Name ship: CARPO

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1949
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
IMO number:
Nat. Official Number: 2447 Z GRON 1948
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Raised quarter deck
Masts: Two masts
Rig: 2 derricks
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: Gebr. Suurmeijer, N.V. Scheepswerf 'Vooruitgang', Foxhol, Netherlands
Yardnumber: 164
Date Laid Down:
Launch Date: 1948-10-13
Delivery Date: 1949-01-03
Technical Data

Engine Manufacturer: Werkspoor N.V., Amsterdam, Netherlands
Engine Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 8
Power: 500
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Werkspoor Typw (10 5/8-19 11/16)
Speed in knots: 10.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 494.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 260.00 Net tonnage
Deadweight: 725.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 35670 Cubic Feet
Bale: 33551 Cubic Feet
 
Length 1: 50.46 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 47.75 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 8.65 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.90 Meters Depth, moulded
Draught: 3.48 Meters Draught, maximum
 
Configuration Changes

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1949-01-03 CARPO
Manager: Hudig & Veder N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: N.V. Maatschappij Zeevaart, Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PDJD
Additional info:

Ship Events Data

1948-10-15: NvhN 15-10-1948: De CARPO te water gelaten. Van de werf van de N.V. Scheepswerf „Vooruitgang", van Gebr. Suurmeijer te Foxhol is gisteren met goed gevolg te water gelaten het motorkustvaartuig „Carpo," gebouwd onder klasse Bureau „Veritas" en Scheepvaart Inspectie voor rekening van de N.V. Mij. „Zeevaart" te Rotterdam. Het schip, groot 725 ton d.w., is van het raised-quarter-dektype en heeft als afmetingen 48.50 x 8.60 x 3.50 x 4.40 M. Het krijgt een 500 p.k. Werkspoor-motor enz. en is geheel modern ingericht. De doopplechtigheid werd verricht door mevr. Van Zalm-Van Eldik. De kiel zal worden gelegd voor een coaster van 750 ton voor rekening van de heer mr. dr. J. H. Bast te Hoogezand.

1948-12-29: Op 29-12-1948 als CARPO, zijnde een stalen motorschip, groot 1400.15 m3 bruto inhoud volgens meetbrief 's Gravenhage d.d. 20-12-1948 no. 7563, liggende te Foxhol, door J.L. Kleijn, scheepsmeter te Groningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 2447 Z GRON 1948 op het achterschip aan S.B. zijde in achterkant dekhuis op kampanje, 2.96 m. uit de hekplaat, 0.95 m. uit de lengteas, 1.59 m. boven dek.

1949-01-04: NvhN 04-01-1949: Proefvaart CARPO. Gisteren had op de Eems de proefvaart plaats van het nieuwe kunstvaartuig „Carpo". Het is gebouwd voor rekening van de Maatschappij Zeevaartrederij Hudig en Veder te Rotterdam, op de werf van Suurmeijer te Foxhol. Het is van het Raised Quarterdektype en onder Bureau Veritas gebouwd. De verschillende afmetingen zijn als volgt: lengte 49 22 m., breedte 8 m., holte 2.90 m., B.M3. 1400.15, N.M3. 736.31. BRT 494.25, NRT 259.92, met een Deadweight van ca. 725 ton. De voortstuwing geschiedt door een Werkspoor-motor met een capaciteit van 500 pk., 8 cyl. Het behaalde hiermee een snelheid van plm. 11 mijl. Voor de aandrijving der hulpwerktuigen zijn opgesteld twee motoren fabr. Deutz, elk met een capac. van 12 pk. Het vaartuig heeft 2 masten, elk uitgerust met een 12 pk. Deutz motor tot aandrijving van de Bodewes heren. De ankerwinch fabr. Bodewes, heeft een 18 pk. Deutz motor. Het is in de kaartenkamer uitgerust met de modernste navigatiemiddelen: echolood, draadloze telefonie en richtingzoeker. Het vaartuig is na de proefvaart tot volle tevredenheid door de nieuwe eigenaar overgenomen.

1949-01-20: Het Vrije Volk 20-01-1949: Wie tot zestig kan tellen, kan met de Carpo varen. (Van onze speciale verslaggever) Er is weer een Rotterdamse rederij meer, die hetzelfde aantal schepen in de vaart heeft als voor de oorlog. Na een eerste reis op Ierland ligt nu de nieuwe kustvaarder Carpo in de Merwehaven, en de maatschappij „Zeevaart" (Hudig en Veder) beschikt zodoende weer over zes „halfgodinnen", want naar deze wufte joffers uit de Griekse mythologie zijn haar schepen genoemd. Maar de oude tonnage heeft men met deze aanwinst nog niet bereikt. De nieuwelingen in de vloot van Hudig en Veder, achtereenvolgens Tyro, Echo, Hagno en Carpo, zijn stuk voor stuk van een veel kleiner slag dan bijvoorbeeld de Letho en de Arundo die in de oorlog gebleven zijn. Het risico, dat men voor grote schepen niet altijd voldoende lading heeft is te groot, vandaar dat er steeds meer kustvaarders in Rotterdam verschijnen. Vandaar ook dat men kustvaarders bouwt van een maximale tonnage, zoals de Carpo, namelijk 499.99 bruto registerton. Groter kan het werkelijk niet, want 500 is de grens. Ook de inrichting is niet primitief meer: warm en koud stromend water, douches, oliestookinrichting voor centrale verwarming en voor het fornuis, electrische ventilatie in de ruimen. Voor de navigatie is men heus niet meer alleen op een kompas aangewezen. Behalve radiorichtingzoeker en registrerend echolood heeft de Carpo telefoon. Kapitein Pomp heeft de haak maar op te nemen om via Scheveningenradio het kantoor te melden, dat hij zo en zo laat de Nieuwe Waterweg zal binnenlopen. En dan wordt er hier aan boord geconsold. „Als u tot zestig kunt tellen, kunt u ook met de Carpo varen", beweerde kapitein De Groot, die bij Hudig en Veder de promotor is van het Consol- systeem. Het is zo eenvoudig, dat hij het eigener beweging aan ons, landrotten, ging uitleggen. Kostbaar is het ook al niet, want men behoeft slechts een paar Consolkaarten te kopen a raison van anderhalye shilling.... Op die kaarten zijn van uit twee plaatsen, Bushnill in Noord-lerland en Stavanger in Noorwegen groene en rode strepen getrokken en die zijn genummerd van 1 tot 60. lft Bushnill en Stavanger zijn twee zendstations die punten en strepen uitzenden, maximaal 60. Men behoeft die slechts te tellen om op de kaart te kunnen aflezen, waar het schip zich bevindt. Consol, eigenlijk voor de vliegtuignavigatie bestemd, is nog vrij onbekend onder de zeelui en daarom heeft kapitein De Groot in de afgelopen zomer ook een aantal IJmuider vissers ingewijd in het simpele Consolgeheim. Heel wat IJmuidenaren zijn nu al enthousiaste consollers, want in het gebied, waar zij vissen, zijn de stations Bushnill en Stavanger goed hoorbaar. De Carpo, die een vaste dienst op de Ierse havens onderhoudt, kan er natuurlijk ook het volle profijt van hebben. De technische gegevens van de nieuwe kustvaarder zijn: lengte 48.50 m, breedte 8.60 m, holte tot verhoogd half dek 4.40 m; acht cylinder viertakt Werkspoor-dieselmotor, die bij 325 omwentelingen 500 E.P.K. ontwikkelt; draagvermogen 725 ton snelheid tijdens proeftocht 11 mijl.

1951-09-14: Het Vrije Volk 14-09-1951: Nederlands schip in Falmouth binnen gebracht. Het 494-ton metende Nederlandse ms „Carpo", dat gevaar liep door een krachtige Oostenwind op de kust van Cornwall te worden geworpen, is door de reddingboot van Falmouth in Falmouth binnen gebracht. De „Carpo" was onderweg van Drogheda (lerland) naar Fowey.

1953-12-23: Het Vrije Volk 23-12-1953: Carpo heeft motorschade. Het Nederlandse m.s. Carpo meldde hedenmorgen: Drijven sedert gisteravond met motorschade op 27 mijl van Dublin. Zal trachten de schade zelf to herstellen doch dit neemt geruime tijd in beslag. De Carpo zal sleepboothulp van Dublin vragen voor Stanby.

1954-04-08: Het Vrije Volk 08-04-1954: De “Carpo” te Dublin terug. Nadat het Nederlandse m.s.”Carpo” van Dublin naar Fowey was vertrokken, kreeg het maschineschade. Tengevolge daarvan moest het langzaam draaiend op eigen kracht naar Dublin terugkeren. Het schip is vanmorgen aldaar binnengelopen.

1954-04-20: NvhN/De Telegraaf 20-04-1954: Matroos over boord geslagen. Het Zondag te Rotterdam binnengekomen kustvaartuig Carpo heeft de vermissing gerapporteerd van de 18-jarige matroos A. J. Zuur. Het schip was op weg van Dublin naar Rotterdam. Donderdag jl. was de matroos, die in Den Haag woonde, aan boord bezig een der sloepen schoon te maken. Vermoedelijk is hij toen over boord geslagen, althans na enige tijd werd hij vermist. Men heeft de zee nog afgezocht, maar de man niet meer gevonden.
Het Vrije Volk 20-04-1954: Matroos over boord geslagen. De 18-jarige matroos A. J. Zuur van het motorschip „Carpo" is Zaterdag op de Noordzee waarschijnlijk overboord geslagen en verdronken. Het schip was op weg van Dublin naar Rotterdam. De matroos, die aan de Parallelweg 174 te Den Haag woonde, werkte aan dek toen men hem voor de laatste maal zag. Na enige tijd miste men hem. Het schip keerde terug en volgde enige tijd de oude koers. Het zoeken bleef echter zonder resultaat. Zaterdagmiddag liep het schip de Rotterdamse Merwehaven binnen. Bij de Rivierpolitie werd aangifte gedaan van de vermissing.

1954-11-27: Final Fate: Onderweg met een lading 639 ton anthraciet van Swansea naar Amsterdam, in een zware storm (kracht 10/11) omstreeks 01.01 uur gezonken 17 mijl zuidwest van Lizard Head in pos. 49.47.N. - 05.23.W. Alle twaalf bemanningsleden verloren hierbij het leven. Het Liberiaanse tankstoomschip 'Casino' dat in de buurt was deed nauwelijks moeite de 'Carpo' te hulp te komen en hun gedrag was in alle opzichten zeer laakbaar.

Delfsche Courant 29.11.1954: Te Plymouth zijn dinsdag door de Franse Treiler “ Marie Noelle “ de stoffelijke overschotten van twee zeelieden aan land gebracht, die men naar gelooft deel hebben uitgemaakt van de bemanning van de Nederlandse kustvaarder “Carpo “. De opgepikte lijken zijn van een jongeman van ongeveer 17 jaar en een man van middelbare leeftijd. Zondag zijn aan de Engelse zuidkust twee lijken aangespoeld. Zoals reeds vermeld, was een dezer lijken geindentificeerd als dat van de lid van de bemanning van de “Carpo “ A. van Drongelen. Het andere lijk blijkt thans dat van een ander lid van de bemanning C. Keidenier te zijn. De mannen wier lijken dinsdag door de “ Marie Noell “ aan land zijn gebracht droegen zwemvesten en waren blootsvoets. Een van hen zou H. Muller zijn.

1954-11-30: NvhN 30-11-1954: Twaalf zeelieden bij Z.W.-Engeland verdronken. Nederlandse coaster CARPO met man en muis vergaan. Duitse kapitein zou geweigerd hebben hulp te verlenen. De Nederlandse kustvaarder CARPO (494 ton) van de N.V. Maatschappij Zeevaart, Rederij Hudig en Veder te Rotterdam, is zeer waarschijnlijk het afgelopen weekeinde met man en muis vergaan. De coaster was op weg van Swansea in Wales naar Nederland en had twaalf man aan boord. De ramp zou zich hebben voorgedaan 15 kilometer ten Oosten van Kaap Lizard in Zuidwest-Engeland. Het afschuwelijke feit deed zich bij deze ramp voor, dat de Duitse kapitein van het Liberiaanse schip Casino geen hulp zou hebben willen verlenen aan de CARPO, toen deze Vrijdagavond in zinkende toestand verkeerde. De Casino arriveerde gisteren te Vlaardingen. Er brak een conflict uit onder de geheel Duitse bemanning (35 man), waarvan het grootste deel zich tegen de kapitein keerde naar aanleiding van de ramp met de CARPO.
Algemeen Handelsblad 30-11-1954: Scheepsramp bij Cornwall. Kustvaarder Carpo met man en muis vergaan. Lijk van een der opvarenden aangespoeld; elf vermist.
(Van onze correspondent) Rotterdam, 30 November Gisteravond heeft de directie van de Maatschappij Zeevaart, Hudig & Veder N.V., een telegram ontvangen, dat voor de kust van Cornwall het lijk is aangespoeld van een der opvarenden van het 494 ton metende vrachtschip Carpo van de Holland-Ierland Lijn, dat sedert de storm, die Vrijdag boven het Kanaal heeft gewoed, werd vermist. De hoop, waarin men had geleefd, dat de radioinstallatie aan boord van het schip dat met een lading anthraciet op weg was van Wales naar Amsterdam, defect was, was hiermede een ijdele hoop gebleken. De Carpo moet tijdens de hevige storm van Vrijdagavond voor de kust van Cornwall met man en muis zijn vergaan. Aan boord bevonden zich twaalf opvarenden. Gevonden werd het lijk van de 27-jarige matroos A. van Drongelen. Vermist worden de 63-jarige kapitein A. Douw uit Krimpen a. d. Lek, de 24-jarige eerste stuurman J. ter Voort uit Amsterdam, de 22-jarige stuurman H. Loubert uit Geleen, de 32-jarige eerste machinist A. Peters uit Rotterdam, de 21-jarige tweede machinist I. Tessensohn uit Den Haag, de 18-jarige derde matroos J. Daalmeyer uit Schiedam, de 26-jarige kok M. Brasser uit Rotterdam, de 18-jarige matroos C. Keidenier uit Goes, de 17-jarige matrooe-onder-de-gage H. Muller uit Den Haag, de l5-jarige logiesjongen J. Schrammeyer uit Rotterdam en de 25-jarige matroos C. Witkamp, eveneens uit Rotterdam. Weigerde kapitein van Casino hulp te bieden? De enige getuigen van deze ramp zijn vermoedelijk de opvarenden van het onder Liberiaanse vlag varende tankschip Casino, dat, op weg met een lading olie naar Pernis, gisteravond laat de Nieuwe Waterweg is binnengevaren en vanmorgen in de vroegte ligplaats heeft genomen aan de terreinen van Pakhuismeesteren te Pernis. De bemanning van dit tankschip bestaat hoofdzakelijk uit Duitsers. Hadden er nog opvarenden gered kunnen worden, indien de kapitein van dit schip al het mogelijke zou hebben gedaan de zinkende Carpo hulp te bieden? Het is een vraag die thans niet alleen in de gezinnen van de slachtoffers, maar ook in de kringen van de scheepvaart te Rotterdam wordt gesteld, nu opvarenden van de tanker bij aankomst in de Rotterdam wordt gesteld, nu opvarenden van de tanker bij aankomst in de Rotterdamse haven de kapitein hebben verweten, dat hij zijn plicht als zeeman om alle mogelijke hulp te bieden zou hebben verzaakt. Opvarenden van de Casino vertelden ons vanmorgen, dat men zich tijdens de storm in de onmiddellijke nabijheid van het zinkende schip heeft bevonden. De afstand bedroeg op een gegeven ogenblik niet meer dan honderd meter. Op korte afstand heeft men in de duisternis gezien hoe de Hollanders aan boord van de Carpo, die een willoze prooi van de golven was geworden, nog hebben getracht het vege lijf te bergen. Men had een fakkel aan boord ontstoken, terwijl er ook met morslampen werd geseind. Een der opvarenden bevond zich in een sloep, die op het achterschip in de takels hing. De storm had op dat moment kracht 10. Hoewel hoge zeeën voortdurend over het dek van de Casino sloegen troffen opvarenden maatregelen de bemanning van de Carpo hulp te bieden. Zo werden er b.v. touwladders buiten boord gehangen en werklijnen en reddingsboeien gereed gelegd om eventuele drenkelingen te helpen. Tot niet geringe verbazing echter liet de kapitein van de Casino het schip aan zijn lot over en korte tijd daarna was de Nederlander in de diepte verdwenen, met de kiel naar boven. Kapitein weigert verklaring; De kapitein van de Casino wenst blijkbaar niet op het verwijt van de leden van zijn bemanning te reageren. Hij wenste ons zelfs vanmorgen niet te woord te staan, hoewel wij gaarne uit zijn mond de juiste toedracht hadden willen vernemen. De enige tot de leiding gevende figuren aan boord behorende schepelingen, die wel iets wilde zeggen, was de eerste stuurman O. Nanninga uit Hamburg. Hij zeide ons, dat het tijdens de ramp, die de Carpo heeft getroffen, spookte in het Kanaal. Hoewel men aan boord van de Casino zelf de handen vol had met de zware storm, die de golven zeer hoog opzwiepte, heeft men getracht de Carpo zo dicht mogelijk te benaderen, nadat men de brandende f'akkel en andere noodsignalen had waargenomen. De officieren zijn er niet in geslaagd de naam van het in nood verkerende schip vast te stellen. Wel menen enkelen aan boord vaag een ster in de schoorsteen te hebben gezien. Inderdaad is dit het embleem van de rederij. Op een gegeven moment heeft men aan boord van de Casino gezien, dat de lichten op het zinkende schip uitgingen. Met behulp van zoeklichten heeft men nog kunnen vaststellen dat het schip op zijn zij lag. Ten slotte heeft men alleen nog de rode kiel van de Carpo gezien. Het laatste dat men heeft waargenomen was het licht van een mottorreddingssloep, die geheel ten prooi was aan de hoog opslaande golven. Dat was om 1.30 uur in de nacht van Vrijdag op Zaterdag.
Het Vrije Volk 30-11-1954: Kustvaarder „Carpo" met twaalf man ondergegaan. Passerend schip voer door! Met twaalf man aan boord is de kustvaarder „Garpo" van de N.V. Maatschappij Zeevaart van de rederij Hudig en Veder te Rotterdam - naar eerst thans mag worden aangenomen - in de nacht van Vrijdag op Zaterdag op zeventien mijl van Lizzard Head (Cornwall, Engeland) vergaan. Zoeken is gestaakt; (Van onze verslaggever) Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid had hulp geboden kunnen worden, indien de kapitein van het Liberiaanse schip „Casino", die ter elfder ure gemeld heeft dat hij en zijn bemanning op dezelfde plaatseen coaster hebben zien zinken, geen opdracht had gegeven om door te varen. De reddingboot van Coverack heeft twee stoffelijke overschotten geborgen. Een ervan is geïdentificeerd als dat van de 27-jarige matroos A. van Drongelen uit Rotterdam, een opvarende van de „Carpo", Het tweede lichaam is dat van een man van even in de twintig. Twee dagen lang hebben vliegtuigen van de RAF en schepen in de omgeving , van Lizzard naar de verdwenen kustvaarder gezocht. De vliegtuigen zijn teruggekeerd naar hun basis Cornwall. De schepen zijn onverrichterzake in Falmouth binnengelopen. Zoeken gestaakt. Het zoeken is gestaakt: de „Carpo" is opgegeven. Was het schip niet gezonken, men had het deze dagen moeten vinden — aldus zei ons Maandagavond de agent van Lloyds te Falmouth tijdens een telefonisch interview. Het laatste rapport, dat de Lloydsagenten van Falmouth hebben uitgegeven Maandagavond zegt in strikt ambtelijke taal alles wat er tot nu toe van het drama bekend is geworden. Twee lijken; „Het is thans duidelijk," aldus het rapport, „dat de als A.van Drongelen geïdentificeerde zeeman zich aan boord van de Nederlandse kustvaarder „Carpo"," 494 ton, vertrokken uit Swansea op 25 November en op weg naar Amsterdam, bevond. Het Nederlandse motorschip „Henri Denny" gaf de radiografische boodschap dat het twee lijken had zien drijven op veertien en een halve mijl oostelijk van Lizzard.
De reddingboot van Coverack werd uitgezonden en bracht de beide stoffelijke resten binnen. Eén daarvan is nog niet geïdentificeerd. Men moet aannemen dat het een man van juist twintig jaar was. Het schip is gezonken. De Carpo behoorde toe aan de NV Maatschappij Zeevaart van de rederij Hudig en Veder te Rotterdam en mat 494 bruto register ton. Ze was geladen met kolen. Nederlandse zeelieden in Fallmouth hebben vandaag het stoffelijk overschot van de matroos Van Drongelen geïdentificeerd. Men kan slechts gissen hoe de zaak zich heeft toegedragen. De Carpo bevond zich aan.de uiterste punt van Cornwall, kaap Lizzard, toen de ramp plaatshad. Na de nacht van Donderdag op Vrijdag heeft de rederij niets meer van de kustvaarder gehoord. Dat was de oorzaak, waarom de reders zich reeds twee dagen ernstig ongerust maakten omtrent het lot van het schip. Tijdens een interview zeide ons de heer J. Hudig, een der directeuren van de rederij waartoe de Carpo behoorde: „Daar het zeer onwaarschijnlijk is, dat een plichtsgetrouw gezagvoerder als kapitein P. Douw na zulk een zwaar weer geen radiografisch contact met ons zou zoeken en het schip bovendien veel over tijd is, moeten wij thans wel aannemen, dat de „Carpo" is vergaan. Onze ongerustheid groeit iederuur tot groter zekerheid." 'Geen oordeel' Gevraagd naar zijn mening omtrent het optreden van de Duitse kapitein van de „Casino", zei de heer Hudig: „Dit is een uiterst moeilijk punt. Daar kunnen wij nu nog geen oordeel over vellen. Men dient in ieder geval in aanmerking te nemen dat de Lizzard-hoek uiterst gevaarlijk vaarwater is." Verder wenste de heer Hudig op dit ogenblik nog geen nader commentaar te leveren. De Carpo was een nog nieuw schip: het werd in 1949 afgebouwd op de scheepswerf De Vooruitgang in Foxhol. Kapitein van ,Casino' kan vervolgd worden Rivierpolitie stelt een onderzoek in
(Van een onzer verslaggevers) Onze publicatie in ons blad van gisteren over de gebeurtenissen met de „Casino," het onder Liberiaanse vlag varende schip, dat geen enkele poging zou hebben ondernomen (volgens de verklaringen van een groot deel der Casino-bemanning) om de in nood verkerende bemanning van de kustvaarder „Carpo" ter hoogte van Lizzard Head (West-Erigeland) te redden, heeft in brede kringen verontwaardiging gewekt. Men vraagt zich nu af, of en welk onderzoek naar de gedragingen en eventuele tekortkomingen van kapitein en eerste stuurman van de „Casino" zal worden ingesteld. De bemanningsleden hadden het plan een aanklacht tegen de kapitein en eerste stuurman in te dienen. Wie deze kapitein is wilde men ons van de zijde van de agent der Liberiaanse reder niet zeggen. Wel deelde men ons mede, dat de „Casino" waarschijnlijk binnen 36 of 48 uur weer zee dacht te kiezen. De vraag rust, of de kapitein in Nederland aan een verhoor kan worden onderworpen. Wjj vernemen daar omtrent, dat deze ongenoemde kapitein een zogenaamde scheepsverklaring over het voorgevallene zal afleggen ten overstaan van het dispatchbureau mr. G. Nauta - aan de Wijnhaven 11 te Rotterdam. Deze verklaring zal worden geregistreerde en waarschijnlijk door de Raad voor de Scheepvaart worden opgevraagd. De bemanning kan een dergelijke scheepsverklaring niet afleggen en doen registreren. Wel kan de bemanning een verklaring bij wijze van aanklacht indienen bij de Scheepvaartinspectie, 2e district Veerhaven 4. Het blijft dan de vraag in hoeverre een dergeliike verklaring aanleiding kan zijn de kapitein aan een eventueel verhoor, te onderwerpen en hem te dien einde in de Rotterdamse haven vast te houden. Maar de zaak is uiterst ingewikkeld. De kapitein is een Duitser en het schip heeft de Liberiaanse nationaliteit. Ingewikkeld; In Nederland vindt men in het zeerecht twee bepalingen ten aanzien van doorvaren, wanneer men bemerkt dat een ander schip in nood verkeert. De eerste is van de ernstigste aard. Het doorvaren na een aanvaring zonder de aangevarene hulp te bieden, is een misdrijf, dat uiterst zwaar telt. Dit geval is niet van toepassing op de zaak Casino – Carpo. Wat wel van toepassing zou kunnen zijn, wanneer mocht blijken dat de Casino inderdaad is doorgavaren is de tweede bepaling: Het doorvaren, wanneer men bemerkt dat een ander schip in nood verkeert, is een overtreding waarop voor de verantwoordelijke gezagvoerder een straf bestaat van ten hoogste drie maanden. Was dus de „Casino" een Nederlands schip met een Nederlandse kapitein geweest, dan zou men onmiddellijk een gerechtelijk onderzoek hebben ingesteld. Het instellen van zulk een onderzoek wordt thans — met de kwestie der nationaliteiten — aanzienlijk veel moeilijker. In de eerste plaats zal men moeten maken of hier de Liberiaanse dan wel de. Duitse wetgeving moet worden toegepast. Heeft men dat eenmaal uitgemaakt, dan moet nog blijken of deze wetgeving van deze landen evenals die van Nederland een bepaling over het niet hulp bieden kent. Is dat zo, dan zou het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek aan het desbetreffende land tot vervolging van de kapitein kunnen doen. Het staat vast, dat Duitsland een dergelijke bepaling kent. Hoe het echter met Liberia zit — dat slechts een schijn-vloot heeft: er bestaat geen enkele echt Liberiaans schip — weet niemand. Het schijnt dat de scheepvaart-wetgeving daar nog geheel in de kinderschoenen staat. Het zal evenwel voor de nabestaanden van de slachtoffers belangrijk, zijn, dat deze zaak tot op de grond, toe wordt uitgezocht. Zo juist vernemen wij, dat de Rotterdamse Havenpolitie onder leiding van inspecteur Tamboer een onderzoek aan boord van de „Casino" heeft ingesteld. Verscheidene bemanningsleden hebben verklaringen omtrent de toedracht van de onbegrijpelijke gebeurtenissen nabij Lizzard Head. Behalve de Rivierpolitie is ook de Scheepvaartinspectie met een onderzoek begonnen. Het is uiteraard op dit ogenblik niet te zeggen, of en in hoeverre beide onderzoekingen aanleiding zullen geven tot de een of andere vorm van vervolging van de kapitein, hetzij voor de Raad voor de Scheepvaart; hetzij voor de gewone strafrechter. In elk geval kan de Nederlandse justitie niet zonder goedkeuring van de Duitse instanties tot vasthouding of vervolging van de „Casino" kapitein overgaan. Nieuwe bemanning. De Scheepvaartinspectie zal het resultaat van haar onderzoek voorleggen aan de Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam. Vermoedelijk zal de„Casino" Woensdagavond uitvaren. Een groot deel van de bemanning heeft afgemonsterd. Zij bestaat geheel uit Duitsers. Dit deel der bemanning, men noemt een aantal van 15 tot 20 man, wenst niet meer onder deze gezagvoerder te varen. De uitreis uit de Rotterdamse haven zal dus eventueel met een grotendeels nieuwe bemanning moeten worden gemaakt. Voorts vernemen wij, dat de generaal-vertegenwoordigers van de Liberiaanse rederij, de Hamburgse rederij Joch, vandaag eveneens naar Rotterdam zijn gekomen „om de belangen van de Libriaanse rederij te behartigen". Maar ook zij zullen zich op de hoogte laten stellen van wat er zich daar bij Lizzard Head werkelijk heeft afgespeeld.
De waarheid 30-11-1954:Nog steeds schepen in nood. Nederlands m.s. „Carpo” (12 man) vergaan. Duitse kapitein weigerde hulp! Den Haag, 29 November. — Gisteravond had in Amsterdam het 494 ton metende m.s. „Carpo" moeten aankomen, een schip van de N.V. Maatschappij „Zeevaart". Hedenmiddag was het schip nog niet voor IJmuiden gearriveerd. Het vermoeden, dat het schip vergaan is, werd bevestigd door het feit, dat uit het Kanaal voor de kust van Cornwall twee stoffelijke overschotten zijn opgehaald, waarvan er een geïdentificeerd is als dat van de 27-jarige matroos A. van Drongelen. Drama op zee. In de nacht van Vrijdag op Zaterdag heeft men, zoals men weet, op het Liberiaanse schip Casino, een onbekend schip zien zinken ter hoogte van Falmouth aan de kust van Cornwall. Dit moet de Carpo zijn geweest. De Casino is intussen te Vlaardingen aangekomen. Bij de aankomst bleek, dat er een conflict tussen de kapitein en de bemanning van de Liberiaan was geweest. De (Duitse) kapitein van het schip heeft namelijk geen hulp willen verlenen aan het in nood verkerende vaartuig. Kapitein liet doorvaren... De Casino passeerde Vrijdagnacht, ongeveer 17 mijl van kaap Lizzard een zinkend schip, dat SOS- seinen uitzond. Twee opvarenden waren reeds in een der reddingssloepen gegaan. Zonder daartoe order te hebben ontvangen, draaide de bemanning van de Casino bij, zodat het andere schip tot vijftig a zestig meter genaderd werd. De kapitein noch één der andere officieren, die zich op de brug bevonden, gaven echter order om bij te draaien of hulp te verlenen. Uit eigen beweging maakte de bemanning toen lijnen en een loodssloep gereed en richtte een schijnwerper op de woedende golven. De kapitein liet doorvaren en de afstand tussen beide schepen werd steeds groter. ... Volgens de bemanning was er voor de „Casino" geen enkel gevaar. Bovendien had het personeel van de machinekamer maatregelen genomen om olie op de golven te werpen, als de zee te ruw mocht worden. Maar de Duitse kapitein trok zich niets van de Nederlandse schipbreukelingen aan. Deze houding is voor 23 leden van de bemanning aanleiding geweest om hun, ontslag te vragen. Zij zullen vandaag een klacht indienen bij de Liberiaanse consul in Rotterdam. De naam van het zinkende vaartuig heeft men van de „Casino" af niet kunnen ontdekken. Het schip had een zwarte schoorsteen met witte band en vermoedelijk een blauwe ster. Dit klopt met het signalement van het Nederlandse schip „Carpo". Nader wordt gemeld, dat de rederij alle hoop heeft opgegeven, dat de „Carpo" behouden is gebleven. Aangenomen moet worden dat allen zijn omgekomen. Het Finse schip „Gustav" maakte Maandag ten Noorden van de Kanaaleilanden slagzij. Het water drong de ruimen binnen. Van het Spaanse schip „SS 2770'" sloeg de brug weg en de radio-installatie werd vernield. De bemanning is gered door de Nederlandse treiler „Falco". Het 109 ton metende Westduitse schip „Hans Gunther" dat werd vermist is terecht. Volgens de laatste berichten wijkt het water in Engeland. Rondom Londen zijn echter nieuwe overstromingen opgetreden. De Theems trad aan de bovenloop buiten de oevers. Voor het laatste nieuws over het optreden van de kapitein verwijzen wij naar pag. 5. De bemanning: Amsterdam, 30 Nov. — De bemanning van de „Carpo" bestond uit de volgende personen: Kapitein A. Douw, 63 jaar, uit Krimpen aan de Lek. Eerste stuurman J. ter Voort, 24 jaar uit Amsterdam. Tweede stuurman H. Loubert, 22 jaar uit Geleen. Eerste machinist A. Peters, 32 jaar uit Rotterdam. Tweede machinist I. Tessensohn, 21 jaar uit Den Haag. De kok M. Brasser, 26 jaar uit Rotterdam. Matroos J. Daalmeijer, 18 jaar uit Schiedam. Matroos C. Keidenier, 18 jaar uit Goes. Matroos A. van Drongelen, 27 jaar uit Rotterdam. Matroos onder de gage H. Muller, 17 jaar uit Den Haag. Logiesjongen J. Schrammeyer, 15 jaar uit Rotterdam. Matroos C. Witkamp, 24 jaar uit Rotterdam. Laatste nieuws. ( pag. 5.) Bemanning wil niet meer onder hem varen. (Van onze speciale verslaggever) Vlaardingen, 30 November. — De kapitein van de onder Liberiaanse vlag varende tanker „Casino" is vanmiddag om omstreeks half één van boord gegaan om bij de scheepvaart-inspectie een verklaring af te leggen omtrent de gebeurtenissen die zich in de nacht van Donderdag op Vrijdag hebben voorgedaan. Aan boord van het schip, dat aan steiger 1 bij de kade van Pakhuismeesteren te Vlaardingen ligt gemeerd, werd vanmorgen niet gewerkt. Slechts enige lichtmatrozen en leden van het kombuispersoneel waren bezig met het aan boord brengen van levensmiddelen.
Alle opvarenden van de „Casino" zijn nog aan boord. Zij wachten op de komst van een bestuurder van hun organisatie. Ze zijn echter niet van plan onder de huidige gezagvoerder te blijven varen. Vanmorgen is een aantal opvarenden door een inspecteur van de scheepvaartinspectie gehoord. „De kapitein kan een rare pijp te roken krijgen", vertelde ons een walarbeider van Pakhuis- meesteren. Algemeen heerst grote verontwaardiging over het optreden van de Duitse kapitein. Naar wij vernemen zijn vertegenwoordigers van de rederij van de Casino te Vlaardingen aangekomen.
Algemeen Handelsblad 01-12-1954: 30 November 1954 Met groot leedwezen geven wij kennis, dat wij als vaststaand moeten aannemen, dat alle opvarenden van ons m.s. „Carpo" bij het vergaan van dit schip in de nacht van 26 op 27 November om het leven zijn gekomen. Directie en Commissarissen N.V. Maatschappij Zeevaart. Rotterdam, 1 December 1954.
NvhN 01-12-1954: „Carpo had geholpen kunnen worden” Bemanning van de Casino houdt voet bij stuk. Rotterdamse mening: „Tanker is uiterst kwetsbaar schip”
De kapitein had, zo menen verscheidene leden van de Casino-bemanning, de plaats niet mogen verlaten, maar minstens het daglicht moeten afwachten om naar eventuele overlevenden te zoeken. Was er in die tijd een ander, gemakkelijker hanteerbaar schip dan deze tanker zelf voorbij gekomen, dan had men misschien de taak der redding aan het andere vaartuig kunnen overlaten. Als bekend ligt de Casino thans te Vlaardingen. In scheepvaartkringen te Rotterdam verwerpt men de mening van de Casino-kapitein Krammer niet geheel en al. Deze zou zich hebben verontschuldigd voor zijn bevel tot doorstomen, door te zeggen dat zijn schip zelf in gevaar verkeerde en er ook onder de gegeven omstandigheden niet goed gemanoeuvreerd kon worden. Het is vooral bij stormweer met een tankboot moeilijk manoeuvreren en een tankboot is kwetsbaarder dan schepen van ander model, getuige de door midden gebroken Liberiaanse tankboot World Concord, die ook slachtoffer van de jongste orkaan is geworden.
Het merendeel van de (Duitse) bemanning: van de Liberiaanse tanker Casino houdt vol, dat er wel meer pogingen tot redding van de Carpo bemanning hadden ondernomen kunnen worden. De Nederlandse coaster Carpo verging in de nacht van Vrijdag op Zaterdag bij Zuid- Wesr-Engeland; alle twaalf opvarenden kwamen hierbij om het leven, hoewel men van de Casino af op korte afstand het drama zag gebeuren.
NvhN 02-12-1954: Bemanning blijft halstarrig. Kapitein van Casino: „Ik heb al het mogelijke gedaan” Nog steeds rumoer om vergaan van de Carpo.
De Duitse kapitein van het Liberiaanse schip Casino, Franz Krammer, verklaarde gisteren te Rotterdam, dat hij en zijn officieren al het mogelijke hebben gedaan om Vrijdagnacht j.l. de bemanning van de Nederlandse coaster Carpo bij Zuid- West-Engeland te redden. Als bekend verging dit schip; alle twaalf opvarenden zijn omgekomen. De mening heerst, dat Krammer c.s. geen hand naar de Carpo-bemanning hebben uitgestoken.
De meeste bemanningsleden van de Casino zijn deze mening zeker toegedaan. Het staat nu wel vast, dat er een zo goed als geheel nieuwe bemanning wordt aangemonsterd. Zowel de rederij als de agenten en de ontvangers hebben hun volledig vertrouwen in kapitein en officieren — met uitzondering dan van de marconist, die zich aan het hoofd van de „stakers" schijnt te hebben gesteld — uitgesproken, gehoord hun verklaringen. Er is nog geen melding uit Hamburg ontvangen dat er een nieuwe bemanning — die per trein komt — onderweg is, zodat het vertrek uit Rotterdam nog wel even zal duren. Slechts drie mannen van de oude equipage, dek- en machinepersoneel, blijven de Casino trouw. Krammer verklaarde o.m., dat de Casino eerst de Carpo wilde benaderen aan lij; desondanks werd de Casino naar stuurboord gedreven. Er was intussen reeds groot alarm gegeven, touwladders en lijnen waren in gereedheid gebracht en er werd overwogen om olie uit de lading overboord te pompen om een deel van de zee enigszins te kalmeren. Zover kwam het echter niet, omdat het de Casino niet gelukken mocht dicht genoeg bij te komen. Toen men na enige tijd toch nog vrij dicht genaderd scheen te zijn, ondanks de stortzeeën, die over het dek sloegen, doofde plotseling alle licht van het in nood verkerende schip. Nog even scheen het, alsof er een bootje met een klein lichtje ergens ronddreef, maar ook dit licht verdween plotseling en het werd aardedonker rondom de Casino. Met de schijnwerpers werd de watervlakte afgezocht, zo vervolgde de kapitein, maar we bespeurden niets dan water. De Casino stoomde vervolgens, voor zover onder deze omstandigheden mogelijk was, naar de plaats des onheils en stopte daarna. Overal aan boord werd uitgekeken of er schipbreukelingen te zien waren, maar niemand gaf te kennen dat hij iets zag, behalve dan enkele wrakstukken.
„Verandering van spijs ..." De ontevredenheid van de bemanning verklaarde men daaruit, dat het ook op de heenreis al zwaar weer was geweest, hetgeen extra zwaar werk had meegebracht. Bovendien was er een nieuwe kok aan boord gekomen en verandering van menu geeft wel eens onaangenaamheden. De gehele „rel" — zo meende de kapitein — was opgezet door twee of drie man. Ruim twintig leden van de bemanning hebben ontslag genomen. Het merendeel hunner reist voor eigen rekening naar Hamburg terug, enkelen blijven echter te Rotterdam om aller belangen te behartigen. „Wij willen weten" — verklaarden de mannen — „wie er gelijk heeft, de kapitein of wij. Maar het kan nog wel drie maanden duren vooraleer dit uitgezocht is. Onder de gegeven omstandigheden vertrouwen wij ons niet meer aan deze scheepsleiding toe."
Algemeen Indisch dagblad 02-12-1954: De zaak „Casino-Carpo”. Kapitein Kramer ontkent schuld. Fred Kramer, de Duitse kapitein van het Lyberische schip “Casino", heeft verklaard dat hij zijn schip en de bemanning in gevaar zou hebben gebracht, als hij gestopt had om de schipbreukelingen van de “Carpo", een Nederlands kustvaartuig, op te pikken. Elf opvarenden van de „Carpo" kwamen om het leven. De bemanning van de “Casino" liep in Rotterdam van boord uit protest tegen de houding van de kapitein en besloot een zaak aanhangig te maken. Zij kunnen dit echter niet in Nederland doen, om. dat volgens de Nederlandse wet geen strafbaar feit gepleegd is als men een schip in nood niet te hulp komt. Zij kunnen de zaak aanhangig maken in Duitsland of in Lybië.
Het Vrije Volk 02-12-1954: „Casino" (met twaalftal nieuwe zeelui) naar Antwerpen. Marconist houdt voet bij stuk. (Van een onzer verslaggevers) Twaalf uit Hamburg overgebrachte Duitse zeelieden hebben de aanvulling geleverd voor het gat in de bemanningssterkte van de „Casino", dat ontstaan is, doordat gistermiddag negentien opvarenden van de oude crew besloten: „Wij blijven er bij niet onder kapitein Franz Krammer te varen." Gisteravond om zeven uur hebben deze negentien manschappen definitief afgemonsterd. Zij verlieten het schip en hedenmorgen zouden zij per trein naar Hamburg vertrekken. Zij betalen hun eigen reiskosten. In Hamburg hopen zij hun zaak voor de bevoegde rechterlijke instantie te kunnen brengen. De marcornist Hampe, die de woordvoerder van deze afgemonsterde bemanning is, verklaarde bij zijn vertrek: „Onder deze kapitein kunnen wij niet blijven varen. We hebben op vorige reizen geen bepaalde moeilijkheden met de scheepsleiding gehad. Wij blijven er echter bij, dat de “Casino" meer had moeten doen. De boot was sterk genoeg om het risico van verdere hulpverlening te nemen. Wij hadden op zijn minst in de buurt van het wrak moeten blijven en door krachtiger optreden hadden wij wellicht enkele bemanningsleden van de „Carpo" kunnen redden."
Door de verklaringen, die zowel de kapitein van de „Casino" als de eerste stuurman Nanninga hebben afgelegd, was marconist Hampe in het geheel niet van zijn standpunt afgebracht. „Wij hopen," zei hij, „dat de zaak in Hamburg ernstig zal worden onderzocht en wij vrezen de uitspraak van de rechter niet." De „Casino" zou in de loop van vandaag de Rotterdamse haven verlaten met bestemming Antwerpen. De tanker staat weer onder gezagvoering van kapitein Krammer.
De tijd 06-12-1954: De ramp met de „Carpo”. Gezagvoerder „Casino" kon niet helpen. De radiotelegrafist van de „Casino" heeft een te eenzijdig beeld gegeven van het voorgevallene ter hoogte van de Engelse Zuidkust, waarbij het Nederlandse kustvaartuig „Carpo" met man en muis is vergaan, terwijl de (onder Liberiaanse vlag varende) „Casino" dicht in de buurt was. De gezagvoerder van de „Casino" heeft geen hulp kunnen verlenen aan de zinkende „Carpo", daar zijn eigen (Duitse) bemanning, alsmede het schip en de lading, hierdoor te veel risico zouden lopen", aldus een Zondagavond op schiphol door de heer W. B. Chatfield, personeelschef van de „Keystone Shipping Company", die de belangen in de Verenigde Staten van de rederij, die eigenaresse is van de „Casino", behartigt, afgelegde verklaring. „De stemming aan boord van de „Casino" liet reeds te wensen over. Er bestond reeds geruime tijd een vete tussen de gezagvoerder en de machinist. Men heeft deze aangelegenheid aangegrepen, om de gezagvoerder in discrediet te brengen", aldus de heer Chatfield. Hij deelde nog mede met de eigenaar van het Nederlandse schip over het gebeuren te hebben gesproken. „Deze deelt geheel onze mening", aldus de heer Chatfield, Drie Duitse bemanningsleden van het Liberiaanse tankschip „Casino" hebben Zaterdag te Antwerpen het schip verlaten bij wijze van protest, omdat de kapitein geweigerd zou hebben schipbreukelingen van de vergane Nederlandse kustvaarder „Carpo" te helpen. Enkele dagen eerder had, zoals gemeld, reeds een aantal Duitse opvarenden het schip te Rotterdam verlaten. De derde officier, de eerste machinist en de eerste hofmeester verzochten Zaterdag te Antwerpen naar Duitsland te reizen.
Het Vrije Volk 18-12-1954: Voer kapitein te gauw door ? Twee man van 'Casino' citeren logboek. Twaalf man gingen eind November ten onder, met de „Carpo", de „Casino", een in Hamburg thuishorende tanker, zag het — in storm en schemerduister — gebeuren. Had dit schip kunnen helpen? Heeft de Duitse kapitein te vroeg,het sein tot doorvaren gegeven en zijn daardoor Nederlanders onnodig aan de verdrinkingsdood prijsgegeven? Deze vraag duikt opnieuw op in een ingezonden stuk, dat de stoker en de purser van de „Casino"" hebben gestuurd aan het „Hamburger Abendblatt". Deze bemanningsleden schrijven o.a.:
„Het ging om twaalf mensen, die met de zee vochten. Kon een tanker van 11.000 ton deze mensen niet helpen, ondanks kort zicht en hoge zeegang? Laten we de feiten spreken aan de hand van het logboek: 23.34 stop, 23.35 langzaam voorwaarts, 23.38 halve kracht., voorwaarts, 23.40 volle kracht voorwaarts, 23.56 langzaam voorwaarts, 0.01 volle kracht voorwaarts. Einde van de reddingpoging... Op het dek klampten zich ondertussen met levensgevaar een matroos, een stoker, twee lichtmatrozen en een steward aan de reling vast. Zij hielden touwen en ander reddingmaterieel gereed om onder leiding van de bootsman, een zeeman met zeer grote ervaring, de bij het m.s. Casino ronddrijvende schipbreukelingen, die met zaklantaarns seinen gaven, te redden. Ons schip stopte echter niet en zette zijn reis voort."
Deze brief, die wat de gegevens uit het logboek betreft een nieuw element in de zaak schijnt te brengen, is ondertekend door de stoker R. Ernemann en de purser A. Keep, beiden uit Hamburg.
De Telegraaf 24-01-1955: Hamburgs rechtscollege over zeeramp „Carpo". Kapitein “Casino”beschuldigd van nalatigheid. „Al het mogelijke niet gedaan"
Hamburg. Maandag. (United Press). De Raad van Scheepvaart te Hamburg heeft de Duitse kapitein Kramer van het onder Liberiaanse vlag varende schip “Casino" schuldig bevonden aan nalatigheid ten opzichte van een poging tot redding van de bemanning van de Nederlandse kustvaarder “Carpo", welk schip op 12 November op de Noordzee met 12 man ten onder ging. De Raad bepaalde, dat Kramer niet al het mogelijke had gedaan" om de in verdrinkingsgevaar verkerende bemanning van de „Carpo" te redden, hoewel het “onmogelijk" zou zijn geweest een reddingboot uit te zetten op de hoge zee. De Duitse kapitein had in de buurt moeten blijven voor geval er overlevenden uit zee opgepikt hadden kunnen worden. Zijn schip was slechts 300 meter van de in nood verkerende kustvaarder, toen Kramer in plaats van reddingspogingen te ondernemen doorvoer naar Rotterdam. Meer dan de helft van zijn bemanning beschuldigde hem van “lafheid". Acht monsterden in Rotterdam uit protest af. Kramer verscheen vrijwillig voor de Raad, die niet de bevoegdheid heeft straf op te leggen.
Het Vrije Volk 03-02-1956: Insp.generaal: verbijsterend! „Casino" voer door toen „Carpo" zonk. Op 27 november 1954 is het motorschip „Carpo" van de maatschappij Zeevaart, bij Lizard Head in de storm met man en muis vergaan. Destijds heeft deze zaak grote ruchtbaarheid gekregen omdat spoedig bleek, dat het Liberiaanse tankschip „Casino" op enkele honderden meter afstand van de „Carpo" was geweest toen dit schip naar de bodem van de zee verdween, maar doorgestoomd was.
Het Seeamt Hamburg heeft naar de gedragingen van de met een Duitse licentie varende kapitein van de „Casino" — de bemanning bestond verder geheel uit Duitsers — geruime tijd geleden een onderzoek ingesteld en is tot de conclusie gekomen, dat de „Casino" ondanks de storm in de buurt van de zinkende „Carpo" had moeten blijven en dat dit het gevaar voor de „Casino" zeker niet vergroot zou hebben. In de uitvoerige uitspraak zegt het Seeamt verder, dat het zoeken naar overlevenden slechts enkele minuten heeft geduurd en dat de „Casino" toen doorgestoomd is. Het Seeamt kan zich volkomen indenken, dat een deel van de bemanning van de „Casino" in de eerste de beste haven van boord is gegaan, omdat men het vertrouwen in de leiding had verloren.„Terwijl de bemanning op haar post stond, bleef de kapitein besluiteloos op de brug. Hij heeft geen poging gedaan om een lijn over te schieten, omdat naar zijn verklaring, het schiettoestel niet in orde was. Maar bovendien heeft hij niet getracht dichter bij de zinkende ,Carpo' te komen of reddingboeien uitgeworpen." .... Deze aanhalingen uit de uitspraak van het Seeamt werden vanmiddag voorgelezen bij het openbare onderzoek naar de oorzaak van deze scheepsramp door de Raad voor de Scheepvaart. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart, de heer C. Moolenburgh ging de beschikbare gegevens na. Hij zei “Er is geen enkele aanleiding te denken, dat de „Carpo" door een constructiefout ten onder is gegaan." Hij zei tot de conclusie te zijn gekomen dat het ontbreken van de schotten, die het verschuiven van de lading naar beide zijden moeten tegengaan, niet tot het ongeluk heeft geleid. De „Carpo" was uitgerust met de modernste reddingsmiddelen, maar toch heeft men alleen een SOS-sein van de handseinlamp gezien! De heer Moolenburgh vroeg zich af waarom men niet getracht heeft radiotelefonisch hulp in te roepen, vooral omdat men zich vlak onder de kust bij Lizard bevond. „Een van de zwakke punten bij de radiotelefonie is de antenne tussen twee masten. Hoe gemakkelijk niet slaat deze antenne stuk in de storm. Tegenwoordig heeft men op sommige buitenlandse schepen een antenne, die slechts aan een mast bevestigd is." De heer Moolenburgh vroeg zich af of het misschien wenselijk is dit systeem op onze kustvaarders over te nemen. Over de gedragingen van de „Casino" zei de heer Moolenburgh o.m. „Het ergste is, dat de „Casino", ziende, dat zich een sloep met enkele mensen van de „Carpo" losmaakte, doorgestoomd is. Dat is verbijsterend!” De uitspraak van het Seeamt noemde hij vernietigend voor de kapitein van de „Casino". De heer Moolenburgh besloot met de woorden, dat slechts gissingen gemaakt kunnen worden naar de oorzaak van de ramp. De Raad zal zijn mening binnenkort schriftelijk bekend maken.
Algemeen Handelsblad 03-02-1956: Behandeling voor Raad van de Scheepvaart: Carpo verging met man en muis en de Casino stoomde door.
Op 27 november 1954 is het motorschip Carpo van de Maatschappij Zeevaart bij Lizard Head in de storm met man en muis vergaan. Deze zaak kreeg grote ruchtbaarheid, omdat spoedig bleek, dat het Liberiaanse tankschip Casino op enkele honderden meters afstand van de Carpo was geweest, toen dit schip naar de bodem van de zee verdween, maar was doorgestoomd. Het Seeamt Hamburg heeft naar de gedragingen van de met een Duitse licentie varende kapitein van de Casino — de bemanning bestond verder geheel uit Duitsers — geruime tijd geleden een onderzoek ingesteld en is tot de conclusie gekomen dat de Casino ondanks de storm in de buurt van de zinkende Carpo had moeten blijven en dat dit het gevaar voor de Casino zeker niet vergroot zou hebben. In de uitvoerige uitspraak zegt het Seeamt verder, dat het zoeken naar overlevenden slechts enkele minuten heeft geduurd en dat de Casino toen doorgestoomd is. Het Seeamt kan zich volkomen indenken, dat een deel van de bemanning van de Casino in de eerste de beste haven van boord is gegaan, omdat men het vertrouwen in de leiding had verloren. „Terwijl de bemanning op haar post stond, bleef de kapitein besluiteloos op de brug. Hij heeft geen poging gedaan om een lijn over te schieten, omdat naar zijn verklaring, het schiettoestel niet in orde was. Maar bovendien heeft hij niet getracht dichter bij de zinkende Carpo te komen of reddingsboeien uitgeworpen". Deze aanhalingen uit de uitspraak van het Seeamt werden gisteren voorgelezen bij het openbare onderzoek naar de oorzaak van deze scheepsramp door de Raad voor de Scheepvaart. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart, de heer C. Moolenburgh sprak zijn leedwezen en medeleven uit met de nabestaanden van de twaalf opvarenden van de Carpo, die het zeemansgraf vonden Vervolgens ging de heer Moolenburgh de beschikbare gegevens na . Hij zei o.m.: „Er is geen enkele aanleiding te denken, dat de Carpo door een constructiefout ten onder is gegaan". Het schip had een lading van 680 ton antraciet maar er waren geen gevelingsschotten aangebracht. De heer Moolenburgh zei tot de conclusie te zijn gekomen dat ook het ontbreken van deze schotten, die het verschuiven van de lading naar beide zijden moeten tegengaan, niet tot het ongeluk heeft geleid. Na de ramp van de Carpo heeft men bij een ander schip van deze maatschappij, dat met eenzelfde lading onder identieke omstandigheden had gevaren, geconstateerd, dat de lading niet had pewerkt. Op de Casino heeft men op een afstand van 200 a 300 meter gezien, dat de Carpo in koplast lag. De heer Moolenburgh ging na hoe dit kan zijn ontstaan. Mogelijk zijn de afsluitingen van de luchtkokers op de bak stukgeslagen en is daardoor het water naar binnen gekomen. Het verdient dan ook aanbeveling er op te letten, dat deze afsluitingen voldoende zijn bevestigd. De afsluiting van de kettingkokers is ook kwetsbaar en het zou nuttig zijn indien bij nieuwe schepen deze kokers zover boven het dek uitsteken, dat het mogelijk is een goed sluitend manchet aan te brengen. De Carpo was uitgerust met de modernste reddingsmiddelen, maar toch heeft men alleen een SOS-sein van de handseinlamp gezien. De heer Moolenburgh vroeg zich af waarom men niet getracht heeft radiotelefonisch hulp in te roepen, vooral omdat men zich vlak onder de kust bij Lizard bevond. „Een van de zwakke punten bij de radiotelefonie is do antenne tussen twee masten. Hoe gemakkelijk niet slaat deze antenne stuk in de storm. Tegenwoordig heeft men op sommige buitenlandse schepen een antenne, die slechts aan een mast is bevestigd. De heet Moolenburgh vroeg zich af of het misschien wenselijk is dit svsteem op onze kustvaarders over te nemen. Over de gedragingen van de Casino zei de heer Moolenburgh o.m.: „het ergste is dat de Casino, ziende dat zich een sloep met enkele mensen van de Carpo losmaakte, is doorgestoomd. Dat is bevestigd. De heer Moolenburgh: Seeamt noemde hij vernietigend voor de kapitein van de Casino. De heer Moolenhurgh besloot met de woorden, dat slechts gissingen gemaakt kunnen worden naar de oorzaak van de ramp. De raad zal zijn mening binnenkort schriftelijk bekend maken.
Algemeen Handelsblad 15-03-1956: De ondergang van de Carpo.Liberiaanse tanker liet zinkend schip in de steek. (Van een onzer verslaggevers) De Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam heeft uitspraak gedaan inzake het vergaan van het m.s. Carpo tijdens zwaar stormweer in de nacht van 26 op 27 november 1954 bij Lizard Head, waarbij de bemanning van 12 personen om het leven kwam. Het schip was, beladen met kolen, op reis van Swansea naar Nederland. De Carpo, eigendom van de N.V. Mij Zeevaart te Rotterdam, stond onder bevel van een bekwame gezagvoerder; het schip was goed beladen en de lading zou niet zijn overgegaan. In deze rampnacht was het Liberiaanse tankschip Casino in de nabijheid van de Carpo geweest. Doch hoewel reddingsmiddelen gereed werden gehouden, is vanaf de brug geen ernstige maatregelen tot hulp of redding bevolen. De Casino naderde de Carpo die zinkende was en noodseinen gaf op volle kracht: slechts vijf minuten voer de Libertytanker langzaam. Tevoren had men op de Casino reeds gezien, dat de Carpo een boot met twee man te water liet. De Liberiaan voer door en liet het in nood verkerende schip in de steek. De Raad voor de Scheepvaart ontleent vele gegevens aan de uitspraak van het Seeamt te Hamburg; opvarenden van de Casino hadden tegen de Duitse kapitein, met wie zij niet meer wilden varen, een klacht ingediend. Het Seeamt sprak als zijn oordeel uit, dat de kapitein van de tanker de plaats van de ramp zonder noodzaak te vroeg heeft verlaten, maar dat het onzeker is of anders schip- breukelingen gered zouden zijn. De Raad voor de Scheepvaart is het daarmee eens en meent, dat de kapitein van de Casino veel te vroeg en ten onrechte is doorgevaren en zodoende een goede en gevestigde zeemanstraditie en morele plicht heeft geschonden. Ook heeft de kapitein, zolang zijn schip zich nog in de nabijheid bevond, nagelaten de door zijn bemanning gereedgehouden middelen tot redding van de schipbreukelingen daadwerkelijk toe te passen en ook overigens de hem ter beschikking staande middelen tot redding van de schipbreukelingen niet volledig uitgeput. Opgemerkt wordt, dat volgens de Nederlandse wet, die overeenkomt met wat ook in andere landen geldt, een kapitein verplicht is aan personen, die in gevaar verkeren, de hulp te verlenen, waartoe hij bij machte is, zonder zijn schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar bloot te stellen. Van zodanig gevaar is geen sprake geweest. De raad veroordeelde de houding van de kapitein van de Casino en van de eerste officier, die hem daarbij heeft gesteund.

Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van donderdag 22 maart 1956, no.59. No.17. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart inzake het vergaan van motorschip „Carpo" tijdens zwaar stormweer bij Lizard Head. Op 27 november 1954 is het motorschip „Carpo", dat met kolen was beladen, op de reis van Swansea naar Nederland tijdens zwaar stormweer nabij Lizard Head met alle opvarenden vergaan. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van dit vergaan. Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 februari 1956, in tegenwoordigheid van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart. De raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein, de 1ste stuurman en de bootsman van het Liberiaanse tankstoomschip „Casino", zomede van de scheepsverklaring van dit schip, en een rapport van de rivierpolitie te Rotterdam, houdende de verhoren van een groot aantal opvarenden van de „Casino", benevens enige correspondentie van de N.V. Maatschappij Zeevaart, te Rotterdam, en een foto van de „Carpo", een uitspraak van het Seeamt te Hamburg, enige krantenknipsels en een zakje kolen, identiek met die, welke de „Carpo" vervoerde, en een afschrift van een brief van de ambassade te Londen en van de Hollandsche Stoomboot Mij. N.V., te Amsterdam. Getuigen zijn in deze zaak niet gehoord. Uit de bescheiden is de raad het volgende gebleken: Het motorschip „Carpo" was een Nederlands schip, toebehorende aan de N .V. Maatschappij Zeevaart, te Rotterdam. Het mat 494 brutoregisterton en werd voortbewogen door een 500 pk motor. De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit 12 personen. Op 25 november 1954, te 19.45 uur, is de „Carpo", beladen met kolen, vertrokken van Swansea met bestemming Nederland. Volgens het connossement bestond deze lading uit 349 ton 18 cwt group 2 anthracite stove-nuts en 290 ton 16 cwt group 2 anthracite pea-nuts. Voor deze kolen was geen gevelingschot aangebracht. Na de belading waren de luiken vol, uitgezonderd de voorkant van luik I, waar nog ruimte was voor ongeveer 20 ton kolen. De N.V. Hollandsche Stoomboot Maatschappij heeft in e en brief meegedeeld, dat de kolen, die in Engeland „anthracite" worden genoemd, meestal slechts magere kolen zijn. De grootte der kolen wordt door de benaming goed aangegeven. Daar nuts, beans en peas gevaarlijk zijn door gemakkelijk overgaan, eist de rederij voor deze kolen gevelingschotten. De rederij van de „Carpo" schreef, dat zij van haar agent te Swansea hoorde, dat voor deze kolen nooit gevelingschotten worden gebruikt. De „Carpo" is vertrokken, doch niet te bestemder plaatse aangekomen. Doordat de Liberiaanse tanker „Casino" in de nabijheid was, toen de „Carpo" verging, is de plaats van de ramp bekend geworden, doch over de oorzaak heeft dit schip niets kunnen meedelen. De „Casino" voer op 26 november 1954 in het Kanaal op de reis van New York naar Rotterdam. De wind was west 10/11. Te 23 uur zag men recht vooruit een wit licht. Nadat koers was veranderd van 80° tot 95° r.w., zag men, dat van het andere schip s.o.s. geseind werd met een lamp. De „Casino" heeft toen b.b.-roer gegeven om naar het andere schip, dat later is gebleken de „Carpo" te zijn geweest, toe te gaan. De „Casino", die een Libertytanker is met een stoommachine van slechts 2500 pk, draaide moeilijk; zij nam veel water over. Men maakte op de „Casino" stormleren touwen en zwemvesten gereed en trachtte de „Carpo" te naderen, deze aan stuurboord houdende. De kop viel af naar stuurboord en zo voer men door met de „Carpo" aan bakboord. De „Casino" passeerde de „Carpo" op een afstand van 200 a 300 m. Men zag in het schijnsel van een zoeklicht, dat mensen op het achterdek stonden en dat een boot met twee man te water werd gelaten. Toen de „Carpo" dwars was, verloor men het schip uit zicht; de lichten verdwenen. De kapitein van de „Casino" nam aan, dat de „Carpo" was vergaan, en besloot de reis voort te zetten. Op klacht van een groot aantal opvarenden, die niet meer met deze kapitein wilden varen en zijn afgemonsterd, heeft het Seeamt te Hamburg een onderzoek ingesteld naar de wijze, waarop de „Casino" heeft getracht hulp te verlenen aan de „Carpo". Het Seeamt komt tot de conclusie, dat de kapitein van de „Casino" te spoedig het gebied van het ongeval heeft verlaten, ofschoon hij, zonder zijn schip in gevaar te brengen, langer daar had kunnen blijven. Het is echter onzeker of men opvarenden van de „Carpo" had kunnen redden. De „Casino" heeft van 0.56 tot 1.01 uur langzaam gestoomd, doch overigens steeds volle kracht, zodat van drijven laten, zoals de kapitein heeft verklaard, geen sprake is. Ook onder de bestaande omstandigheden van weer en zee had de „Casino" kunnen bijdraaien; het schip manoeuvreerde nog voldoende. Het Seeamt is van oordeel, dat zowel de kapitein als de dekofficieren een geheel gemis van besluitvaardigheid hebben getoond. Na het zinken van de „Carpo" heeft de „Casino" haar positie vastgesteld op 49°44' N—5°21' W. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart voerde aan, dat het motorschip „Carpo" met man en muis is vergaan, zonder dat bekend is wat zich aan boord heeft voorgedaan. Het Liberiaanse stoomschip „Casino" heeft iets van de ramp gezien. De „Carpo" was een goed schip en voer onder een bekwame kapitein. Het had een lading van stove-nuts en pea- nuts. Volgens artikel 97, lid 5, van het Schepenbesluit moet bij het laden van nootjeskolen de kapitein beslissen of hij een gevelingschot wil plaatsen. Bij de rederij van de „Carpo" was het niet de gewoonte dit te doen bij het vervoer van deze kolen; bij een andere rederij werd dit altijd gedaan. Er is echter geen enkele aanwijzing, dat de lading van de „Carpo" over zou zijn gegaan. Het schip was goed vol getremd en had alleen enige ruimte aan de voorkant in het ruim. De inspecteur-generaal betwijfelt of in dit geval een gevelingschot iets zou hebben geholpen en meent, dat het voorschrift thans geen wijziging behoeft. De rederij heeft dezelfde lading met motorschip „Walcheren" naar Rotterdam vervoerd. Bij aankomst bleek deze lading in het geheel niet te zijn ingezakt; deze kolen schijnen niet te werken. Het Liberiaanse stoomschip „Casino" zag op 23 november 1954 de „Carpo", die noodseinen gaf. Toen de „Casino" dit schip tot op 200 a 300 m had genaderd, zag men, dat de „Carpo" zware koplast had en een weinig slagzij over bakboord. De „Carpo" had wel op de bak een waterdicht luik, maar dat zal niet van invloed zijn geweest bij het krijgen van koplast. Voorop stonden twee afneembare paddestoelkokers. Het kan gebeuren, dat, wanneer de kokers zijn afgenomen en de potten zijn afgedekt, deze afdekking wordt stukgeslagen. Deze methode van afsluiting is vrij goed, maar zij vereist goede aandacht. De kettingkokers waren wel afgesloten met kleedjes, maar deze kunnen licht scheuren, waarna water in de kettingbak kan lopen. Op nieuwe schepen komen de kettingkokers zo hoog op de bak uit, dat ze goed kunnen worden afgesloten. De luiken van de „Carpo" hadden sluitbalken, drie op elk luik. Het is niet zeker, dat een sluitbalk de luikafdekking heeft vernield. De „Carpo" heeft blijkbaar niet de gelegenheid gehad het ongeval naar de wal te melden; het is mogelijk, dat de antenne gebroken was. Voor het voorkomen van deze beschadiging is misschien de oplossing een antenne, die slechts aan één mast is bevestigd. De „Casino" is opgedraaid en heeft de „Carpo" vrij dicht benaderd. Het is begrijpelijk, dat dit schip geen sloep heeft gestreken. Het had kunnen trachten verbinding te krijgen door middel van een lijnkanon; dit schip had een goede inrichting aan boord moeten hebben om een lijn over te schieten. Het is echter erger, dat dit schip is doorgevaren. Uit het machinekamerjournaal blijkt, dat slechts gedurende 4 minuten langzaam is gevaren, doch dat overigens steeds volle kracht is gestoomd. Dit is niet goed te praten. De inspecteur-generaal verklaart het geheel eens te zijn met de vernietigende uitspraak van het Seeamt te Hamburg over kapitein Krammer van de „Casino". Men heeft op de „Casino" gezien, dat van de „Carpo" enkele mensen in de boot gingen, en heeft enkele schepelingen zien zwemmen, doch na enige ogenblikken zag men niets meer. De inspecteur-generaal wijst erop, dat in dit geval zwemvesten met lichtjes nuttig zouden zijn geweest; gedurende de oorlog werden dergelijke zwemvesten veel gebruikt. De inspecteur-generaal merkt op, dat over deze ramp niet meer vast te stellen is; hij heeft slechts enige gissingen kunnen maken. De inspecteur-generaal betuigt voorts zijn deelneming en medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers. Het oordeel van de raad luidt als volgt: Het motorschip „Carpo" is in de nacht van 26 op 27 november 1954 in het Kanaal bezuiden Lizard Head bij zwaar stormweer door onbekend gebleven oorzaak vergaan, waarbij alle 12 opvarenden zijn omgekomen. Het schip was zeewaardig en stond onder bekwame leiding. Het was op 25 november met een lading „anthracite stove-nuts" en „anthracite peanuts" uit Swansea vertrokken; de ruimen waren vol. behoudens ruimte voor 20 ton aan de voorzijde van luik I. Door de bemanning van het Liberiaanse tankstoomschip „Casino", dat in de rampnacht in de nabijheid is geweest, is waargenomen, dat het schip voorover lag, maar weinig slagzij had. Het is niet bewezen, en ook niet waarschijnlijk, dat lading overgegaan is. Het aanbrengen van gevelingschotten is niet verplicht voorgeschreven; dit moet „zo nodig" geschieden (artikel 97, lid 5, Schepenbesluit) en wordt voor deze soort kolen door sommige rederijen wel, door andere niet toegepast. De raad sluit zich aan bij de mening van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart, dat op dit ogenblik een wijziging van het voorschrift niet nodig is. Het schip is niet plotseling gezonken, want het is door de bemanning van de „Casino", een Libertytanker, langer dan anderhalf uur in zinkende toestand waargenomen, terwijl de lichten brandden en een deel der bemanning in de boot ging. Omtrent de oorzaak van de ramp geeft dit geen bruikbare aanwijzing. Het meest waarschijnlijk komt het de raad voor, dat het schip bij de heersende zeer ongunstige weersomstandigheden, gierend voor de zuidwestelijke stormwind varende, veel water over het voorschip heeft gekregen en dat daarbij de sluitmiddelen van de voorste luiken zijn losgeslagen of zelfs de luiken ingeslagen. Wellicht is ook water door de kettingkokers in de kettingbak geraakt. Het is onmogelijk hierover met zekerheid iets te zeggen. Ook is niet bekend of de „Carpo" was opgedraaid voordat de „Casino" haar bereikte en misschien daarna weder in oostelijke richting is gedreven of gevaren. Wat de mogelijke oorzaak van het zinken betreft, is het aan de raad uit andere zaken bekend, dat inmiddels ingrijpende maatregelen tot verbetering van de bevestiging van luiken genomen zijn. Wat het stoomschip „Casino" betreft, ontleent de raad belangrijke gegevens aan de verhoren door de Rotterdamse rivierpolitie en aan de uitspraak van het Seeamt te Hamburg. Hieruit is gebleken, dat van de „Casino" af te 23 uur een licht is waargenomen, dat daarna als een noodsein is herkend, waarna te 23.35 uur door de „Casino" een radiobericht is uitgezonden, dat men was „approaching for eventual rescue". De „Casino" heeft, van dat zij de „Carpo" naderde, volle kracht gestoomd en langzaam slechts van 0.56 tot 1.01 uur. Tevoren, toen zij zich tussen 0.34 en 0.50 uur tijdelijk tot op een afstand van 200 a 300 m van de „Carpo" bevond, zag men, dat een boot met twee man werd te water gelaten. Ook hebben sommige leden van de bemanning der „Casino" enkele mensen zien zwemmen. Hoewel reddingmiddelen gereed werden gehouden, is van de brug af geen ernstige maatregel tot hulp of redding genomen of bevolen. Het op de „Carpo" gerichte zoeklicht most daar de indruk hebben gewekt, dat men bereid en in staat was te helpen. Aangenomen mag worden, dat de „Casino" bij dit weer moeilijk te besturen was, maar dit belette haar niet op de plaats van de ramp te blijven. Zij is echter, nadat zij enige minuten na 0.50 uur de „Carpo" en de reddingboot uit het zicht had verloren, om 1.10 uur doorgevaren. Het is ook niet uitgesloten, dat het zicht verloren werd doordat men zich verder van de „Carpo" verwijderde. Het Seeamt heeft het gedrag van de kapitein van de „Casino" onderzocht en in een uitvoerig gedocumenteerde uitspraak geoordeeld, dat deze kapitein de plaats van de ramp zonder noodzaak te vroeg verlaten heeft, maar dat het onzeker is of andere schipbreukelingen gered zouden zijn, zodat oorzakelijk verband tussen het gedrag van de kapitein en de dood der zeelieden niet kon worden vastgesteld. De raad is het daarmee eens en meent, dat de kapitein van de „Casino" veel te vroeg en ten onrechte is doorgevaren en zodoende een goede en gevestigde zeemanstraditie en morele plicht heeft geschonden. Ook heeft de kapitein, zolang zijn schip zich nog in de nabijheid bevond, nagelaten de door zijn bemanning gereedgehouden middelen tot redding van de schipbreukelingen daadwerkelijk toe te passen en ook overigens de hem ter beschikking staande middelen tot redding van de schipbreukelingen niet volledig uitgeput. Opgemerkt wordt, dat volgens de Nederlandse wet, die overeenkomt met wat ook in andere landen geldt, een kapitein verplicht is aan personen, die in gevaar verkeren, de hulp te verlenen, waartoe hij bij machte is, zonder zijn schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar bloot te stellen. Van zodanig gevaar is geen sprake geweest. De raad veroordeelt de houding van de kapitein van de „Casino" en van de 1ste officier, die hem daarbij heeft gesteund. De raad spreekt zijn deelneming uit met de in hun plichtsvervulling omgekomen opvarenden van de „Carpo" en met het verlies, dat de nabestaanden hebben geleden. Aldus gedaan door de heren prof. mr. J. Offerhaus, voorzitter, C. H. Brouwer, H. A. Broere, F. van der Laan en H. J. Timmer, leden, in tegenwoordigheid van 's raads secretaris, mr. A. Boosman, en uitgesproken door voornoemde voorzitter ter openbare zitting van de raad van 13 maart 1956. (Get.) J. Offerhaus, A. Boosman.

Ship Masters Data

Images


Description: 'Carpo' (bj 1949)
Image type: Photo

Description: Carpo 1949
Image type: Photo
Sources