager: Carebeka N.V., Groningen, Netherlands
Owner: Gebr. Beck & Gerrit Gort , Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PHQK
Additional info:

Date/Name Ship 1956-12-29 SPIRIT
Manager: Beck's Scheepvaartkantoor N.V., Groningen, Netherlands
Owner: N.V. Scheepvaartmaatschappij 'Globecka', 'Nobecka', 'Tribecka' , 'Vebecka' & Gerrit Gort , Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PHQK
Additional info:

Date/Name Ship 1960-05-09 SPIRIT
Manager: Beck's Scheepvaartbedrijf N.V., Groningen, Netherlands
Owner: Hendrik Forsten, Stavoren, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PHQK
Additional info:

Ship Events Data

1931-01-15: Op 15-01-1931 bij het Kadaster teboekgesteld als BUIZERD, schip in aanbouw. Eigenaar: N.V. Fabriek van Gassen "De Graafstroom" te Alblasserdam. Voltooid op 12-09-1931. Op 30-09-1931 is de eigenaar: N.V. Motorschip Kondor N.V. te Rotterdam.

1931-06-26: NvhN 26-06-1931: Scheepsbouw. Van de werf van Van der Werff's Scheepsbouw te Hoogezand, is gisteren met goed gevolg te water gelaten voor rekening der N.V. Motorschip- Buizerd - directeur de heer Salomons te Rotterdam, de motorzeeboot „Buizerd" Het schip, dat als afmetingen heeft 37.50 X 6.90 V 2.90 M. en een draagvermogen van plm. 350 ton D. W., is gebouwd onder klasse Germ. Lloyd Groote Kustvaart en onder toezicht der Scheepvaart Inspectie. Het zal worden voorzien van een 150 P.K. Deutz Diesel-motor. Het heeft voorop een bakdek, waaronder volkskajuiten, een speciale stalen mast en laadbooms als hijschlier, waarvoor 2 electrische hijschlieren zijn aangebracht, een verhoogd achter en bruggedek, verder een Oertz-patentroer, benevens een dubbelen bodem tot aan den mast voor waterballast.

1931-09-15: Op 15-09-1931 als BUIZERD, zijnde een motorvrachtschip, groot 765.73 m3, liggende te Hoogezand, door H. Mulder, scheepsmeter te Groningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1427 Z GRON 1931 op het achterschip in de luchtkap van de motorkamer stuurboordzijde.

1931-11-03: NvhN 03-11-1931: Scheepsbouw. Gisteren heeft met goed gevolg te Delfzijl op de Eems proefgestoomd het nieuwe motorschip „BUIZERD", gebouwd onder klasse Germ. Lloyd en Scheepvaart-Inspectie, groote kustvaart, op de werf van den heer G. J. van der Werff te Hoogezand voor rekening van J. Salomons Shipping and Forwarding Office Ltd. te Rotterdam. Het schip heeft de volgende afmetingen: lengte over de stevens 37.25 M., breedte op buitenkant grootspant 6.90 M. holte in de zijde 2.90 M., het is groot netto 526.38 M 3. en bruto 765.73 M 3. Het is voorzien van een dubbelen bodem tot den mast, welke dient voor waterballast. Voor de voortstuwing is in de motorkamer een 150—180 e.p.k. 4-tact compressorlooze Deutz Dieselmotor opgesteld. Verder bevindt zich hier een hulpmotor, eveneens een compressorlooze Deutz Dieselmotor van 15 e.p.k. Deze motor drijft een compressor en een lens-ballastpomp aan. Verder wordt door den hulpmotor een 9 KW. dynamo aangedreven, die den stroom levert voor de verlichting en voor twee electrische lieren die aan dek zijn opgesteld. Met deze lieren kan een last van drie ton worden geheschen. Het schip, dat voorzien is van een Oertz-roer, voldeed zeer goed en werd na de proefvaart zeer ten genoegen overgenomen.

1931-12-21: Voorwaarts 21-12-1931: Buizerd. Vlissingen, 19 Dec. Het Ned. Motorschip Buizerd komende van Southampton, is bij de Wielingen met machineschade opgepikt door de Duitsche sleepboot Hermes en hier binnen gebracht.

1932-03-02: Op 02-03-1932 in aanvaring met het Engelsche s.s.”Jamaica Pioneer” op de Nieuwe Maas.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Vrijdag 10 en Zaterdag 11 Februari 1933, no. 30. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart: No. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip Buizerd met het Engelsche stoomschip Jamaica Pioneer op de Nieuwe Maas. Op 2 Maart 1932 is het motorschip Buizerd op de Nieuwe Maas ter hoogte van de haven van Pernis in aanvaring gekomen met het Engelsche stoomschip Jamaica Pioneer. In overeenstemming met het voorstel van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Eaad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze aanvaring zou instellen, welk onderzoek ter zitting van den Raad van 26 October 1932 in tegenwoordigheid van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart heeft plaats gehad. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde als getuigen Jan Bosma en Jacob van Beek Pz., onderscheidenlijk gezagvoerder op de Buizerd en loods op de Jamaica Pioneer tijdens het ongeval. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het Nederlandsche motorschip Buizerd, metende 270,30 bruto-, 185,81 netto-registerton, onderscheidingssein N H M B, is in het jaar 1931 van staal gebouwd, is eigendom van den gezagvoerder Jan Bosma, voornoemd, en behoort thuis te Groningen. Het Engelsche stoomschip Jamaica Pioneer, metende 5349 bruto-, 3383 netto-registerton, lang 386,2 voet, breed 54,2 voet, behoort toe aan de-Jamaica Direct Fruit Line Ltd., te Londen. In den morgen van 2 Maart 1932 voer de Buizerd ledig van de oude werf van Rijkée, te Rotterdam, waar zij een tijdlang had gelegen, naar Pernis om aldaar aan de superphosphaatfabriek kunstmest te laden voor Frankrijk; diepgang 1,80 m. Kapitein Jan Bosma, van Groningen, was juist eigenaar van het vaartuig geworden en had daarmede nog geen reizen gemaakt. Hij voer zonder loods, omdat hij, volgens zijn verklaring, op de Maas goed bekend was. Het was goed weer, wind oost, helder zicht, er liep nog een weinig eb, doch het was bijna stil water. Nadat de kapitein naar den noordkant was over-gestoken, hield hij dien wal. Ongeveer ter hoogte van Schiedam werd op eenigen afstand een tegenkomend stoomschip waargenomen. Tegelijkertijd voer een tegenkomend zandscheepje vrijwel reelit op de Buizerd aan. Kapitein Bosma, die zelf het stuurrad bediende, gaf een weinig S.B.-roer en, zoodra het scheepje voorbij was, weer B.B.-roer. Eensklaps schoor de Buizerd echter hoe langer hoe meer naar bakboord. De tegenkomende zeeboot, welke bleek het Engelsche stoomschip Jamaica Pioneer te zijn, naderde inmiddels snel. Aangezien de afstand nog maar gering was, durfde kapitein Bosma geen S.B.-roer meer te geven. Hij draaide het roer bakboord aan boord onder het geven van twee korte stooten, terwijl de motor op volle kracht vooruit werd gezet. Hij wilde, aldus handelende, met de Jamaica Pioneer mede komen liggen en trachten een aanvaring alsnog te voorkomen. Toen de Buizerd reeds nagenoeg met het voorschip in de richting Rotterdam lag, raakte zij desniettemin de Engelsche boot eerst met S.B.-boeg en later met S.B.-achterschip. De schade was alleen boven de waterlijn. Kapitein Bosma meende aanvankelijk, dat hij door het uitwijken voor het zandscheepje te dicht bij den noordwal zou zijn gekomen en dat zijn schip daarna ten gevolge van zuiging naar bakboord was overgeschoren. Later, op zee, bemerkte hij evenwel, dat de stuurinrichting niet in orde was. Hij ontdekte toen, dat de stuurketting niet goed op het kwadrant aansloot. De Jamaica Pioneer stoomde in den morgen van 2 Maart 1932 den Nieuwen Botterdamschen Waterweg op onder aanwijzing van den loods, getuige van Beek, diepgang ongeveer 19 voet 7 duim. Even vóór Pernis werd de machine op langzaam gezet met het oog op het ter plaatse aan de boeien gemeerd liggende tankstoomschip Mijdrecht, dat op korten afstand werd gepasseerd. Vervolgens werd aan bakboord een tegenkomend vaartuig gezien, dat later bleek het motorschip Buizerd te zijn. De loods dacht aanvankelijk, dat alles goed zou gaan, doch eensklaps week de Buizerd naar bakboord, waardoor een aanvaring vrijwel onvermijdelijk werd. Door hard S.B.-roer te geven en vervolgens volle kracht achteruit te slaan, onder het presenteeren van beide ankers, werd nog getracht een botsing te voorkomen. De Buizerd kwam ten slotte met de Jamaica Pioneer mede te liggen en raakte dit schip aan bakboord. De reis kon worden vervolgd. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat, na de uitlegging, welke de kapitein thans heeft gegeven over den toestand van het roer, over deze aanvaring niet veel is te zeggen, daar nu de in het vooronderzoek door den kapitein geopperde veronderstellingen betreffende de zuiging en het te dicht aan den noordwal zijn van de Jamaica Pioneer zijn komen te vervallen; dat derhalve door de weigering van het roer alles is verklaard; dat overigens de op het laatst door de Buizerd gemaakte manoeuvre juist was en daardoor de schade zeer zeker is beperkt. De Raad is van oordeel, dat dit ongeval is veroorzaakt doordat de roerketting niet pakte op het kwadrant, zoodat niet voldoende S.B.-roer kon worden gegeven. Daarbij stelt de Raad zich op het standpunt, dat de verklaring van den kapitein, dat de roerketting van het kwadrant was gegleden, juist is. De kapitein zelf heeft dit pas na het ongeval, toen hij zich op de Noordzee bevond, ontdekt. Het is dus niet zoo vreemd, dat hij te voren op andere wijze dit ongeval heeft trachten te verklaren. Intusschen zijn de goten van de stuurstangen en een gedeelte van den ketting met blokken hout 5 cm hooger gelegd, waardoor het gevaar van afglijden zeer is verminderd. Uit het onderzoek in deze zaak is voorts nog gebleken, dat de Buizerd een linksche schroef heeft. Dit is met meerdere motorschepen het geval. De Raad acht dezen toestand — waarbij men dus bij achteruitslaan naar het passeerende schip toe gaat — niet gunstig en meent hierop de aandacht te moeten vestigen. Na de behandeling van deze zaak voor den Raad is door de scheepvaartinspectie een onderzoek naar de stuurinrichting van de Buizerd ingesteld, door welk onderzoek de door den kapitein afgelegde verklaring wordt bevestigd. Op advies van den expert, die voormeld onderzoek heeft gedaan, zijn alsnog kleine kettinggeleiders aangebracht, waardoor afglijden van den roerketting niet meer mogelijk is. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, plaatsvervangend voorzitter, C. J. Canters, A. L. Boeser en B. C. van Walraven, leden, M. A. Hooykaas, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden plaatsvervangend voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 18 Januari 1933. (get .) B. M. Taverne, C. J. Canters A. L. Boeser, van Walraven, M. A. Hooykaas, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1932-06-27: Het Volk 29-06-1932: Buizerd, m.s. 27 Juni van Delfzijl te Emden; het schip zal aldaar dokken.

1932-10-28: Op 28-10-1932 bij de spoorwegbrug over de Koningshaven te Rotterdam in aanvaring gekomen met het Duitsche stoomschip Niobe.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Vrijdag 10 en Zaterdag 11 Februari 1933, no. 30. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart: No. 6 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip Buizerd met het Duitsche stoomschip Niobe bij de spoorwegbrug over de Koningshaven te Rotterdam. Op 28 October 1932 is het motorschip Buizerd bij de spoorwegbrug over de Koningshaven te Rotterdam in aanvaring gekomen met het Duitsche stoomschip Niobe. In overeenstemming met het voorstel van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze aanvaring zou instellen, welk onderzoek ter zitting van den Raad van 8 en 15 December 1932 in tegenwoordigheid van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart heeft plaats gehad. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde ter zitting van 8 December: Jan Bosma, kapitein op de Buizerd tijdens het ongeval, terwijl de verklaringen, door den kapitein en loods van de Niobe, alsmede den brugwachter van de Koninginnebrug, bij gemeld voorloopig onderzoek afgelegd, door den secretaris werden voorgelezen; ter zitting van 15 December: Joliannes van Aert, Rijnloods, dienst doende op de Niobe tijdens de aanvaring, terwijl voorlezing werd gedaan van evenvermelde verklaring van den kapitein van de Niobe. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Buizerd, metende 270,30 bruto-, 185,81 netto-registerton, onderscheidingssein NHMB, is een Nederlandsch motorschip, in het jaar 1931 van staal gebouwd en eigendom van den kapitein Jan Bosma, wonende te Groningen. De Niobe, metende 658 bruto-, 363 netto-registerton, onderscheidingssein QJRB, is een Duitsch stoomschip, in het jaar 1909 van staal gebouwd, eigendom van de DampfschifffahrtsGesellschaft „Neptun", te Bremen. Het motorschip Buizerd vertrok 28 October 1932 omstreeks 5.30 uur namiddags met een lading graan, bemand met zes personen, onder loodsaanwijzing, van de Deutz motorenfabriek aan het Kralingscheveer naar zee. De diepgang was 9 voet. Voor de spoorwegbrug over de Koningshaven moest op de opening worden gewacht. Het was ebtij, goed zicht. De Buizerd is toen rondgegaan en hield het op de rivier gaande met den kop in den stroom. Zoodra de lichten op de brug veilig toonden, werd S.B.-roer gegeven. Aanvankelijk — bij het binnenvaren van de Koningshaven — was de Buizerd nog eenigszins aan B.B.-zijde van de brugopening, doch op ongeveer 200 m vóór de brug lag zij slaags in het rechtergedeelte van het vaarwater; even daarvóór was zelfs nog een weinig B.B.-roer gegeven. Met langzaam werkenden motor werd op de spoorwegbrug toe gevaren, terwijl men S.B.-zijde van het vaarwater bleef houden. Tot op ongeveer 60 m van de spoorwegbrug genaderd, werden even aan bakboord de lichten van een tegenkomend vaartuig gezien, te weten toplicht — rood. Eensklaps week dit vaartuig, in de spoorwegbrug zijnde, naar bakboord uit en liet vervolgens twee korte stooten liooren. Dientengevolge had een aanvaring plaats. Het andere schip, dat bleek het Duitsche stoomschip Niobe te zijn, liep met den steven in B.B.-boeg van de Buizerd. Nogmaals raakte de Niobe de Buizerd, thans in de midscheeps, waardoor laatstgenoemd schip weer slaags kwam en de reis vervolgde. Aan boei 5 is later vastgemaakt om de schade op te nemen. Den volgenden dag is het schip voor reparatie naar de werf gegaan. Aldus de verklaring van den kapitein van de Buizerd, welke door den loods in hoofdzaken wordt bevestigd. Het stoomschip Niobe kwam dien avond, in ballast, uit de Schiehaven, diepgang ongeveer 10 voet; het schip voer onder aanwijzing van den rivierloods, getuige van Aert, de Maas op, bestemd voor Keulen. Toen men in de Koningshaven kwam, was de spoorwegbrug juist geopend. Met de telegraaf afwisselend op ,,langzaam" en „halve kracht" werd door de voetbrug gevaren. De loods stond aan het roer, de kapitein bediende de telegraaf. De Niobe hield S.B.-zijde van het vaarwater. Vooruit werd een tegenkomend vaartuig gezien, toonende toplicht — rood, welke lichten men even aan stuurboord zag. Boven de spoorwegbrug gekomen, bemerkte men op de Niobe, dat er gevaar voor aanvaring bestond. Daarop werd door den loods S.B.-roer gegeven, terwijl de kapitein de telegraaf op ,,volle kracht achteruit" zette. Het schip kwam echter eenigszins bakboord uit, waarop de kapitein eigener beweging twee korte stooten op de stoomfluit gaf. De Niobe raakte daarop het andere vaartuig, dat bleek het Nederlandsclie motorschip Buizerd te zijn, met B.B.-boeg 1 — niet met den steven — aan B.B.-boeg. Na de aanvaring ging de Niobe rakelings langs het remmingwerk van de spoorwegbrug aan S.B.-zijde en, om aanvaring met aldaar gemeerd liggende sleepbooten te voorkomen, liet men B.B.-anker vallen. Na de schade te hebben opgenomen en nadat een onderzoek was ingesteld is de reis den volgenden dag vervolgd. Aldus de verklaring van den loods van de Niobe, welke in hoofdzaken door den kapitein wordt bevestigd. Alleen verklaarde deze bij het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie, in afwijking met den loods, dat hij, ziende dat een aanvaring onvermijdelijk was, den loods gecommandeerd heeft B.B.-roer te geven, terwijl hij daarbij twee korte stooten op de stoomfluit gaf, een en ander om de dreigende aanvaring zoo licht mogelijk te doen zijn. Toen de loods hem daarop antwoordde, dat het niet meer klaar zou gaan, zette hij de telegraaf op ,,volle kracht achteruit". Als gezegd, verklaarde de loods, die aan het roer stond, dat hij niet anders dan S.B.-roer heeft gegeven. Wel geeft hij toe, dat het schip op het laatste oogenblik eenigszins bakboord uit kan zijn gegaan, vermoedelijk doordat het zoo dicht bij het remmingwerk aan stuurboord was. De brugwachter van de voetbrug, die bij het brughuisje aan de zuidzijde stond, zag, toen de Niobe hen?, opvarende, in de brug passeerde, even vrij van de spoorwegbrug een rood licht, welk licht de Niobe toen recht vooruit moet hebben gehad. Vervolgens zag hij de Niobe bakboord uitgaan en hoorde twee korte stooten. Kort daarop had, ongeveer middenvaarwater, een aanvaring plaats. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat wel als vaststaande mag worden aangenomen, dat de Buizerd bij het indraaien van de ruimte tusschen de bruggehoofden te veel aan B.B.-zijde is geweest en dat het schip door S.B.roer nog getracht heeft zooveel mogelijk aan S.B.-zijde te komen; dat daartegenover staat, dat de Niobe in stroom voer en over haar S.B.-boeg toplicht — rood ziet; dat dit schip dan had moeten beginnen met onmiddellijk te stoppen; dat er verschil bestaat tusschen de verklaringen van den kapitein en die van den loods van de Niobe, doch de lood,s er niet in geslaagd is de B.B.-beweging van de Niobe te verklaren, welke beweging ook niet het gevolg kan zijnvan het achteruitslaan, daar de Niobe een rechtsche schroef had, terwijl, indien de aanvaring heeft plaats gehad op de wijze, als door den loods is verklaard, niet te begrijpen is, dat de Niobe na de aanvaring met haar achterschip tegen de remming is gekomen; dat wel als zeker mag worden aangenomen, dat de Niobe bakboord uit is gegaan; dat wel aan de Buizerd kan worden verweten, dat zij door een ipinder handige manoeuvre het vaarwater een oogenblik heeft versperd, doch dit alles niet wegneemt, dat de Niobe de aanvaring had kunnen en moeten voorkomen; dat er voor de Niobe geen haast bestond, daar een schip nimmer tusschen de twee bruggen wordt opgehouden; dat de Niobe dan ook had moeten afwachten, hoe de toestand zich zoude ontwikkelen; dat het wel niet zeker is, dat daardoor de aanvaring ware voorkomen, doch de kansen dan veel gunstiger waren geweest; dat wellicht de aanvaring reeds ware voorkomen. wanneer de Niobe niet bakboord uit ware gegaan. De Raad is van oordeel, dat deze aanvaring in hoofdzaak aan de scliuld van de Niobe is te wijten, al kan worden toegegeven, dat dit schip een oogenblik door de manoeuvre van de Buizerd in verwarring is gebracht. De fout van de Niobe ligt echter hierin, dat zij, in stroom varende en volkomen in staat zijnde af te wachten hoe de toestand zich zoude ontwikkelen, niettemin bleef doorvaren, al werd dan, gelijk de loods verklaarde, vaart geminderd. Zij zag op haar S.B.-boeg toplicht — rood van een schip, hetwelk later bleek de Buizerd te zijn. In plaats van haar weg te vervolgen en aan te nemen, dat het wel een sleepboot zoude zijn, welke niet door de brug zou gaan, doch daar ter plaatse zoude vastmaken, had zij toen moeten stoppen, hetgeen zij zonder eenig gevaar kon doen. Bovendien had de loods moeten bedenken, dat, wanneer een schip, dat het op de eb gaande heeft gehouden ten einde het moment af te wachten om door de brug te gaan, ten slotte de ruimte voor de brug binnenvaart, dit zeer licht kan geschieden op zoodanige wijze, dat het schip aanvankelijk aan de voor haar B.B.-zijde van het vaarwater komt. Het kon dus bij een dergelijke manoeuvre zeer gemakkelijk plaats hebben, dat de Niobe op haar S.B.-boeg toplicht — rood ziet en zij toch te doen heeft met een schip, dat de brug door moet en spoedig haar S.B.vaarwater zoude opzoeken. Het is 's Raads overtuiging, dat er niets gebeurd zoude zijn, wanneer de Niobe niet bakboord uit ware gegaan. Maar in elk geval had de Niobe moeten stoppen en, indien de toestand zich niet spoedig klaarde, achteruit moeten slaan. De Baad behoeft niet tot klaarheid te brengen het verschil tusschen de verklaringen van den kapitein en den loods van de Niobe betreffende het roer geven, daar in elk geval vaststaat, dat de Niobe bakboord uit is gegaan. Voor die manoeuvre, welke direct tot de aanvaring heeft geleid, is de Niobe aansprakelijk. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, plaatsvervangend voorzitter, G. J. Lap, A. L. Boeser en B. C. van Walraven, leden, M. A. Hooykaas, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door den plaatsvervangend voorzitter mr. dr. F. C. van Geer, ter openbare zitting van den Raad van 23 Januari 1933. (get .) B. M. Taverne, Ir. G. J. Lap,, A. L. Boeser, van Walraven, M. A. Hooykaas, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris

1935-12-12: NvhN 07-04-1936: Aanvaring op de Theems. Raad voor de Scheepvaart berispt kapiteins. De Raad voor de Scheepvaart heeft heden uitspraak gedaan inzake de aanvaring van het motorschip „Buizerd" met het voor anker liggende motorschip „Olga" op de Thees (Lower Hope Reach) en mede inzake de klacht van den Inspecteur-generaal voor de scheepvaart, onderscheidenlijk tegen beide kapiteins van deze schepen, wegens het niet nakomen van de bepalingen van art. 13 van het schepenbesluit. Zoowel de „Buizerd" als de „Olga" zijn afkomstig uit Groningen. De Raad is van oordeel, dat de „Buizerd" wel niet op ideale wijze heeft gemanoeuvreerd, doch dat anderzijds de gemaakte vergissing met de beide ankerlichten van de „Olga" zeer begrijpelijk is, terwijl de „Olga" is te kort geschoten door geen ankerwacht te laten loopen. De kapitein van de „Olga" vond dit niet noodig, daar hij bulten het vaarwater lag. Deze reden is zeker niet afdoende. Door ankerwacht te laten loopen had de „Olga" kunnen vaststellen, of zij op den stroom gestrekt lag of niet. Voorts had wellicht nog tijdig ketting kunnen worden gestoken. De Raad kan het ook niet goedkeuren, dat dit schip van minder dan 45 M. lengte, twee ankerlichten voerde. Het is zeer goed mogelijk, dat, wanneer de „Olga" één ankerlicht had gevoerd, de vergissing van de „Buizerd" niet zou hebben plaats gehad en de aanvaring zou zijn vermeden. Onder deze omstandigheden is het feit op zichzelf, dat de „Olga" ten anker lag, terwel de „Buizerd" varende was, niet voldoende haar ter zake an deze aanvaring vrijuit te doen gaan. Wat de door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart ingediende klachten betreft, deze zijn gegrond gebleken, mitsdien straft de Raad de beide aangeklaagden door het uitspreken van een berisping.

Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatcourant van Vrijdag 24 en Zaterdag 25 April 1936, no.80. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart:No. 32 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake : a. de aanvaring van het motorschip Buizerd met het voor anker liggende motorschip Olga op de Theems (Lower Hope Reach); b. de klacht van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart onderscheidenlijk tegen Jan Bosma, kapitein van het motorschip Buizerd, en Anne Bloemker, kapitein van het motorschip Olga, wegens het niet nakomen van de bepalingen van art. 18 van het Schepenbesluit. Op 12 December 1935 is het motorschip Buizerd op de Theems in Lower Hope Reach in aanvaring gekomen met het aldaar ter reede voor anker liggende motorschip Olga. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze aanvaring zou instellen. Voorts zijn door den inspecteur- generaal voor de scheepvaart op 21 December 1935 bij den Raad voor de Scheepvaart klachten ingediend zoowel tegen den kapitein van het motorschip Buizerd Jan Bosma als tegen den kapitein van het motorschip Olga Anne Bloemker, ter zake van het vervolgen van de reis na gemelde aanvaring, onderscheidenlijk naar Duinkerken en Gravelines, zonder naar de beloopen schade aan hun schepen een onderzoek te hebben doen instellen door een expert van een door de wet erkend particulier onderzoekingsbureau voor het verkrijgen van een bewijs van zeewaardigheid, als is voorgeschreven in art. 13 van het Schepenbesluit, leverende het niet opvolgen van dit voorschrift op een misdraging jegens de reederij, de schepelingen en de bevrachters. Een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 49 der Schepenwet, besliste, dat ook naar de gegrondheid van voorschreven klachten een onderzoek door den Raad zou worden ingesteld. Het onderzoek naar de aanvaring en de klachten had plaats ter zitting van 7 Januari en 4 Februari 1936 in tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde als getuigen, tevens aangeklaagden, buiten eede : ter zitting van 7 Januari: kapitein Anne Bloemker, voornoemd, van het motorschip Olga, aan wien de verklaring, bij gemeld voorloopig onderzoek der scheepvaart-inspectie afgelegd door den kapitein van het motorschip Buizerd Jan Bosma, is voorgelezen; ter zitting van 4 Februari: kapitein Jan Bosma, voornoemd, van het motorschip Buizerd, aan wien de verklaring, door kapitein Anne Bloemker van het motorschip Olga afgelegd ter zitting van den Raad van 7 Januari 1936, is voorgelezen. De voorzitter heeft beiden aangeklaagden de beteekenis van de tegen hen ingediende klachten uiteengezet en hun gelegenheid gegeven tot hun verdediging aan te voeren hetgeen zij daartoe dienstig achtten, zoomede om het laatste woord te voeren. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Buizerd is een Nederlandsch motorschip, metende 270,30 bruto-, 185,81 netto-registerton, lang 41,25 m, roepnaam P D H N, van de reederij J. Bosma, te Groningen. Het schip is in het jaar 1931 van staal gebouwd en is voorzien van een Deutz Dieselmotor van 150/180 pk. De Olga is een Nederlandsch motorschip, metende 174,08 bruto-, 87,16 netto-registerton, lang 34,5 m, roepnaam PGMM, eigendom van den kapitein Anne Bloemker, te Groningen. Het schip is in het jaar 1928 van staal gebouwd. Op 11 December 1935 vertrok de Olga, beladen met papier en bemand met vier personen, van Londen met bestemming Gravelines, diepgang 1,80 m. Te 5.15 uur 's middags ging het schip op de binnenreede van Lower Hope wegens harden oostelijken wind voor anker. Twee ankerlichten werden geplaatst, één vóór aan een speciaal daarvoor op het voordek aangebracht mastje zonder stagen, hangende aan een beugel aan b.b.-zijde van het mastje, en één achter, hangende aan een sloepdavit. Ankerwacht werd niet geloopen, daar het schip buiten het vaarwater lag. In den morgen van 12 December, omstreeks te 5 uur, werd door de opvarenden een schok gevoeld. Toen de kapitein daarop aan dek kwam, bleek de Olga aan den voorsteven te zijn aangevaren, zooals later bleek door het Nederlandsche motorschip Buizerd, kapitein J. Bosma. Na de aanvaring brandden beide ankerlantaarns nog goed. Volgens verklaring van kapitein Bloemker stond de ankerketting na het ongeval recht vooruit. De bewering van kapitein Bosma, dat het voorste ankerlicht onderschept zou zijn geweest door het mastje, kan naar de meening van kapitein Bloemker niet juist zijn, daar de Buizerd van stuurboord vooruit naderde. Wat de tegen kapitein Bloemker door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart ingebrachte klacht betreft, verklaart aangeklaagde, dat hij na de aanvaring, alvorens naar zee te vertrekken, zich telefonisch met de verzekering, de vereeniging „Oranje", te Groningen, in verbinding heeft gesteld; dat, nadat hij de schade, die alleen boven water was, met cement had afgedicht, van de zijde der verzekering geen bezwaar werd gemaakt, dat de reis naar Gravelines zou worden vervolgd. Aangeklaagde achtte het niet noodig voor deze onbelangrijke schade een expert van een bij de wet erkend particulier onderzoekingsburean te raadplegen; hij heeft er niet aan gedacht om op de wijze, als bij art. 13, lid 2, van het Schepenbesluit is voorgeschreven, een verklaring omtrent de schade in zijn scheepsdagboek aan te teekenen. Behouden werd Gravelines bereikt, waar de lading is gelost; daarna is de Olga voor reparatie naar Nederland vertrokken. Op 10 December 1935 vertrok de Buizerd in ballast, bemand met vijf personen, van Londen met bestemming Duinkerken; diepgang vóór 1 m, achter 1,90 m. Omstreeks te 4.30 uur 's middags werd wegens harden wind van het noordoosten in Lower Hope Reach aan den zwarten tonnenkant geankerd. Op 12 December d.a.v. omstreeks te 5 uur 's morgens ging men ankerop. Er lagen talrijke schepen in de nabijheid voor anker. Het was ebtij; kapitein Bosma schatte de kracht van den stroom op 3/4 mijl. Het was nogal moeilijk om slaags te komen. Tijdens het rondmanoeuvreeren passeerden twee zeilbarges, welke de rivier afvoeren. Ter zitting verklaarde de kapitein, dat hij, slaags gekomen zijnde, aan bakboord vooruit, op een paar streken, alleen een laag wit licht zag, dat hij aanzag voor het heklicht van een der kort te voren gepasseerde barges; dat daarna eensklaps een hoog wit licht werd waargenomen op ongeveer een streek aan bakboord en hij toen bemerkte, dat het de ankerlichten van een ten anker liggend vaartuig waren. Deze verklaring wijkt in zooverre af van die, door hem bij het voorloopig onderzoek der scheep-vaartinspectie afgelegd, dat hij toen verklaarde, slaags gekomen zijnde, vooruit twee witte lichten te hebben gezien, een laag en een hoog, welke oogenschijnlijk ver van elkaar waren; dat hij het hooge licht ver genoeg weg waande en het lage licht voor het heklicht van een der kort te voren gepasseerde barges hield; dat hij een weinig s.b.-roer gaf om het lage licht aan bakboord en dan later het hooge licht aan stuurboord te passeeren; dat kort daarna het hooge licht beter doorkwam en hij toen bemerkte, dat de beide lichten ankerlichten van één vaartuig waren. Hij gaf daarop hard b.b.-roer om te trachten nog langs het vaartuig te komen, terwijl hij den motor volle kracht achteruit liet werken (de Buizerd heeft een linksche schroef). Deze manoeuvres konden evenwel niet voorkomen, dat de Buizerd het voor anker liggende vaartuig, dat later bleek het Nederlandsche motorschip Olga, kapitein A. Bloemker, te zijn, raakte, waardoor beide schepen werden beschadigd. Kapitein Bosma verklaarde nog, dat hem gebleken was, dat aan boord van de Olga geen ankerwacht werd geloopen; dat dit vaartuig bij het kenteren van het getij met b.b.-roer moet zijn gezwaaid, waardoor het voorschip naar het vaarwater toe is komen te liggen; dat hierdoor een der ankerlichten van de Olga, dat later bleek aan een mastje te hangen, werd onderschept en aanvankelijk op veel grooter afstand werd geschat dan in werkelijkheid het geval bleek te zijn. Wat de tegen kapitein Bosma door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart ingebrachte klacht betreft, verklaarde aangeklaagde, dat hij na de aanvaring, alvorens naar zee te vertrekken, zich telefonisch met de verzekering, de vereeniging „Oranje", te Groningen, in verbinding heeft gesteld; dat, nadat hij de beloopen schade, die alleen boven water was, had opgegeven, van de zijde der verzekering geen bezwaar werd gemaakt, dat de reis naar Duinkerken zou worden vervolgd; dat te Duinkerken door een expert van den Germanischen Lloyd een onderzoek is ingesteld, doch dat deze expert geen bewijs van zeewaardigheid wilde afgeven om met lading weer naar zee te vertrekken; dat de Buizerd daarop zonder lading naar Nederland is vertrokken voor reparatie. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd : dat het nog niet geheel duidelijk is, hoe de Buizerd, na het ankerop gaan, heeft gemanoeuvreerd om er tusschenuit te komen; dat het in elk geval veel gemakkelijker ware geweest, wanneer de Buizerd dit in stroom varende gedaan had, hetgeen thans niet is gebeurd; dat, indien op de Buizerd het voorste ankerlicht van de Olga niet is gezien, dit laatste schip scheef in het vaarwater moet hebben gelegen; dat moet worden aangenomen, dat de kapitein van de Buizerd de lichten zóó heeft gezien als hij heeft verklaard, daar hij anders nimmer zou hebben gemanoeuvreerd als hij heeft gedaan; dat eenerzijds de manoeuvre van de Buizerd wel gevaarlijk was, terwijl anderzijds de vergissing met de lichten zeer begrijpelijk is; dat vermoedelijk de aanvaring ware voorkomen, wanneer op de Olga ankerwacht ware geloopen, hetgeen toch onder de gegeven omstandigheden wel noodzakelijk was; dat de klachten tegen de beide kapiteins gehandhaafd blijven, daar beiden in strijd met de bepalingen van het Schepenbesluit hebben gehandeld. De Raad is van oordeel, dat de Buizerd wel niet op ideale wijze heeft gemanoeuvreerd, doch dat anderzijds de gemaakte vergissing met de beide ankerlichten van de Olga zeer begrijpelijk is, terwijl de Olga is te kort geschoten door geen ankerwacht te laten loopen. De kapitein van de Olga vond dit niet noodig, daar hij buiten het vaarwater lag. Deze reden is zeker niet afdoende. Er lagen meerdere schepen ten anker. Bij het ankerop gaan varen zij dus daar ter plaatse. Door ankerwacht te laten loopen had de Olga kunnen vaststellen of zij op den stroom gestrekt lag of niet. Voorts had wellicht nog tijdig ketting kunnen worden gestoken. De Raad kan het ook niet goedkeuren, dat dit schip van minder dan 45 m lengte twee ankerlichten voerde. Het is zeer goed mogelijk, dat, wanneer de Olga één ankerlicht had gevoerd, de vergissing van de Buizerd niet zoude hebben plaats gehad en de aanvaring zoude zijn vermeden. Onder deze omstandigheden is het feit op zich zelf, dat de Olga ten anker lag, terwijl de Buizerd varende was, niet voldoende om de Olga ter zake van deze aanvaring vrij uit te doen gaan. Wat de door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart ingediende klachten betreft, deze zijn gegrond gebleken. Mitsdien: Straft de beide aangeklaagden: Jan Bosma, kapitein van het motorschip Buizerd, geboren31 December 1897, wonende te Groningen, en Anne Bloemker, kapitein van het motorschip Olga, geboren 15 September 1894, wonende te Groningen, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, plaats-vervangend voorzitter, C. J. Canters, G. J. Lap, A. L. Boeser en B. C. van Walraven, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden plaatsvervangend voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 7 April 1936. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1936-09-30: Het Volksdagblad 03-08-1937: Jongen staat vijf uur aan het roer. Inzake de klacht van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart tegen den kapitein van het motorschip „Buizerd" wegens het doen houden van onvoldoende wacht (artikel 86 schepenbesluit), was de Raad met den plaatsvervangenden inspecteur-generaal voor de scheepvaart, van oordeel, dat de klacht gegrond is. De kapitein heeft zich, nadat hij zeer korte tijd aan het roer had gestaan, tot bij de sluis van de kruisschans in het geneel niet met de navigatie bemoeid. De loods verklaarde, dat het schip te 2.30 uur uit de haven van Vlissingen is vertrokken en dat de kapitein te 3.20 bij Borsele uit het stuurhuis is gegaan, een jongen aan het roer heeft geroepen en zich verder niet heeft vertoond, totdat ht schip de sluis moest binnenvaren. Bedoelde jongen heeft aan één stuk tot 8 uur aan het roer gestaan. Daarna had de stuurman nog gestuurd, totdat de kapitein het roer heeft overgenomen. Door als kapitein van zijn schip zich geheel afzijdig te houden van de navigatie, terwijl naast den loods alleen een roerganger in het stuurhuis was, heeft de aangeklaagde zich aan een ernstige misdraging als bij artikel 48 der schepenwet bedoeld schuldig gemaakt. De Raad straft den kapitein met een schorsing van acht dagen.

Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Maandag 16 Augustus 1937, no.156. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart. No.75 van den Raad voor de Scheepvaart in zake de klacht van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen Jan Bosma, kapitein van het motorschip Buizerd, wegens het doen houden van onvoldoende wacht (art. 86 Schepenbesluit). Op 13 November 1936 is door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart bij den Raad voor de Scheepvaart een klacht ingediend van den volgenden inhoud: ,,De inspecteur-generaal voor de scheepvaart, verwijzende naar de hierbij overgelegde stukken betreffende de gedragingen van kapitein Jan Bosma van het motorschip Buizerd gedurende de vaart van Vlissingen naar Antwerpen op 30 September 1936; overwegende, dat daaruit blijkt, dat kapitein Jan Bosma toenmaals, tijdens de vaart naar Antwerpen, den dekdienst aan hoord van zijn schip meestentijds heeft overgelaten aan een der matrozen; overwegende, dat deze handelwijze in strijd is met het bepaalde dienaangaande in artikel 86 van het Schepenbesluit; overwegende, dat het niet opvolgen van dit voorschrift de veiligheid van het schip heeft benadeeld en dit geacht moet worden een misdraging op te leveren jegens de reederij, de schepelingen en de bevrachters; gelet op de artt. 48 en 49 der Schepenwet, stelt aan den Raad voor de Scheepvaart voor een onderzoek in te stellen en den kapitein, Jan Bosma voornoemd, te hooren. Een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 49 der Schepenwet, besliste, dat de Raad een onderzoek naar de gegrondheid van voorschreven klacht zou instellen. Het onderzoek had plaats ter zitting van 1 en 8 Juni 1937. De Raad nam kennis van de ten deze door den inspecteur-generaal voor de Scheepvaart overge-legde bescheiden. Ter zitting van 1 Juni werd gehoord de kapitein, Jan Bosma voornoemd, als aangeklaagde, buiten eede. De tevens als geiuige opgeroepen loods, Cornelis Karelse, was niet verschenen, daar hij niet tijdig aanwezig kon zijn. Zijn destijds te Vlissingen Afgelegde verklaring is ter zitting voorgelezen. Ter zitting van 8 Juni werd de loods Cornelis Karelse als getuige gehoord. Thans kon aangeklaagde daarbij niet aanwezig zijn. Diens op 1 Juni afgelegde verklaring is ter zitting voorgelezen. Op deze laatste zitting was ook de plaatsvervangend inspecteur-generaal voor de scheepvaart G. Mante tegenwoordig. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Buizerd is een Nederlandsch motorschip, metende 270.30 bruto-, 185,81 netto-registerton, roepnaam PDHN, eigendom van den kapitein, Jan Bosma voornoemd, te Groningen. Op 30 September 1936 vertrok de Buizerd omstreeks te 2.30 uur namiddags in ballast van Vlissingen met bestemming Antwerpen. De vloed was voorbij en het was ongeveer stil water. De bemanning bestond uit 5 personen, te weten kapitein, stuurman, twee matrozen en een motordrijyer. Bovendien waren de zuster van den kapitein en een vriendin van haar als passagiers aan boord. De aangeklaagde gaf de gegrondheid van de klacht niet toe, terwijl de getuige Karelse heeft verklaard, een en ander als hieronder nader zal worden uiteengezet, dat de kapitein zich van de navigatie niets heeft aangetrokken. De Raad is met den plaatsvervangend inspecteur-generaal voor de scheepvaart van oordeel, dat de klacht gegrond is. De kapitein heeft zich, nadat hij zeer korten tijd aan het roer had gestaan, tot bij de sluis van de Kruisschans in het geheel niet met de navigatie bemoeid. De loods verklaarde, dat het sehip te 2.30 uur uit de haven van Vlissingen is vertrokken en dat de kapitein te 3.20 uur bij Borsele uit het stuurhuis is gegaan, een jongen aan het roer heeft geroepen en zich verder niet heeft vertoond, totdat het schip de sluis moest binnenvaren. Bedoelde jongen heeft aan één stuk tot, 8 uur aan het roer gestaan. Daarna heeft de stuurman nog gestuurd, totdat de kapitein het roer heeft overgenomen. Deze feiten zijn door den aangeklaarde niet voldoende weersproken. Aanvankelijk verklaarde hij wel, dat te 4 uur de stuurman de wacht heeft overgenomen, maar later verklaarde hij zulks niet meer precies te weten. Wel verklaarde hij tevens, dat niet dezelfde matroos van 2 tot 8 uur aan het roer heeft gestaan, doch de Raad kan, nu de kapitein zich niet alles precies herinnert, aan deze verklaring, tegenover de pertinente verklaring van den loods, geen waarde toekennen. De loods verklaarde nog, dat hij tot 4 uur den stuurman bezig heeft gezien met werkzaamheden aan dek en dat hij van 4 tot 8 uur den stuurman niet had gezien. De kapitein heeft voorts tot zijn verdediging aangevoerd, dat, al was hij dan niet op de brug, hij wel in de gelegenheid was op de navigatie toe te zien, daar hij zich bevond in het oude stuurhuis, thans keukentje, van waar hij, nadat een luikje zou zijn weggeschoven — welk luikje echter, gelijk hij tevens verklaarde, voortdurend gesloten is gebleven —, met een paar stappen in het bovenste, nieuwe stuurhuis was. De Raad kan dit verweer niet als ernstig geineend beschouwen. De aangeklaagde erkende, dat hij op deze reis bezig is geweest, met behulp van zijn zuster, die met een vriendin tevens aan boord was, bedoeld keukentje te schilderen. Hij voegde daaraan toe, dat hij zelf tot 4 uur de wacht had en dat tijdens het schilderen de stuurman de wacht had, doch uit het voorafgaande is reeds gebleken, dat de stuurman van 4 tot 8 uur door eten loods niet gezien is. Bovendien kan de aanwezigheid in bedoeld keukentje, ook gedurende den tijd, dat de aangeklaagde zich niet met het schilderen heeft beziggehouden, niet beschouwd worden als het op eenigerlei wijze deelnemen aan of toezien op de navigatie, ook al gaf dat vroegere stuurhuis een vrij en ruim uitzicht op schip en zee. Door aldus als kapitein van zijn schip zich geheel afzijdig te houden van de navigatie, terwijl naast den loods alleen een roerganger in het stuurhuis was, heeft de aangeklaagde zich aan een ernstige misdraging, als bij art. 48 der Schepenwet bedoeld, schuldig gemaakt. Bij het bepalen van de straf wil de Raad rekening houden met het feit, dat, zcoals de loods verklaarde, een toestand, als hier aan boord van de Buizerd geconstateerd, zich op kleine beloodste schepen vaak voordoet. Dit moet er toe leiden om de gebleken misdraging niet in alle gestrengheid te corrigeeren. Anderzijds echter meent de Raad, dat de misdraging te ernstig is om met een berisping te worden afgedaan. Mitsdien: Straft den aangeklaagde, Jan Bosma, kapitein, oud 39 jaar, wonende aan boord, door hem de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein te varen op een schip, als bedoeld bij art. 2 der Schepenwet, voor den tijd van acht dagen. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend-voorzitter, C. J. Canters, G. J. Lap en J. N. Egmond, leden, C. L. Julsing, plaatsvervangend buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Baad van 2 Augustus 1937. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1937-09-09: NvhN 09-09-1937: Delfzijl, 8 Sept. Het motorschip “Buizerd”, kapt. Bosma, dat alhier met motorschade binnen liep, heeft de schade hersteld en zette de reis weer voort. Het schip is beladen met graan van Demming met bestemming Neuss.
NvhN 10-09-1937: Delfzijl 9 Sept. Het motorschip Buizerd, kapt. Bosma, dat gisteren van hier naar Neuss vertrok, keerde heden naar hier terug met motorschade. Het schip is beladen met graan op weg van Demmin met bestemming Neuss.
NvhN 14-09-1937: Delfzijl, 13 Sept. het motorschip “Buizerd”, kapt. Bosma, dat van hier vertrok, doch dat later weer naar hier terugkeerde met motorschade, heeft alhier deze schade hersteld en zette heden de reis weer voort. Het schip is beladen met tarwe van Demmin met bestemming Neuss.

1938-01-18: De Telegraaf 18-01-1938: Buizerd. Delfzijl, 17 Jan. Het motorschip “Buizerd”, kapitein Bosma, liep hier als bijlegger binnen. Het schip is beladen met diversen van Rotterdam met bestemming Stettin.
De Telegraaf 19-01-1938: Buizerd. Delfzijl, 18 Jan. Het m.s.”Buizerd”, kapitein Bosma, dat alhier als bijlegger binnenliep, zette heden de reis voort. Het schip is beladen met diversen van Rotterdam met bestemming Stettin.

1938-04-10: De Telegraaf 28-06-1938: Scheepshond kwam er bij te pas. Ruzie tusschen kapitein en stuurman. Klacht voor den Raad voor de Scheepvaart.
Amsterdam, 27 Juni. — Een ruzie tusschen kapitein en stuurman is heden voor den Raad voor de Scheepvaart behandeld, in verband met een klacht, wegens mishandeling, tegen den kapitein ingediend. Volgens de klacht van den Duitschen stuurman, die niet verschenen was, beschouwde deze den kapitein als zeer opgewonden. Naar aanleiding van de slechte voeding ontstond op een Zondag, toen het schip, de „Buizerd", in de haven van Gertemünde lag. ruzie. Tijdens deze ruzie gaf de kapitein den stuurman een slag met zijn vuist tegen het hoofd. Tegelijkertijd beet de Duitsche herdershond, die aan boord was, den stuurman in het linkerbeen. Later ging de kapitein met den hond in zijn hut; de kapitein weigerde den gewonde verbandmiddelen. Toen de „Buizerd" later Delfzijl binnenliep, wilde de stuurman van boord. De kapitein weigerde hem af te monsteren, noch de gage uit te betalen. Direct daarna is het schip vertrokken. De kapitein zeide, dat de klacht voor 60% onjuist was; de stuurman was een bekwaam man. maar nam te veel vrijheid. Op een dag in Gertemünde, in Denemarken, ontdekte de kapitein, zoo verklaarde hij verder, dat de stuurman in zijn hut het gage- en kasboek nakeek. Daarover is een woordenwisseling ontstaan. De kapitein wees den stuurman er op, dat hij met het gageboek niets te maken had. — Ik wil kijken, hoeveel geld ik nog te goed heb, antwoordde de stuurman. De kapitein vond dit brutaal en riep: ..er uit". Daarna heeft de stuurman hem met zijn knie een duw gegeven. De voorzitter: Viel de hond toen den stuurman aan? De kapitein: De hond wilde als vrede stichter optreden. De voorzitter: Wat is er verder gebeurd? De kapitein: Den volgenden dag deed de stuurman gewoon zijn werk. Maar ik zeide, dat ik niet vergeten was, wat voorgevallen is. Op 29 April is de stuurman weggeloopen. Hij beweert nog gage te goed te hebben, maar als iemand wegloopt, krijgt hij geen geld. Twee opvarenden zijn nog gehoord. Deze beweerden, dat de stuurman begonnen is. Hoe de stuurman aan het hoofd gewond kon zijn begrepen ze niet. Vermoedelijk is deze tegen de deur gevallen. Zoowel kapitein als stuurman sloegen elkaar. Het eten was goed. Alleen had de stuurman eens koffiedik in de erwtensoep gedaan.... De verdediger. mr. Van Valkenburg, zeide, dat de vraag is, of de stuurman mishandeld is. De schermutseling is van geringen aard geweest, en als er wel mishandeld is, dan is de kapitein uit noodweer opgetreden tegen den aanvallenden stuurman. De klacht is ongegrond. Pl. hoopte, dat de Raad den kapitein niet met een berisping zou straffen, daar zulks in het nadeel van het prestige van den kapitein tegenover de bemanning zou zijn.
Later volgt uitspraak
Algemeen Handelsblad 30-08-1938: Raad voor de Scheepvaart: De Raad deed uitspraak inzake de klacht van den inspecteur-generaal tegen den kapitein van het motorschip „Buizerd", wegens mishandeling van een der opvarenden. De Raad was van oordeel, dat de gestelde mishandeling niet is bewezen,, en verklaarde de klacht voor ongegrond.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Dinsdag 13 September 1938, no. 176. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart.
No. 86. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de klacht van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen Jan Bosma, kapitein van het motorschip Buizerd, wegens mishandeling van een der opvarenden. Op 6 Mei 1938 is door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart, naar aanleiding van een bij hem ingekomen klaagschrift, bij den Raad voor de Scheepvaart een klacht ingediend van den volgenden inhoud: ,,De inspecteur-generaal voor de scheepvaart; Verwijzende naar de hierbij gaande stukken; overwegende, dat daaruit blijkt, dat de stuurman H. H. Kunz zich beklaagt wegens mishandeling door den kapitein J. Bosma van het motorschip Buizerd; overwegende, dat dit feit geacht moet worden een misdraging op te leveren jegens de reederij en de schepelingen; gelet op de artikelen 48 en 49 van de Schepenwet; stelt aan den Raad voor de Scheepvaart voor een onderzoek in te stellen en den kapitein J. Bosma, voornoemd, te hooren. Een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 49 der Schepenwet, besliste, dat naar de gegrondheid van voorschreven klacht een onderzoek door den Raad zou worden ingesteld. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 27 Juin 1938 buiten tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart of diens plaatsvervanger, die beiden verhinderd waren de zitting bij te wonen. De Raad nam kennis van de stukken van het naar deze klacht door de scheepvaartinspectie ingesteld voorloopig onderzoek en hoorde als getuigen Bronne Mulder en Jan Smit, onderscheidenlijk motordrijver en matroos op de Buizerd. De kapitein Jan Bosma, voornoemd, aan wien de klacht bij deurwaardersexploot was beteekend, werd, als aangeklaagde, buiten eede gehoord. De voorzitter zette hem de beteekenis van de klacht uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren, hetgeen li ij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Aangeklaagde had de verdediging zijner belangen opgedragen aan mr. C. C. van Valkenburg, advocaat te Amsterdam. De klager Herbert Heinz Kunz, destijds stuurman op de Buizerd , is niet op de oproeping verschenen, daar hij weer naar zee was vertrokken. Zijn klacht en verhoor door den inspecteur voor de scheepvaart te Groningen zijn door den secretaris ter zitting voorgelezen. Deze klacht en dat verhoor komen in hoofdzaak neer op het volgende : Op 3 Juni 1937 was Kunz, die in het bezit is van een Duitsch diploma, te Zaandam als stuurman aan boord gekomen van het motorschip Buizerd, metende 270,30 bruto-, 185,81 nettoregisterton, roepnaam P D H N, kapitein-eigenaar Jan Bosma. Den laatsten tijd had hij nogal eens oneenigheid met den kapitein. Op 10 April 1938, toen het schip te Kjerteminde (Denemarken) lag, meende hij in het gageboek, dat in de hut van den kapitein in een open lade lag, ontdekt te hebben, dat de kapitein hem zou hebben benadeeld door in dit boek iets te wijzigen. Zoodra de kapitein, die naar den wal _was, terugkwam, wees hij hem daarop. De kapitein wond zich toen op en sloeg hem op het hoofd, zoodat hij bloedend werd verwond en er zelfs bloed op het overhemd van den kapitein spatte. Tegelijkertijd beet de hond van den kapitein hem in het been en de kapitein wilde den hond niet wegjagen. Eenige leden der bemanning hebben den kapitein daarop gekalmeerd, waarna hij met zijn hond in de kajuit verdween. De kapitein weigerde later verbandmiddelen te verstrekken. Uit vrees opnieuw te zullen worden mishandeld, heeft Kunz verzocht af te mogen monsteren. De kapitein weigerde dit echter, zoodat Kunz te Delfzijl zonder toestemming van boord is gegaan. Aangeklaagde heeft verklaard, dat hij zeer tevreden was over stuurman Kunz, die zijn werk als zoodanig uitstekend verrichtte, hoewel hij dikwijls wat te vrijpostig was in zijn optreden; dat hij op 10 April 1938 te Kjerteminde aan den wal was geweest en aan boord terugkomende den stuurman in zijn hut aantrof met het gageboek, dat daar in een open lade lag, in de hand; dat hij van den kok had vernomen, dat Kunz te voren met dit gageboek in het volkslogies was geweest; dat Kunz, toen hij hem over dit onbehoorlijk optreden onderhield, kwaad werd en hem met de knie een por in de buikstreek gaf ; dat hij hem daarop eenige klappen heeft toegediend, waarop de hond den stuurman in het been beet; dat hij hem echter niet zoo heeft geslagen, dat hij bloedend aan het hoofd werd verwond en deze verwonding vermoedelijk is veroorzaakt, doordat Kunz ergens tegenaan is gekomen; dat de stuurman hem niet om medicijnen of verbandmiddelen heeft gevraagd, maar reeds den volgenden dag op gewone wijze zijn werk deed. De getuigen, die zich aan dek bevonden, hebben verklaard, dat zij — nadat er een woordenwisseling tusschen kapitein en stuurman buiten de hut had plaats gehad — zagen, hoe de stuurman den kapitein als het ware aanviel door de knie op te heffen en den kapitein daarmede een por tegen het onderlijf te geven; dat de kapitein den stuurman daarop van zich afduwde, waarop de hond op dien stuurman afkwam en hem in het been beet; dat de stuurman uit een kleine wonde aan het hoofd bloedde, doch dat deze verwonding moeilijk kan zijn veroorzaakt door een klap, maar eerder doordat Kunz ergens tegenaan geloopen is; dat de stuurman te voren met het gageboek in het volkslogies is geweest. De Raad is van oordeel, dat de gestelde mishandeling niet is bewezen, zoodat de klacht ongegrond moet worden verklaard. Daarbij stelt de Raad op den voorgrond, dat de oorspronkelijke klacht uitsluitend betrof de beweerde mishandeling van den klager dóór den kapitein, zoodat het onderzoek ter zitting van den Raad geen betrekking heeft gehad op hetgeen de klager nog bij zijn verhoor voor den inspecteur voor de scheepvaart aan zijn oorspronkelijke klacht heeft toegevoegd betreffende het door den kapitein niet uitbetalen van het aan klager toekomende loon. Wat nu de beweerde mishandeling betreft, hebben zoowel de aangeklaagde als de beide door den Raad gehoorde getuigen uitdrukkelijk verklaard, dat de stuurman is begonnen door den aangeklaagde met de knie een por tegen den buik te geven. In dit licht beschouwd kan hetgeen verder is geschied niet als een door den kapitein jegens klager gepleegde mishandeling worden beschouwd en zijn in elk geval de handelingen van den aangeklaagde — gelijk zijn raadsman te recht heeft aangevoerd door noodweer gerechtvaardigd. De Raad kan dus onbeslist laten de vraag, hoe de volgens de getuigen zeer geringe verwonding aan klagers hoofd is ontstaan. Voorts is iet gebleken, dat de aangeklaagde zijn hond tegen den klager heeft aangehitst, doch moet, op grond van de getuigenverklaringen, veeleer worden aangenomen, dat deze hond zijn baas heeft willen verdedigen, toen deze werd aangevallen. Mitsdien: Verklaart de klacht ongegrond. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend-voorzitter, A. L. Boeser en J. N. Egmond, leden, T. Tammes, plaatsvervangend buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 30 Augustus 1938. (get.) B. M. Taverne,, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.


1940-03-13: Tijdens reis van Antwerpen naar Newcastle-on-Tyne aan de grond gelopen bij Kettleness Rock, 5 mijl ten noorden van Whitby en gezonken. Door de verzekering opgegeven. Door vissers gelicht en in Sunderland gerepareerd. In september 1941 weer in de vaart.

1940-03-13: RN 13-03-1940: Het Nederlandse motorschip BUIZERD, groot 270 ton, uit Groningen, is vanochtend vroeg aan de noord-oostkust van Engeland gestrand. De BUIZERD voer in zuidelijke richting en was geladen met steenkolen. De bemanning, welke uit zes personen bestond, kon door een reddingboot in veiligheid worden gebracht. Allen zijn in goede welstand aan wal gezet. Volgens een nog onbevestigd bericht zou de BUIZERD tegen de rotsen geheel wrak geslagen zijn. De BUIZERD behoort toe aan de kapitein J. Bosma uit Groningen. Het schip heeft een bruto inhoud van 270 ton en is in 1931 gebouwd.
NvhN 13-03-1940: De “Buizerd” aan den grond geloopen aan de Noordkust van Engeland. Het Nederlandsche motorschip „Buizerd" uit Groningen is vanmorgen vroeg aan de Noord-Oostkust van Engeland gestrand. De „Buizerd" voer in Zuidelijke richting en was geladen met steenkolen. De bemanning, welke uit zes personen bestond, kon door een reddingboot in veiligheid worden gebracht. Allen zijn in goeden welstand aan wal gezet. Volgens een nog onbevestigd bericht zou de „Buizerd" tegen de rotsen geheel wrak zijn geslagen. De „Buizerd" behoort toe aan den heer J. Bosma te Groningen, kapitein is de heer Roossien en stuurman de heer Buisman, beiden van hier. Het schip heeft een bruto inhoud van 270 ton en is in 1931 gebouwd op de scheepswerf G. van der Werff te Hoogezand.
De Maasbode 17-03-1940: Dr.Colijn te Londen. Bezoek aan Nederlandsche schipbreukelingen. Dr. Colijn, die zooals men weet eenige dagen in Londen heeft vertoefd, vanwaar hij, zooals gemeld, gisteren naar Nederland is teruggekeerd, heeft, naar onze correspondent aldaar meldt, Zaterdagmorgen vóór zijn vertrek een bezoek gebracht aan het Nederlandsche hotel, waar de schipbreukelingen van de „Eulota" en de „Buizerd" onderdak hebben gevonden. De oud-minister liet zich eerst de bemanning voorstellen van het Groningsche motorschip „Buizerd", dat, zooals men zich herinnert, eenige dagen geleden aan de Yorksche kust op de rotsen is geloopen. Hij wenschte hen geluk met den fortuinlijken afloop van het ongeluk en vertelde in een gemoedelijk praatje hoe hij ook eens schipbreuk had geleden. Dat was in 1909, zeide hij, maar hij had toen drie dagen lang door een oerwoud moeten ronddwalen voor hij eenig menschelijk wezen ontmoette. Van de bemanning van de „Eulota" kreeg dr. Colijn vervolgens een uitvoerig relaas te hooren van den ondergang van hun schip en van hun redding. „Willen jullie nu toch weer naar zee terug?", vroeg dr. Colijn. „Natuurlijk", was het antwoord. „Dat doet me goed jongens. Denkt aan het Nederlandsche devies „Je maintiendrai". Met deze woorden nam de oud-ministerpresident afscheid van zijn landgenooten, die, zooals te begrijpen valt, zeer vereerd en ingenomen waren met dit verrassende bezoek.

De Tijd 25-01-1941: Als kapitein maar tijdig gelood had! Oorzaak onderzocht van het vergaan van het m.s. „Buizerd". Het 270 bruto registerton metende ms. „Buizerd" is op 13 Maart 1940 tusschen Runswick en Whitby aan de Oostkust van Engeland gestrand en verloren gegaan. De kapitein had zich in verband met dit ongeluk te Amsterdam voor den Raad voor de Scheepvaart te. verantwoorden. Hü werd op schuldvraag gehoord Het schip had al verschillende malen reizen naar Engeland gemaakt. Op 12 Maart 1940 vertrok het met een lading kolen uit New Castle naar Antwerpen. De lading was minder dan de maximum-lading, welke het schip kan vervoeren. Bij het verlaten van de haven van New Castle was een loods aan boord. Deze verliet het schip tusschen de pieren van de buitenhaven. De navy-contröle had den kapitein orders gegeven en o.m. aangeraden in verband met luchtgevaar het traject New Castle tot voorbij Whitby 's nachts te varen. Het schip was cm zeven uur 's avonds buiten de pieren. De kapitein gaf omstreeks middernacht de wacht over aan den stuurman. De kompassen waren juist bevonden. Er was matig zicht. Na een half uur zag de stuurman schuin bakboord vooruit vlakbij een witte schuimstreep: de branding. Hij gaf hard bakboord, trachtte den motor te stoppen en liet onmiddellijk den kapitein waarschuwen. Voordat deze echter aan dek kon zijn, stootte het schip reeds. Het bleef stooten en raakte door de strooming tusschen de rotsen. De situatie was zeer gevaarlijk, zoodat de kapitein besloot vuurpijlen af te schieten. Hierop is een reddingsboot uitgevaren, welke de bemanning — in totaal zes koppen — veilig aan den wal heeft kunnen brengen, doch de „Buizerd" was verloren. Zoowel de kapitein als de stuurman hebben verklaard, dat zij als-oorzaak van de stranding de strooming vermoeden. Deze is ongetwijfeld veel sterker geweest dan aangenomen werd. Er was wel rekening mede gehouden. Walvuren had niemand gezien, doch tusschen half twaalf en twaalf uur was de „Buizerd" twee schepen gepasseerd op ongeveer 300 meter afstand, waaruit de kapitein concludeerde, dat hij goed in zijn koers zat. De inspecteur-generaal voor de Scheepvaart noemde twee oorzaken van de stranding. De stroom heeft het schip meer ingezet dan verwacht mocht worden, of er is een foute koers gevaren. Dat de stroom den kapitein parten heeft gespeeld wil de inspecteur-generaal niet uitsluiten, doch dat.. alles gedaan is om dit te voorkomen, is niet aan te nemen. Indien gelood was, toen de „Buizerd" de twee tegenliggers passeerde, had de kapitein gezien, dat hij buiten zijn koers lag. Een verontschuldiging voor den kapitein zag de inspecteur-generaal in het feit, dat hij nog slechts korten tijd als gezagvoerder vaart. De raad zal in deze zaak later uitspraak doen.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatcourant van Woensdag 19 Maart 1941, no.55.Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart: No. 16. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake het op de rotsen loopen en stranden van het motorschip Buizerd op de oostkust van Engeland. Betrokkene: kapitein Harm Roossien. Den
13den Maart 1940 is het motorschip Buizerd op de oostkust van Engeland tusschen Bunswick bay en Whitby op de rotsen geloopen, gestrand en verloren gegaan. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van dit ongeval zou instellen. Bovendien besliste genoemde commissie, dat het onderzoek tevens zou loopen over de vraag, of niet het ongeval mede is te wijten aan schuld van den kapitein Harm Roossien, wonende te Wildervank. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 24 Januari 1941 in tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der Scheepvaartinspectie en hoorde den kapitein, voornoemd, als betrokkene buiten eede. De voorzitter zette den betrokkene doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. De verklaringen van Berend Buisman en Klaas Wijnstra, destijds onderscheidenlijk stuurman en matroos (roerganger) op de Buizerd, afgelegd bij gemeld voorloopig onderzoek, zijn ter zitting voorgelezen. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het motorschip Buizerd was een Nederlandsch vaartuig, metende 270,30 bruto-, 185,81 netto-registerton, roepnaam PDHN, eigendom van Jan Bosma, te Groningen, en thuishoorende aldaar. Het schip had een motor van 150 pk. De verklaring van den kapitein — betrokkene — komt in hoofdzaak neer op het volgende : Den 8 sten Januari 1940 kwam hij als kapitein aan boord van motorschip Buizerd. Hij maakte toen zijn eerste reis als gezagvoerder. Hij is in het bezit van een diploma als stuurman kleine handelsvaart met aanvullingsdiploma. Te voren had hij ongeveer drie jaren als stuurman gevaren. Op 12 Maart 1940 vertrok het schip, beladen met ongeveer 317 ton kolen, van New Castle niet bestemming Antwerpen. De diepgang was vóór 8 voet, achter 8 voet 6 duim. Het schip lag nog niet aan het merk. Omstreeks te 7 uur 's avonds was men in zee, nadat de loods het schip had verlaten. De wind was noordwest, kracht 3, er stond een lichte nood-noordwestelijke deining. Eerst is, ingevolge te New Castle ontvangen instructies, 4 mijl met den koers O. t. Z. per kompas (magnetisch) uit de kust gestuurd, waarna koers is gesteld Z.O. t. Z. per kompas (magnetisch), rekening houdende met den stroom, die het schip zou inzetten. Hem was dringend aanbevolen, het traject tot voorbij Whitby in donker te varen en niet meer dan 3 mijl beoosten Whitby te komen, waar een lichtboei ligt. Tusschen 11.30 en 12 uur passeerden een drietal schepen aan bakboord op een geschatten afstand van een halve mijl, hetgeen hem versterkte in zijn meening, dat hij veilig voer, daar deze schepen van de boei bij Whitby moesten komen. Lichten heeft hij op zijn wacht niet gezien. Te 12 uur 's nachts gaf hij de wacht over aan den 64-jarigen stuurman, in wien hij een vol vertrouwen had, met opdracht denzelfden koers, Z.O. t. Z., te blijven sturen. Na een half uur kwam de stuurman hem roepen. Hij snelde naar boven en juist toen hij boven kwam, stootte het schip, het roer lag reeds bakboord, doch de motor draaide nog volle kracht vooruit. Even aan stuurboord vooruit zag hij de witte koppen van de branding, overigens was er niets te zien. De motor is op volle kracht achteruit gezet, doch het schip kwam niet vlot. Al spoedig kwam water in de motorkamer en met rijzend water zette het schip steeds verder op en tusschen de rotsen. Met de reddingboot zijn de opvarenden aan den wal gebracht. Den volgenden morgen zag hij van de hooge kust af, dat roer en achtersteven reeds waren verdwenen. Het schip is, zooals later bleek, ongeveer 4 a 5 mijl benoorden Whitby op Kettle ness rock gestrand. Bij het voorloopig onderzoek heeft de stuurman Berend Buisman nog verklaard, dat hij, na om 12 uur 's nachts op wacht te zijn gekomen en steeds den opgegeven koers van Z.O. t. Z. te hebben gestuurd, omstreeks te 12.30 uur eensklaps voor den boeg, schuin aan stuurboord, een witte streep zag; dat hij tegen den roerganger ,,hard bakboord!" riep, doch dat nog voordat hij de keerkoppeling van den volle kracht draaienden motor uit kon trekken, het schip zwaar stootte en bleef zitten. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd : dat voor het stranden van de Buizerd tweeërlei oorzaak in aanmerking komt, of een abnormaal ingezet zijn, of verkeerd sturen; dat de kapitein volhoudt, dat er goed gestuurd is; dat, nu de volgens den kapitein gestuurde koers verder van Whitby afliep dan noodig was, de inzetting wel bijzonder sterk geweest zou moeten zijn; dat wel aannemelijk is, dat er in de bocht een stroom heeft geloopen, sterker dan normaal, zoodat de kapitein er goed aan heeft gedaan om meer uit te sturen dan noodig was; dat de kapitein echter niet voldoende rekening heeft gehouden met de tegenliggende schepen; dat hij immers deze schepen aan bakboord had, zoodat hij wist, dat deze schepen meer naar buiten stonden dan de Buizerd; dat die schepen dus moeilijk konden komen van de plaats, waarheen hij ging; dat de omstandigheid, dat bedoelde schepen meer naar buiten stonden, den kapitein aanleiding had moeten geven het lood te gooien; dat, al kan men daar ter plaatse niet op het lood navigeeren, dit verkenningsmiddel hem allicht eenige aanwijzing had kunnen geven omtrent de plaats waar het schip zich bevond en met name omtrent het ingezet zijn; dat in deze zaak nog wel moet worden bedacht, dat deze betrokkene, ten tijde van de ramp, slechts zeer kort de verantwoordelijkheid van gezagvoerder had gedragen. De Raad is van oordeel, dat, al zijn ten deze aan den betrokkene wel eenige tekortkomingen te wijten, deze toch niet van dien aard zijn, dat kan gezegd worden, dat het stranden van de Buizerd aan de schuld van den betrokkene is te wijten. De opgegeven koers was goed, zelfs zeer ruim. Het is niet uit te maken, of een buitengewone inzetting van het schip heeft plaats gehad, dan wel of er niet goed gestuurd is. Hoewel de Raad het beter had gevonden, wanneer de betrokkene zelf aan dek was gebleven, is het wel begrijpelijk, dat hij de navigatie aan den 64-jarigen stuurman, die reeds vijftig jaren had gevaren, heeft overgelaten. De Raad is er niet van overtuigd, dat het lood hier van nut had kunnen zijn. Wel meent de Raad, dat de betrokkene uit het paseeren van de schepen niet de juiste conclusie heeft getrokken. Hij schat den afstand tot die schepen op een halve mijl, maar dat is slechts een schatting, welke niet uitsluit, dat de afstand aanmerkelijk grooter is geweest. Nu hij binnen den koers van die schepen zat, had hij niet uit dit passeeren de gevolgtrekking mogen maken, dat zijn koers veilig was. Gelijk gezegd, acht de Raad de tekortkomingen niet van dien aard, dat hier van schuld aan de stranding kan worden gesproken. De Baad acht derhalve geen aanleiding aanwezig, den betrokkene eenigen tuchtmaatregel op te leggen. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend-voorzitter, G. J. Lap en J. T. A. J. Bruinsma, plaatsvervangende leden, B. Kramer, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Kaads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Baad van 7 Maart 1941. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.


1941-01-25: Het Vaderland 25-01-1941: Raad voor de Scheepvaart. De stranding en het vergaan van het m.s. „BUIZERD". Het 270 bruto reglsterton metende m.s. "Buizerd" is op 12 maart 1940 tussen Runswick Bay en Whitby de Oostkust van Engeland gestrand en verloren gegaan. De kapitein had zich in verband met dit ongeluk voor den Baad voor de Scheepvaart te verantwoorden. Hij werd op schuldvraag gehoord. Zoowel de kapitein als de stuurman hebben verklaard, dat zij als oorzaak van de stranding de strooming vermoeden. Deze is ongetwijfeld veel sterker geweest dan aangenomen werd. Er was wel rekening mede gehouden. Walvuren had niemand gezien doch tusschen half twaalf en twaalf uur was de "Buizerd" twee schepen gepasseerd op ongeveer 300 meter afstand aan bakboord, Waaruit de kapitein concludeerde, dat hij goed in zijn koers zat. De inspecteur-generaal voor de Scheepvaart noemde twee oorzaken van de stranding. De stroom heeft het schip meer ingezet dan verwacht mocht worden, of er is een foute koers gevaren. Dat de stroom den kapitein parten heeft gespeeld wil de inspecteur-generaal niet uitsluiten, doch dat alles gedaan is om dit te voorkomen is niet aan te nemen. Indien gelood was toen de "Buizerd" de twee tegenliggers passeerde, had de kapitein gezien, dat hij buiten zijn koers lag. Ler verontschuldiging voor den kapitein zag de inspecteur-generaal in het feit dat hij nog slechts korten tijd als gezagvoerder vaart.

1954-01-29: Op 29.01.1954 als BERNARD V, zijnde een motorschip, metende 765.73 m3 bruto inhoud volgens zeemeetbrief afgegeven te Groningen no. 2764 d.d. 06-08-1931, liggende te Capelle a/d IJssel, door C. Feleus, ambtenaar bij de Scheepsmetingsdienst te Rotterdam, opnieuw van hetzelfde brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1427 Z GRON 1931 op het achterschip aan S.B. zijde in achterkant achterste dekhuis, 6.75 m. uit hekplaat, 0.50 m. uit lengteas en 1.70 m. uit dek. (Opm.: Bij onderzoek zijn geen andere merken van de teboekstelling ten hypotheekkantore of sporen daarvan gevonden.)

1954-12-13: Op 13-12-1954 eigendom van Gerrit Gort, scheepskapitein, ged. te Hoogeveen 2/3, Jacob Beck, reder te Groningen 1/12, Klaas Beck, reder te Groningen 1/12, Johannes Beck, reder te Groningen 1/12 en Pieter Beck, dir. v/e scheepsmakelaarskantoor te Groningen 1/12 deel. Het schip wordt geexploiteerd o/d naam Kustvaartrederij Spirit. Op 29-12-1956 worden de aandelen van Beck overgedragen aan: N.V. Scheepvaartmaatschappij Nobecka, N.V. Scheepvaartmaatschappij Globecka, N.V. Scheepvaartmaatschappij Tribecka en N.V. Scheepvaartmaatschappij Vebecka.

1971-00-00: Opgelegd in Vlaardingen.

1972-07-00: Final Fate: In februari 1972 in zeer verwaarloosde toestand verkocht aan Frank Rijsdijk Holland V.o.F., Hendrik Ido Ambacht. Maar doorverkocht aan Van der Marel sloopbedrijf en in juli aldaar gesloopt. (zie foto)

Ship Masters Data

Images


Description: 'Buizerd'
Image type: Photo

Description: Buizerd 1931.
Image type: Photo

Description: Bernard V 1931 ex Buizerd
Image type: Photo

Description: Spirit 1931 (ex Buizerd)
Image type: Photo

Description: Spirit 1931 (ex Buizerd)
Image type: Photo

Description: Spirit 1931 (ex Buizerd) at Shipyard Vuijk, Capelle a/d IJssel.
Made By: © Goudriaan, J. (Koos)
Image type: Photo

Description: Spirit 1931 (ex Buizerd)
Image type: Photo

Description: Spirit 1931 (ex Buizerd), zomer 1966.
Made By: © Scholten, B.W. (Ben)
Image type: Photo

Description: SPIRIT - gesloopt bij Van der Marel, Ouwerkerk.
Made By: © Marel, J. van der
Image type: Photo

Description: Sloop te Ouwerkerk (Zeeland)
Made By: © Marel, J. van der
Image type: Photo
Sources