Name ship: CARIBIA

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1936
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
IMO number: 5373414
Nat. Official Number: 1747 Z GRON 1936
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: Two masts
Rig: 2 derricks
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: Firma Gebr. Niestern & Co., Delfzijl, Netherlands
Yardnumber: 204
Date Laid Down: 1936-00-00
Launch Date: 1936-07-02
Delivery Date: 1936-08-05
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Netherlands
Engine Type: Motor, Oil, 2-stroke single-acting
Number of Cylinders: 4
Power: 195
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 5706 Type T (240x360)
Speed in knots: 9.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 312.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 148.00 Net tonnage
Deadweight: 355.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 20000 Cubic Feet
Bale: 18800 Cubic Feet
 
Length 1: 41.15 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 38.89 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 7.35 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.64 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

1965-00-00: Nieuwe hoofdmotor: 2tew 5 cil 295 Pk Brons Nr. 14565 Type 5 GB (220x380)

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1936-08-05 CARIBIA
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: Cornelis van Wattum, Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PDJC
Additional info: Woonplaats eigenaar juni 1952 Groningen

Date/Name Ship 1955-04-16 DICKY-W
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: Albertus Westera, Appingedam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Appingedam / Netherlands
Callsign: PDQE
Additional info:

Date/Name Ship 1957-12-27 UNITAS S
Manager: Josef Schöning, Haren/Ems, German Federal Republic
Owner: Josef Schöning, Haren/Ems, German Federal Republic
Shareholder:
Homeport / Flag: Haren/Ems / German Federal Republic
Callsign: DCJF
Additional info:

Date/Name Ship 1960-06-15 UNITAS H
Manager: Peter & Alfred Hinsch, Hamburg, German Federal Republic
Owner: Peter & Alfred Hinsch, Hamburg, German Federal Republic
Shareholder:
Homeport / Flag: Hamburg / German Federal Republic
Callsign: DCJF
Additional info:

Date/Name Ship 1967-00-00 M. GERKENS
Manager: Küstenschiffahrt Bauer & Hauschildt K.G., Hamburg, German Federal Republic
Owner: Ferdinand Gerkens, Hamburg, German Federal Republic
Shareholder:
Homeport / Flag: Hamburg / German Federal Republic
Callsign: DCJF
Additional info:

Ship Events Data

1936-08-06: Op 06-08-1936 als "CARIBIA", zijnde een motorvrachtschip, metende 884.82 m3, liggende te Delfzijl, door J. Frik, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Cornelis van Wattum, scheepskapitein te Delfzijl, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1747 Z GRON 1936 op het achterschip aan S.B zijde in achterkant dekhuis op verhoogd achterdek.

1936-08-06: NvhN 07-08-1936: Delfzijl, 6 Augustus. Op de Eems vond de goed geslaagde proefvaart plaats van het nieuwe motorschip CARIBIA. Dit schip is gebouwd op de werf van de Gebr. Niestern te Delfzijl voor rekening van kapt. C. van Wattum te Delfzijl, onder klasse Bureau Veritas en Scheepvaart-inspectie, groote kustvaart. Het schip is van het kruiser-hek type met twee masten en het is gebouwd met plaatsteven en een dubbele bodem volgens Niestern's patent. De afmetingen zijn volgens de meetbrief: 38,89 X 7.35 X 2.64 M. Het laadvermogen is 370 ton en de inhoud bedraagt bruto 312 Reg. ton en netto 148 Reg. ton. In de motorkamer is voor de voortstuwing een Brons motor van 200 P.K. geplaatst, waarmede op de proefvaart in ballast een snelheid van 9 1/2 mijl behaald werd. Verder is in de motorkamer een hulpmotor, een Deutz Diesel motor van 10 P.K., geplaatst voor het aandrijven van de achterste laadlier, de hulpwerktuigen in de motorkamer en de dynamo. De verlichting van schip is geheel electrisch. Deze installatie werd geleverd door het Technisch Bureau Herman Eekels te Hoogezand. Voor op het schip is eveneens een 10 P.K. Deutz Diesel motor geplaatst voor het drijven van de voorste laadlier en de ankerlier. Het schip is keurig betimmerd, terwijl de afwerking boven alle lof verheven is. Het voldeed op de proefvaart ruim aan alle gestelde eischen en werd hierna zeer ten genoegen door den kapitein overgenomen.

1936-09-11: NvhN 11-09-1936: Delfzijl, 10 sept. Het alhier thuisbehoorende motorschip Caribia, kapt. van Wattum, kwam heden in het Eemskanaal m aanvaring met brug no 6, die tengevolge hiervan ernstig werd beschadigd. Het schip is beladen met gez. hout op weg van Hargsham naar Groningen. Het werd eveneens beschadigd.
NvhN 16-11-1937: Klachten over de Eemskanaalbrugwachters „Meer grasmaaiers dan bruggendraaiers”. De raad voor de scheepvaart te Amsterdam stelde een onderzoek in naar de oorzaak van het ongeluk, overkomen aan het m.s. Caribia, groot 313 br. r. ton, dat op 10 September 1936 tegen brug no. 6 over het Eemskanaal is gevaren. De eerste getuige, de kapitein van de Caribia, verklaarde brj brug no. 6 aan den anderen kant een tegenliggend schip te hebben ontmoet waarvan hij vermoedde dat het wel vaart zou minderen om hem te laten passeeren. De brugwachter begreep dit echter niet en beduidde de Caribia plotseling te stoppen De kapitein liet volle kracht achteruit slaan, tengevolge waarvan hij met het s.b.-voorschip de remming raakte. Voorts klaagde de kapitein van een der Hunze-booten, die geregeld het kanaal bevaart, schriftelijk over het ongeschoolde personeel dat op het Eemskanaal de bruggen bedient, welke klacht bovendien door een collega werd ondersteund, die tot de conclusie was gekomen dat deze bruggenwachters meer „grasmaaiers" dan „bruggendraaiers" waren. De wachter van brug no. 6. verklaarde, dat hij de brug voor het door den kapitein als tegenligger aangeduide schip had opengedraaid en het roode (onveilige) bord toen aan den anderen kant had geplaatst. Overigens verweet hij den kapitein van de Caribia te veel vaart te hebben gehad. De kapitein hield hiertegenover vol, dit roode bord niet te hebben gezien tot dat de brugwachter het bord ophief om hem te doen stoppen. Bij de bruggen over het Eemskanaal wordt, zoo zei hij, trouwens nooit een bord, rood of wit, uitgehangen. De brugwachter erkende hiervoor, wat de witte borden betreft, geen instructie te hebben gekregen. De schade, die de Caribia aan de brug veroorzaakte, was aanzienlijk, waaruit de brugwachter de te groote snelheid van het schip afleidde. De raad zal zich nader beraden en later uitspraak doen.
NvhN 18-02-1938: De aanvaring in het Eemskanaal. De Caribia had te veel vaart. De Raad voor de Scheepvaart heeft een oordeel uitgesproken over de aanvaring van het motorschip „Caribia" in het Eemskanaal met brug no. 6. Het is den Raad gebleken, in het bijzonder gelet op de door de „Caribia" veroorzaakte belangrijke schade aan de remming en aan de brug, dat de kapitein van de „Caribia", met dit schip de brug met te veel vaart is genaderd.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Dinsdag 1 Maart 1938, no. 42. No.13 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip Caribia in het Eemskanaal met brug n°. 6. Op 10 September 1936 is het motorschip Caribia in het Eemskanaal in aanvaring gekomen met brug n°. 6. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste de bij art. 29 der Schepenwet bedoelde commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze aanvaring zou instellen. Dit onderzoek heeft ter zitting van den Raad van 15 November 1937 plaats gehad buiten tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart, die door andere ambtsbezigheden verhinderd was de zitting bij te wonen. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde ter zitting als getuigen onder eede den gezagvoerder van de Caribia Cornelis van Wattum en den brugwachter Bruin Bakker. Voorts werd ter zitting van den Raad voorgelezen de verklaring van Elzo Karel, gezagvoerder bij de Groninger-Rotterdammer Stoomboot Maatschappij, te Groningen, afgelegd op 14 September 1936 aan den inspecteur voor de scheepvaart te Groningen, blijkens diens op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal dd. 14 September 1936. Uit een en ander is den Raad het navolgende gebleken: Het motorschip Caribia is een Nederlandsch vaartuig, toebehoorende aan getuige Cornelis van Wattum, wonende te Delfzijl. De roepnaam van het schip is P D J C; het is in 1936 gebouwd van staal te Delfzijl en meet 312,34 bruto- en 147,84 netto -registerton. Het was op 10 September 1936 bemand met zes personen. De voortstuwing geschiedt door middel van een 200 pk. Bronsmotor. Volgens de verklaring van getuige van Wattum vertrok hij als kapitein van de Caribia met dit vaartuig op 10 September 1936 des voormiddags te 9.15 uur van Delfzijl met bestemming naar Groningen. Het schip was beladen met hout. De deklast was 2,30 meter hoog. Het uitwateringsmerk was niet aangeladen. Het schip lag gelijklastig, diepgang vóór en achter 2,69 meter. Het was fraai, helder weer. Een matige wind stond dwars over bakboord in. De Caribia voer met langzaam werkenden motor door het Eemskanaal en passeerde achtereenvolgens negen bruggen. Te ongeveer 11 uur op dien voormiddag naderde het vaartuig brug n°. 6. Toen het schip op een afstand van ongeveer 100 meter van de brug was gekomen, werd deze geopend. Getuige zag niet, dat aan de brug een rood bord was geplaatst, ten teeken, dat hij niet mocht doorvaren. Bij de brug gekomen, zette getuige den motor op langzaam. Inmiddels was de Caribia de brug tot op een afstand van 30 meter genaderd. De brug was toen open. Op dat oogenblik nam getuige waar, dat zich aan de andere zijde van de brug in het Eemskanaal een tegenliggend vaartuig bevond, dat door een zoogenaamden opduwer werd voortgestuwd. Getuige meende, dat de Caribia aanmerkelijk dichter bij de brug was dan het andere vaartuig. Hij trachtte daarom met zachtaan draaienden motor de brug te passeeren, meenende te mogen veronderstellen, dat het andere vaartuig wel vaart zou verminderen, zulks te eerder, nu de Caribia een hoogen deklast had, terwijl de wind dwars op zijn vaartuig stond, zoodat hij met grootere moeilijkheden had te kampen dan de bestuurder van het te gemoet varende, laag liggende scheepje. Toen de Caribia nagenoeg ter hoogte van de remming van de brug was gekomen, toonde de brugwachter, getuige Bruin Bakker, plotseling in de richting van de Caribia een roode schijf, die deze in de hand had. Terstond zette getuige van Wattum den motor volle kracht achteruit. Dit had echter ten gevolge, dat de Caribia met de s.b.-zijde van het voorschip de remming raakte, zoodat aan het brugwerk en aan de brug zelf belangrijke schade werd veroorzaakt. Ook het tegenkomende scheepje, dat inmiddels in de brugopening was gekomen, werd door de Caribia nog even geraakt. Na ongeveer anderhalf uur kon het verkeer door het Eemskanaal weer een normaal verloop hebben. Des namiddags te 6.30 uur op dien dag kwam het vaartuig te Groningen aan. Getuige Bruin Bakker heeft verklaard als volgt. Op 10 September 1936 deed hij dienst als brugwachter van brug n°. 6 over het Eemskanaal. Omstreeks te 11 uur op den voormiddag van dien dag — het was fraai, helder weer; er stond weinig Z.O.-wind — hoorde getuige het signaal van een vaartuig, ter aanduiding, dat het de brug wilde passeeren. Getuige zag, dat aan de oostzijde van de brug in het Eemskanaal een zeeschip naderbij kwam, dat later bleek de Caribia te zijn. Dit vaartuig bevond zich op een afstand van omstreeks 300 meter van de brug verwijderd. Getuige zag voorts, dat aan de westzijde van de brug een binnenvaartuig, dat werd voortgestuwd door een zoogenaamden opduwer, de brug tot op een afstand van 100 meter was genaderd. Op het binnenvaartuig werden herhaaldelijk signalen gegeven ter opening van de brug. Getuige meende, dat het binnenvaartuig het eerst door de geopende brug moest varen. Op de brug bevond zich een rood bord, ten teeken, dat de doorgang voor het vaartuig, naar welks richting het bord was gekeerd, onveilig was. Getuige draaide de brug open en plaatste het roode bord op zulk een wijze, dat het duidelijk zichtbaar was voor de Caribia. Dit laatste vaartuig bleef echter naderen zonder vaart te verminderen. Getuige nam, toen de Caribia op een afstand van ongeveer 100 meter de brug was genaderd, de roode schijf en hield ze omhoog in de richting van de Caribia. Dit vaartuig sloeg daarop achteruit; het liep echter eerst in op de zeven palen van de remming aan de oostzijde van de brug, zoodat deze palen braken. Daarop voer de Caribia tegen de brug zelf aan en drukte deze uit de kamwielen. Het schip scheerde achtereenvolgens naar elk van beide kanten van de brug, telkens schade daaraan veroorzakend, terwijl ook het binnenvaartuig door de Caribia werd aangevaren en beschadigd. Getuige van Wattum, in kennis gesteld met voormelde verklaring van getuige Bakker, heeft nog verklaard, dat hij blijft bij hetgeen hij heeft medegedeeld; dat hij het roode bord niet eerder heeft gezien dan toen getuige Bruin Bakker dit met de hand in zijn richting hield; dat hij, hoewel hij vanuit het stuurhuis, waarin hij stond, eeu goed uitzicht had over het voordek, het binnenvaartuig niet heeft opgemerkt vóórdat de Caribia op een afstand van ongeveer 30 meter van de brug was gekomen, hetgeen hij hieraan toeschrijft, dat zich dicht bij de brug aan de westzijde daarvan een bocht in het kanaal bevindt; dat hij niet heeft gehoord, dat op het binnenvaartuig signalen werden gegeven; dat het op dien 10 den September de tweede maal was, dat hij met de Caribia door het Eemskanaal voer; dat Elzo Karel, kapitein bij de Hunzebooten, te Groningen, diens verklaring heeft afgelegd aan den inspecteur voor de scheepvaart, op verzoek van getuige. Volgens laatstgemelde verklaring, voor zooveel ten deze van belang, maken de brugwachters van het Eemskanaal bij het openen van een brug slechts zeer spaarzaam gebruik van de voorgeschreven borden, terwijl zij, indien zij van de borden gebruik maken, dit te laat doen, zoodat zij, wanneer gelijktijdig van elk van beide zijden een vaartuig een brug nadert, niet „regelend" optreden. De Raad voor de Scheepvaart meent zich te moeten onthouden van de beantwoording van de vraag, of de brugwachter van brug n°. 6 over het Eemskanaal, toen de Caribia die brug naderde en hij de brug opende, al dan niet heeft gezorgd, dat de kapitein van de Caribia tijdig het roode bord in het oog kon krijgen, ten teeken, dat dit vaartuig niet door de brugopening mocht varen. De Raad heeft zich uit de hem ten dienste staande gegevens daarover geen oordeel kunnen vormen. Wel is den Raad gebleken, in het bijzonder gelet op de door de Caribia veroorzaakte belangrijke schade aan de remming en aan de brug, dat getuige van Wattum als kapitein van de Caribia met dit schip de brug met te veel vaart is genaderd. De kapitein had het binnenvaartuig, dat op het Eemskanaal de brug aan de andere zijde naderde en reeds dicht bij de brug was gekomen,eerder moeten zien dan hij beweert gedaan te hebben, en alsdan moeten begrijpen, dat het binnenvaartuig, voortgestuwd als het werd door zijn opduwer, moeilijk kon stoppen. Een en ander had voor den kapitein van de Caribia, die op zich zelf reeds de brug voorzichtig had moeten naderen, een reden te meer moeten zijn om zijn vaartuig tijdig zóó weinig vaart te geven, dat hij, indien gevaar voor aanvaring zou bestaan, terstond de vaart uit het schip kon nemen. Daartoe heeft hij zich echter buiten staat gesteld, en in zooverre heeft hij, voor zooveel hem betreft, doordien hij niet zooveel voorzichtigheid heeft betracht, als de omstandigheden geboden, de aanvaring veroorzaakt. Aldus gedaan door de heeren mr. dr. F. C. van Geer, tweedeplaatsvervangend-voorzitter, A. L. Boeser en J. N. Egmond, leden, G. Mulder en R. Kramer, buitengewone leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door den eerste-plaatsvervangend-voorzitter prof. mr. B. M. Taverne ter openbare zitting van den Raad van 17 Februari 1938. (get.) F. C. van Geer, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1936-12-20: NvhN 21-12-1936: Delfzijl, 20 Dec. Het motorschip Caribia, kapt. Van wattum, liep hier als bijlegger binnen op weg van Kopennhagen naar Antwerpen, terwijl hier verder diverse schepen wegens slecht weer opgehouden worden.

1937-01-14: NvhN 15-01-1937: Delfzijl, 14 Jan. Het motorschip Caribia, kapt. Van Wattum, welk schip alhier heden als bijlegger binnenliep, zette heden de reis weer voort. Het schip is beladen met haring van Scheveningen met bestemming Gdingen.

1937-03-17: NvhN 18-03-1937: Delfzijl, 17 Maart. Het motorschip Caribia, kapt. Van Wattum, liep hier heden als bijlegger binnen. Het schip is beladen met graniet van Lysekil met bestemming Londen.

1938-05-04: NvhN 04-05-1938: Delfzijl. Het motorschip Caribia, kapt. Van Wattum, kwam hier gisteren met motorschade binnen. Het schip is op weg van Capella au Bois naar Loma, beladen met eternit. De schade zal alhier hersteld worden.

1940-05-16: Ingeschreven bij de Netherlands Shipping & Trading Committee, Londen, Engeland. Nam van 26 mei tot 1 juni 1940 deel aan de evacuatie van Duinkerken (Operatie 'Dynamo') en redde 701 personen. Nam ook deel aan de evacuatie van Le Havre en Guernsey. Op 1 juni 1945 weer terug aan de eigenaar.

1946-02-26: NvhN 27-02-1946: De Caribia gestrand. De kustvaarder Caribia, kapt J. Nieboer van Zuidbroek, is op Scroby Sand vastgeloopen. De echtgenoote van Nieboer is met haar beide kinderen in veiligheid gebracht. Kapt. Nieboer bleef zelf nog aan boord, omdat getracht zal worden de coaster weer vlot te krijgen. Sleepbootassistentie ligt klaar. De kok van de Caribia, J, J. Harcksen uit Rotterdam, is bijna verongelukt, toen hij aan boord van de reddingboot wilde overstappen. Hij viel n.l. in zee en dreigde tusschen de beide vaartuigen verpletterd te worden.
De waarheid 27-02-1946: Hollands schip op de Engelse kust gestrand. Bij Yarmouth in Engeland liep gisteren op het Scrooy Sand het 325 ton metende Hollandse kustschip “Caribia'' aan de grond. De reddingsboten van Gorlstone en Caisteri Hepen uit en brachten met een sleepboot uit Yarmouth de bemanning van de Caribia binnen. Mede werden de vrouw van den kapitein en twee kinderen van boord gehaald. Kapitein J. Nieboer weigerde zijn schip te verlaten De kok Jacobus Harcksen uit Rotterdam die over boord viel werd in een reddingsboot getrokken. Hij werd bijna tussen twee boten gekraakt. Men zou bij vloed trachten het schip vlot te brengen.
NvhN 06-03-1946: De „Caribia” verloren? Naar wij vernemen, zijn de pogingen om de kustvaarder „Caribia", welke verleden week vastliep op de droogte Scroby Sand bij Great Yarmouth, weer vlot te krijgen, voorloopig opgegeven. In het eerste bericht meldden wij, dat de bemanning met uitzondering van kapitein Nieboer, het schip had verlaten. Toen de omstandigheden gunstig waren is zij evenwel weer aan boord gegaan, om te trachten, de „Caribia" vlot te krijgen. Het schip zit evenwel vastgezogen in het drijfszand en is waarschijnlijk verloren. De bemanning heeft voor de tweede maal de coaster verlaten. Een reddingsboot lag in de buurt, doch kon de mannen niet zonder meer overnemen. Vanwege het drijfzand was de redding geen sinecure. Met een lijn zijn de opvarenden van de plaat afgetrokken. Naar de berichten luiden, is kapitein Nieboer gewond.
NvhN 09-03-1946: Nogmaals Caribia. Over het m.s. Caribia vernemen wij nog, dat het schip op de top van de bank Scroby Sands zit. Er zal nog een laatste poging worden gedaan om over 10 dagen, met het begin van het nieuwe springtij, het schip weer vlot te krijgen. De nabijheid van een mijnenveld zal het werk evehwel zeer bemoeilijken.
NvhN 18-04-1946: De Caribia weer vlot! De kustvaarder „Caribia", welke gestrand was op de „Scrobysands" in de buurt van Great Yarmouth op 26 Febr. j.1., is vannacht door de sleepboot Richard Lee Barber uit Great Yarmouth weer vlot geraakt. Vanmorgen werd het schip naar Great Yarmouth gesleept voor herstel-werkzaamheden. Bijna een maand lang heeft de sleepboot gepoogd de Caribia vlot te krijgen. De kustvaarder strandde, toen zij uit Vlissingen op weg was naar Middlesborough.
De Caribia is eigendom van den heer Van Wattum uit Groningen (vroeger Delfzijl). Kapitein is de heer Nieboer, afkomstig uit Zuidbroek. Zooals men zich zal herinneren, leek de toestand van de coaster direct na de stranding vrijwel hopeloos. De eerste pogingen om het schip te bergen mislukten en toen ook bij hoogtij de Caribia niet vlot kwam, meende men het schip als verloren te moeten beschouwen omdat het in het drijfzand steeds verder wegzakte. Niettemin werden de bergingspogingen met verbeten energie voortgezet en blijkens bovenstaand bericht uit Londen met uiteindelijk gunstig resultaat.
NvhN 05-06-1946: Groningen. — Het Nederlandsche motorschip „Caribia", eigenaar de heer C. van Wattum te Groningen, welk schip vier weken op 't strand bij Great Yarmouth heeft gezeten, is thans te Rotterdam aangekomen. De voorloopige reparatie heeft in genoemde Engelsche haven plaats gevonden, terwijl het schip in Rotterdam afdoende hersteld zal worden. In 06-1946 na herstel weer in de vaart.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Woensdag 31 December 1947, no.252. No.167 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake de stranding van het motorschip „Caribia" op de Middle Scroby Bank beoosten Great Yarmouth. Betrokkenen: J. Nieboer, kapitein, en J. Westerkamp, stuurman. Op 26 Februari 1946 is het motorschip „Caribia", toen het op weg was van Vlissingen naar Middlesbrough, beoosten Great Yarmouth op de Middle Scroby Bank gestrand en in April daarop vlotgebracht door bergers. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze stranding. Bovendien besliste genoemde commissie, eveneens in overeenstemming met voorstel van de inspecteur-generaal voor scheepvaart, dat het onderzoek tevens zou lopen over de vraag of niet het ongeval mede te wijten is aan schuld van de kapitein van het motorschip „Caribia", J. Nieboer, wonende te Zuidbroek. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 10 November 1947 in tegenwoordigheid van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij het proces-vetbaal van de verhoren door de inspecteur voor de scheepvaart in het 2de district van .1. Harcksen, kok, en J. Buising, matroos motorschip „Caribia", en hoorde de stuurman van het motorschip „Caribia", J. Westerkamp, aanvankelijk als getuige onder ede. Tijdens diens verhoor besliste de Raad, op voorstel van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart, dat het onderzoek ook zou lopen over de vraag of de scheepsramp wellicht mede was te wijten aan de schuld van voornoemde stuurman. De voorzitter deelde aan getuige 's Raads beslissing mede en wees hem er op, dat hij thans in de positie van betrokkene was komen te verkeren en gelegenheid had alles tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig zou achten, terwijl hem het laatste woord zou worden gelaten. Betrokkene had geen bezwaar, dat het onderzoek terstond werd voortgezet. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Hpt motorschip „Caribia" is een Nederlands schip van 312.34 brutoregisterton, behoort toe aan C. van Wattum, te Groningen, en wordt voortbewogen door een motor van 195 pk. Op 25 Februari 1946 te 7.30 uur vertrok de „Caribia" in ballast van Vlissingen naar Middlesbrough. Bij vertrek was de diepgang vóór en achter 7'. Aan boord waren een bemanning van 6 man en 3 passagiers. Langs de voorgeschreven route stak de „Caribia" de Noordzee over; de vaart was 8 mijl. Het was goed weer met lichte N.O. koelte. Onder de Engelse kust was het heiig. Te 16 uur werd South Fallsboei, te 20.40 uur Sunk-vuurschip gepasseerd en te 21.45 uur Orfordness. De stuurman, betrokkene Westerkamp, kreeg de wacht te 20 uur. De Raad is gebleken, dat bij het overgeven van de wacht, zowel door de kapitein als door de stuurman werd overgegeven welke boei het laatst was gepasseerd en welke boei vooruit te zien was, maar waar deze boeien niet in de kaart waren aangebracht en geen koerslijnen getrokken, kon geen bestek op het moment van wachtovergeven worden getoond. Koersen werden ook niet overgegeven. Hoewel werd medegedeeld, dat op kustvuren door vierstreekspeiling bestek werd bepaald, bleek noch uit de kaart, noch uit het journaal, dat dit inderdaad geschiedde. De stuurman zou te 24 uur worden afgelost. Gedurende de eerste wacht bevond betrokkene Nieboer zich meestentijds in de kombuis, alwaar hij met de machinist, de kok en een vrouwelijke passagier jenever dronk. De kapitein geeft toe, dat hij zeker 6 glazen heeft gedronken. De kapitein, die zegt van uit de kombuis te hebben gezien, dat te 21.45 uur Orfordness werd gepasseerd, is te 22 uur in het stuurhuis of in de kombuis gaan slapen. Toen de stuurman te 0 uur door matroos Buising de kapitein wilde laten roepen, vernam hij, dat de kapitein in de kombuis lag te slapen onder de invloed van alcohol. De stuurman liet de kapitein slapen en bleef op de brug. Te 1 uur van 26 Februari werd Lowestoft gepasseerd. Enige tijd later kwam de kapitein op de brug, volgens de stuurman nog wel beneveld. De stuurman gaf over, dat hij zoeven aan bakboord een boei had gepasseerd, die elke vijf seconden een schittering gaf, en dat even aan bakboord vooruit een boei was, die elke twee seconden een schittering gaf. Ter zitting kon noch de kapitein, noch de stuurman aangeven welke boei even vóór 1 uur was gepasseerd. Het kan de Newcome-boei beoosten Lowestoft zijn geweest, maar ook de 21 mijl noordelijker liggende East Holm-boei. Een gisbestek is niet overgegeven en over een koers is niet gesproken. De stuurman ging naar beneden. De kapitein heeft nog één of twee keer de brug verlaten, maar toen hij na de laatste keer weer boven was gekomen, liep het schip te ongeveer 1.45 uur aan de grond. Achteraf bleek, dat het schip gestrand was op de Middle Scrobybank, beoosten de Scroby Elbow-boei. In plaats van door het Hewett channel over de ree van Great Yarmouth te varen, is de „Caribia" na het passeren van de East Holm-boei in een zelfde koers, ongeveer noord magn., doorgelopen tot ze vastliep. Te 8 uur zijn de opvarenden, behalve de kapitein, door de reddingtoot van boord gehaald. Wel zijn nog enige personen naar boord teruggegaan om hun bagage te halen en hebben toen getracht om een anker uit te brengen, maar dit gelukte niet. De kapitein, die bij zijn bergingspogingen gewond was geraakt, is daarop ook van boord gegaan. In April is de „Caribia" door bergers vlotgebracht. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart voert aan, dat de oorzaak van deze scheepsramp in eerste instantie ligt in de onvoldoende en zorgeloze navigatie van de kapitein J. Nieboer. Het journaal is onvoldoende bijgehouden; koersen zijn niet vermeld. De wacht wordt op onvoldoende wijze overgenomen; hij oriënteert zich niet voldoende op dat moment. Vast is komen te staan, dat overmatig gebruik van alcohol de primaire oorzaak van de stranding is. Kapitein Nieboer heeft meer alcohol gedronken dan met zijn werkzaamheden was overeen te brengen en heeft daarmee een zeer grote verantwoordelijkheid op zich geladen. Dit is een ernstige misdraging tegenover rederij en opvarenden, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Wat de stuurman J. Westerkamp betreft, is vast komen te staan, dat hij de navigatie onvoldoende heeft gevoerd; hij gaf de wacht op onvoldoende wijze over en wist op dat moment niet precies waar het schip stond. Als iemand onder de invloed van drank met een automobiel een ongeluk veroorzaakt, kan hij gevangenisstraf krijgen. Waar dit voor een geval als het onderhavige niet opgaat, stelt de hoofdinspecteur voor, de maximum strafmaat op de kapitein toe te passen en kapitein J. Nieboer de bevoegdheid om als kapitein of als stuurman te varen op zeeschepen te ontnemen voor de tijd van 2 jaren en aan de stuurman J. Westerkamp voor de tijd van 2 weken.'s Raads oordeel luidt als volgt: Gebleken is, dat de „Caribia" ongeveer 3 mijl buiten Yarmouth aan de buitenkant van de zich daar bevindende bank is gestrand. Aanwijzingen hoe het schip daar gekomen is, ontbreken ten eenenmale. In het journaal is slechts vermeld, dat het schip te 1 uur Lowestoft passeerde en een route volgde, voorgeschreven door de Naval Control. Geen enkele plaatsbepaling, gevaren koers of aangelopen boei komt in het journaal voor. Uit de verklaringen van kapitein en stuurman blijkt, dat beiden op hun wacht eenvoudig van boei tot boei voeren, zonder een koers in de kaart te zetten en zonder elkaar bij het wisselen der wachten een plaats of een koers over te geven. Er werd volstaan met een mededeling welke boei het laatst was gepasseerd. Gebleken is voorts, dat de kapitein, die om 0 uur op wacht zou komen, van halfnegen af tot omstreeks tien uur in kombuis met de kok, de machinist en een vrouwelijke passagier jenever heeft gedronken in bedenkelijke hoeveelheden, vervolgens op een bank in slaap is gevallen, eerst na 1 uur de stuurman heeft afgelost en toen nog beneveld was. Volgens de kapitein heeft de stuurman hem bij het overnemen van de wacht gezegd, dat hij kort te voren aan bakboord een boei was gepasseerd met één schittering in de 5 seconden. Ter zitting van de Raad hebben kapitein en stuurman niet kunnen ophelderen welke boei dat is geweest. Volgens de stuurman heeft de stranding plaats gehad ongeveer 25 minuten nadat de kapitein op de brug kwam, hetgeen zou zijn geweest toen het schip ongeveer ter hoogte van Lowestoft was. Dit kan niet juist zijn, gezien de plaats van de stranding dwars van Yarmouth. De kapitein beweert, dat het schip is gestrand ongeveer 5 minuten nadat hij de wacht overnam. Naar het oordeel van de Raad is de stranding te wijten aan de grove schuld van kapitein en stuurman, immers aan het volkomen gebrek aan navigatie bij beiden. Het meeste verwijt treft de kapitein, die geen behoorlijke leiding of voorbeeld gaf en zich in de kombuis bedronk, zó, dat hij bij het overnemen der wacht, kort vóór de stranding, nog beneveld was. De Raad meent de kapitein, die blijkens bij de stukken aanwezige uitspraak van de bijzondere Raad voor de Scheepvaart te Londen, waarvan de korte inhoud hem ter zitting is medegedeeld, in 1924 wegens zeer ernstige tekortkomingen is gestraft met een jaar ontneming van de bevoegdheid als kapitein te varen, te moeten straffen met de maximum disciplinaire straf. Ten aanzien van de stuurman, die schuldig staat aan ernstige zorgeloosheid, kan, naar 's Raads inzicht, met een aanzienlijk lichtere correctie worden volstaan. Mitsdien: Straft de betrokkene Jan Nieboer, kapitein, geboren 27 Maart 1909 te Zuidbroek, wonende aldaar, disciplinair door ontneming van de bevoegdheid om gedurende 2 jaren als kapitein of als stuurman op een schip, als bedoeld in artikel 2 der Schepenwet, te varen; straft de betrokkene Johannes Westerkamp, stuurman, geboren 17 Maart 1899 te Siddeburen, wonende te Rotterdam, disciplinair door ontneming van de bevoegdheid gedurende 2 maanden als kapitein of als stuurman op een schip, als bedoeld in artikel 2 der Schepenwet, te varen. Aldus gedaan door de heren mr. W. A. Vos, eerste plv. voorzitter, C. H. Brouwer, lid, G. J. Barendse, plv. lid, K. R. Bosma, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman en uitgesproken door de tweede plv. voorzitter mr. A. Dirkzwager ter openbare zitting van de Raad van 22 December 1947. (Get.:) Vos; A. Boosman.

1946-04-18: NvhN 18-04-1946. De CARIBIA weer vlot! De kustvaarder „Caribia”, welke gestrand was op de „Scrobysands” in de buurt van Great Yarmouth op 26 Febr. j.l., is vannacht door een sleepboot van Richard Lee Barber uit Great Yarmouth weer vlot geraakt. Vanmorgen werd het schip naar Great Yarmouth gesleept voor herstelwerkzaamheden. Bijna een maand lang heeft de sleepboot gepoogd de Caribia vlot te krijgen. De kustvaarder strandde, toen zij uit Vlissingen op weg was naar Middlesborough. De Caribia is eigendom van den heer Van Wattum uit Groningen (vroeger Delfzijl). Kapitein is de heer Nieboer, afkomstig uit Zuidbroek. Zooals men zich zal herinneren, leek de toestand van de coaster direct na de stranding vrijwel hopeloos. De eerste pogingen om het schip te bergen mislukten en toen ook bij hoogtij de Caribia niet vlot kwam, meende men het schip als verloren te moeten beschouwen omdat het in het drijfzand steeds verder wegzakte. Niettemin werden de bergingspogingen met verbeten energie voortgezet en blijkens bovenstaand bericht uit Londen met uiteindelijk gunstig resultaat.

1947-09-30: Onderweg van Lysekil met stukgoed naar Antwerpen bij boei 31 in het Kattegat over een mijn gevaren welke bij het achterschip door een klap van de schroef tot ontploffing kwam. Het schip keerde terug naar Lysekil voor reparaties. Het voer later naar Boele Bolnes voor algeheel herstel.
NvhN 02-10-1947: Stad en Provincie De „Caribia” beschadigd. Het motorschip „Caribia", eigenaar de heer C. van Watturn te Groningen, werd in het Kattegat, enkele meters vanaf het achterschip, door een magnetische mijn getroffen, waardoor belangrijke schade aan dek werd aangebracht, o.m. werd het stuurhuis grotendeels vernield, de davits en de scheepsboot enz. Het schip kreeg geen lekkage en kon op eigen kracht Grenaa (Denemarken) bereiken. De „Caribia" was beladen met circa 350 ton steen van Lysekil op weg naar Antwerpen.
Bijvoegsel tot de Nederlandse Staatscourant van Woensdag 23 Juni 1948, no.120. No.119 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake de ontploffing, die in het Kattegat dicht achter het motorschip „Caribia" heeft plaats gehad, waardoor schade is ontstaan aan schip en werktuigen. Op 30 September 1947 heeft, toen het motorschip „Caribia" op reis was van Lysekil bij Gothenburg naar Antwerpen, nabij boei 31 in het Kattegat dicht achter het achterschip een ontploffing plaats gehad,, ten gevolge waarvan schade ontstond aan schip en werktuigen. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze ontploffing. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 29 April 1948, in tegenwoordigheid van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek derScheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein J. Aaldring en de matroos H. Schotanus, zomede van het scheepsdagboek. De door de kapitein gebezigde Deense zeekaart no. 100 was ter tafel. Getuigen zijn in deze zaak niet gehoord. Uit de bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip „Caribia", groot 312 bruto-registerton, is een Nederlands schip, toebehorende aan C. van Wattum, te Groningen. De “Caribia" wordt voortbewogen door een 195 pk 4-cylinder 2-takt Bronsmotor. Op 30 September 1947 te 5.30 uur vertrok de „Caribia" met een lading steen van Lysekil benoorden Gothenburg, met bestemming Antwerpen. De bemanning bestond uit 6 personen. De diepgang bij vertrek vóór 26 ½, achter 28 ½| dm. Te 6,10 uur werd de loods ontscheept en werd koers gesteld op Skagen vuurschip. De „Caribia" voer langs de voorgeschreven route. Te 9.10 uur werd Aalborg Bucht-vuurschip dichtbij aan stuurboord gepasseerd, te 21 uur boei 33 dichtbij aan bakboord en te 22.20 uur boei 32 op 100 m afstand aan bakboord. Het was helder weer, de wind was N.W. 6 á 7, terwijl er een woelige zee liep. Het schip stuurde goed. De kompassen waren voor het laatst gesteld op 9 November 1946, maar de afwijkingen thans waren zeer gering. De “Caribia" was zeker sinds September 1946 niet gedemagnetiseerd. Vanaf boei 33 was de kompaskoers Z. t. W. Te 23.20 uur, toen boei 31 vooruit was op een gegiste afstand van 1 mijl en boei 32 nog recht achteruit te zien was en het vuur van Tornaes op s.b.-boeg werd gezien, had dicht achter het achterschip een hevige ontploffing plaats. Een grote hoeveelheid water werd omhooggegooid, het schip trilde en zwiepte en de motor viel op langzaam. Er waren geen schepen in de buurt. Het schip bleek geen water te maken, maar weldra werd bemerkt, dat vooral in de motorkamer zeer ernstige schade was ontstaan. Zelfs de motor bleek los te staan; deze was eerst door de motordrijver gestopt, maar ten slotte slaagde men er in deze weer op gang te krijgen. De beide reddingboten waren ook zwaar beschadigd. De kapitein slaagde er in om langzaam draaiende het schip naar Grenaa te brengen, alwaar het te 6.30 uur van 1 October 1947 arriveerde. Ten slotte werd in Aarhus het schip voorlopig gerepareerd. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart voert aan, dat deze ramp is te beschouwen als een oorlogsongeval. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft toch een onderzoek zeer gewenst geacht, omdat bij het vooronderzoek bleek, dat de „Caribia" niet op tijd was gedemagnetiseerd. Al vaak is gebleken, dat vrijgegeven routes niet geheel veilig zijn. Daarom dringt de Scheepvaart-inspectie er steeds sterk op aan, dat kleinere schepen op tijd worden gedemagnetiseerd. Hoewel niet is bewezen, dat deze nalatigheid rechtstreeks de oorzaak is van de ramp, wil de hoofd-inspecteur toch nogmaals wijzen op het grote belang van demagnetiseren. 's Raads oordeel luidt als volgt: Gebleken is, dat het ongeval heeft plaats gehad — zeer vermoedelijk door ontploffing van een mijn —, terwijl het schip zich in de voorgeschreven geveegde route bevond. De kapitein heeft verklaard, dat het schip in ieder geval na September 1946 niet gedemagnetiseerd is. De Raad is van ordeel, dat hier sprake is van een oorlogsongeval. Waar reeds vaker is gebleken, dat in de voorgeschreven geveegde routes toch nog wel enig mijnengevaar te duchten is, acht de Raad het wenselijk, hoewel een verplichting daartoe niet bestaat, dat schepen, die niet van een degaussing kabel zijn voorzien, op tijd (aanwijzing van de Scheepvaartinspectie) worden gedemagnetiseerd. De daaraan verbonden nadelen — kosten, tijdverlies en noodzakelijkheid van veelvuldiger kompassencontröle — wegen niet op tegen het met de demagnetisering bereikte voordeel: grotere veiligheid van opvarenden, schip en lading. Aldus gedaan door de heren mr. W. A. Vos, eerste plv. voorzitterC. H. Brouwer, K. E. Dik en L. Meulman, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad. (Get.:) Vos; A. Boosman.

1948-11-15: Bijvoegsel tot de Nederlandse Staatscourant van Maandag 21 Maart 1949, no.56. No.75 . Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake het verzoek van 1 December 1948 van C. van Wattum, te Oude Schans, tot inhouding van het monsterboekje van G. G. Hak, destijds als kok gemonsterd op het m.s. „Caribia". Op 10 Februari 1949 heeft de Raad voor de Scheepvaart behandeld een verzoek van voornoemde rederij tot inhouding van het monsterboekje van bovengenoemde schepeling wegens het onrechtmatig doen eindigen van de arbeidsovereenkomst op 15 November 1948 te Delfzijl. De Raad nam kennis van de door de inspecteur-generaal voor de scheepvaart overgelegde stukken en hoorde aangeklaagde. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart was bij de zitting tegenwoordig. De rederij heeft haar verzoek voor de Raad niet nader toegelicht. Gebleken is, dat genoemde schepeling op 11 October 1948 te Rotterdam een arbeidsovereenkomst, als bedoeld in art. 398 van het Wetboek van Koophandel, heeft aangegaan met voormelde rederij en vervolgens in de kwaliteit en op het schip als bovenvermeld is gemonsterd voor onbepaalde tijd. Aangeklaagde moest 15 November 1948 van verlof aan boord terugkeren, maar is weggebleven. Hij zegt woorden te hebben gehad met de kapitein, die hem geen overwerkuren wilde uitbetalen. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart voert aan, dat aangeklaagde de arbeidsovereenkomst onrechtmatig heeft verbroken, en stelt voor, het monsterboekje gedurende een maand in te houden. De Raad voor de Scheepvaart is, gehoord de conclusie van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart, van oordeel, dat aangeklaagde de arbeidsovereenkomst onrechtmatig heeft doen eindigen. De Raad beslist, dat het monsterboekje van Gerrit G. Hak, geboren 8 December 1927, wonende te Amsterdam, wordt ingehouden voor de tijd van drie weken, ingaande op de dag der beslissing (10 Februari 1949). Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, tweede plv. voorzitter, C. H. Brouwer en G. J. Barendse, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman, en uitgesproken door voornoemde voorzitter ter openbare zitting van de Raad van 10 Februari 1949. (Get.) A. Dirkzwager; A. Boosman.

1957-10-11: NvhN 11-10-1957: Dicky W. in moeilijkheden. De Nederlandse coaster Dicky W, die met een lading hout onderweg was van Zweden naar Londen, heeft in verband met ruwe zee in de Eemsmond moeilijkheden ondervonden, tengevolge waarvan een gedeelte van de deklast overboord gezet moest worden. Een gedeelte van dit hout is aangespoeld bij de zeedijk onder de gemeenten Bierum, 't Zandt en Uithuizermeeden.

1957-12-28: NvhN 28-012-1957: DICKY-W verkocht. Het motorschip Dicky-W van de heer A. Westera te Appingedam is verkocht naar Duitsland aan de rederij Schöning te Haren a. d. Ems. De Dicky-W (ex m.s. Caribia) werd in 1936 gebouwd hij de Scheepswerf Gebr. Niestern en Co. te Delfzijl en behoort tot het gladdektype met een draagvermogen van pl.m. 355 ton. In de machinekamer staat een 195 p.k. motor opgesteld.

1972-05-00: Final Fate: Gesloopt door Eisen und Metall A.G., Hamburg, Duitsland.

Ship Masters Data

Images


Description: Caribia 1936
Image type: Photo

Description: Caribia 1936
Image type: Photo

Description: Dicky-W 1936 (ex Caribia)
Image type: Photo

Description:
Image type: Photo

Description: Op deze foto vaart het schip als UNITAS-S.
Image type: Photo

Description: 'Unitas-H' (ex 'Dicky-W' ex 'Caribia')
Image type: Photo
Sources