Name ship: ALBATROS

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1913
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
IMO number:
Nat. Official Number: 7889 GRON 1913
Category: Cargo vessel
Propulsion: Sailing Vessel
Type: Koff-tjalk
Standard Ship Type:
Type Deck:
Masts: Two masts
Rig:
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: Firma W. Rubertus, Groningen, Netherlands
Yardnumber:
Date Laid Down:
Launch Date: 1912-11-16
Delivery Date: 1913-03-21
Technical Data

Ship is not motorized.
 
Gross Tonnage: 131.21 Gross tonnage
Net Tonnage: 105.58 Net tonnage
Deadweight: 200.00 tonnes deadweight (1000 kg)
 
Length 1:
Length 2: 27.76 Meters Registered
Beam: 5.91 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.67 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

1927-00-00: 1927 bij Scheepswerf J. Vos te Groningen motor ingebouwd: 2tew 2 cil 80 PK Hollandia-Gloeikop Type (x) 7 Kn. Fabrikant J. & K. Smit's Machinefabrieken N.V., Kinderdijk

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1913-03-21 ALBATROS
Manager: Gerriet Drent, Groningen, Netherlands
Owner: Gerriet Drent, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: NBVS
Additional info:

Date/Name Ship 1920-07-12 ALBATROS
Manager: Jan Boerma, Groningen, Netherlands
Owner: Jan Boerma, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: NBVS
Additional info: Aankoopprijs HFl. 38.000,--. In 1934 call sign PCGD

Date/Name Ship 1936-02-04 ALBATROS
Manager: Lukas Meertens, Delfzijl, Netherlands
Owner: Lukas Meertens, Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PCGD
Additional info:

Ship Events Data

1913-02-19: Dagregister deel 19 nummer 554, den zeven en twintigsten Februari 1900dertien. Ondergeteekende Gerriet Drent, schipper gedomicilieerd te Groningen, verklaart te zijn eigenaar van een stalen koftjalk genaamd “Albatros”, groot bruto 371.69 kubieke meter of 131.21 tonnen van 2.83 kubieke meter en netto op 299.07 kubieke meter of 105.58 tonnen van 2.83 kubieke meter, in 1913 volbouwd en nieuw te water gebracht van de werf van W. Rubertus, Hoornsche Dijk, gem. Haren, thans liggende aan de werf welk schip nog in geen kantoor van bewaring der scheepsbewijzen is te boek gesteld en verzoekt bij dezen den heer Bewaarder der Scheepsbewijzen dat schip in de registers van zijn kantoor ten zijnen name te willen stellen. Groningen 19 Februari 1913. G. Drent. ( In de kantlijn staat bijgeschreven: Blijkens verklaring van den Scheepsmeter te Groningen d.d. 3 Maart 1913 is nevens vermeld schip gebrand met het merk 7889 GRON 1913. In de andere kantlijn staat bijgeschreven nr. 324.)

1918-01-08: NvhN 08-01-1918: Het Nederl. kofschip ALBATROS, kapt. Drenth, de Nederl. tjalk Egberdina, kapt Vellinga, en de Nederl. schoener Semper Spera, kapt. Bootsman, alle van Londen naar Rotterdam bestemd, zijn volgens alhier ontvangen bericht, resp. 6 en 7 dezer te IJmuiden binnengeloopen. Deze schepen lagen bijna een jaar geleden reeds geladen te Londen toen door de Engelsche regeering een uitvoerverbod werd afgekondigd. Eerst in de laatste dagen gelukte het na vele moeilijke onderhandelingen en onder bepaalde voorwaarden toestemming te krijgen voor vertrek. De verdere reis naar Rotterdam zal binnendoor worden voortgezet.

1927-05-16: Op 16.05.1927 als ALBATROS, zijnde een koftjalkschip, groot 370.60m3, liggende te Rotterdam, door C. van Silfhout, scheepsmeter te Rotterdam, ten verzoeke van Jan Boerma, schipper te Groningen, voorzien van een nieuw brandmerk door het inbeitelen van 324 Z GRON 1927 op het achterschip in het midden voor tegen de roef. (Opm.: De vroegere brandmerken zijnde 7889 GRON 1913 zijn verwijderd.)

1936-02-07: De Eemsbode 7 febr. 1936: De motorkoftjalk 'Albatros', vroeger bevaren door kapitein L. Boerma, is verkocht aan de heer L. Meertens te Delfzijl, die het schip zelf in de vaart zal brengen. De 'Albatros' werd gebouwd in 1913 te Groningen en is 200 ton dw.

1937-08-00: NvhN 03-08-1937: Delfzijl, 2 Aug. Het motorschip ALBATROS, kapt. Meertens, liep hier gisteren als bijlegger binnen. Het schip is beladen met kalizout op weg van Hamburg met bestemming Yarmouth.
NvhN 04-08-1937: Delfzijl, 3 Aug. Het motorschip Albatros, kapt. Meertens, dat alhier als bijlegger binnenliep, beladen met kalizout van Hamburg met bestemming Yarmouth, zette heden de reis weer voort.

1939-12-04: 04-12-1939: Uitspraak Raad voor de Scheepvaart in zake de motorkoftjalk “ALBATROS” a. het lek worden van het schip op de reis van Londen naar Arnhem; b. de klacht van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen den kapitein van dat vaartuig Lukas Meertens, wegens het niet peilen der ruimen vóór vertrek. Op 8 October 1938 is de motorkoftjalk “Albatros” op de reis van Londen naar Arnhem ernstig lek geworden. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 de Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van dit ongeval zou instellen. Bovendien is door den inspecteur-generaal op 3 November 1938 bii den Raad een klacht ingediend van den volgenden inhoud: ,,De inspecteur-generaal voor de scheepvaart; verwijzende naar de onder J (blauw) n°. 155 dd. 3 November 1938 ingezonden stukken, betreffende het ernstig lek worden van het zeilschip met motor “Albatros” op 8 October 1938; overwegende, dat daaruit blijkt, dat de lekkage vermoedelijk is ontstaan, toen het schip, op de Theems aan den grond zittende, beladen werd; overwegende, dat volgens verklaring van den kapitein het ruim vóór het vertrek niet werd gepeild; overwegende, dat peilen zeker noodig geacht moet worden, nu tijdens de belading het schip drooggevallen was; overwegende, dat het nalaten van het peilen geacht moet worden een misdraging op te leveren jegens de reederij en de schepelingen; gelet op de artikelen 48 en 49 van de Schepenwet; stelt aan den Raad voor de Scheepvaart voor een onderzoek in te stellen en den kapitein Lukas Meertens, voornoemd, te hooren." Een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 49 der Schepenwet, besliste, dat ook naar de gegrondheid van voorschreven klacht een onderzoek door den Eaad zou worden ingesteld. Het onderzoek naar het ongeval en de klacht heeft plaats gevonden ter zitting van 5 Augustus 1939 in tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart. De kapitein, hoewel behoorlijk gedagvaard, was bij den aanvang der zitting niet verschenen. Tegen hem wordt verstek verleend en de klacht en het ongeval buiten zijn tegenwoordigheid behandeld. Voorlezing wordt gedaan van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie, zoomede van de naar aanleiding daarvan door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen den kapitein ingediende klacht. Nadat de inspecteurgeneraal zijn conclusie had genomen, de zittingzaal had verlaten en was vertrokken, is de getuige-aangeklaagde alsnog verschenen. Daar de Baad toen nog bijeen was, staat deze toe, dat het verleende verstek wordt gezuiverd en getuige-aangeklaagde in de gelegenheid gesteld zijn verklaring buiten eede af te leggen. De voorzitter zette den aangeklaagde, na voorlezing van de hem beteekende klacht, de beteekenis daarvan uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren, hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hein daarbij het laatste woord latende. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het motorschip “Albatros” is een Nederlandsche koftjalk, metende 130,82 bruto-, 85,71 netto-registerton, roepnaam P C G D, van J. Boerma, te Groningen, en thuisbehoorende te Delfzijl. Het schip is in het jaar 1913 van staal gebouwd en was op na te melden reis bemand met vier personen. Op 8 October 1938 des namiddags te 1 uur vertrok de “Albatros”, beladen met 130 ton tinslag, van Londen met bestemming Arnhem. De verklaring van den kapitein komt in hoofdzaak neer op het volgende. Tijdens het beladen was het schip drooggevallen. Toen het schip in zee kwam, bleek er een harde wind te staan van zuidwest tot west met aanschietende zee, zoodat het vaartuig zwaar werkte. Des avonds te 10 uur bemerkte de kapitein, dat het schip water maakte. Daar de Albatros vooroverlag, kon men met de motorlenspomp, wier zuigleiding aan den achterkant van het ruim uitkomt, het schip niet lens krijgen. De handpompen op het voordek zijn toen opgetuigd, doch ook hiermede had men geen succes. Ten gevolge van het slechte weer en den wind kon men niet terugkeeren. De reis is vervolgd en men naderde de kust ter hoogte van Ostende. Daarop is zoo dicht mogelijk onder de kust langs, ten einde, zoo noodig, een tusschenhaven in te kunnen loopen, naar Vlissingen gevaren, waar men op 9 October des middags te 1 uur aankwam Een waterboot heeft aldaar het voorruim leeggepompt. Daarna is de reis binnendoor vervolgd, geassisteerd door een bergingsvaartuig, genaamd Zeehond , dat gedurende de reis nog op de “Albatros heeft gepompt, daar met eigen middelen, het water niet kon worden bijgehouden. Na lossing te Arnhem is de “Albatros”naar de werf van Vuyk & Zn. te Capelle a. d. IJssel vertrokken. Bij onderzoek op de werf bleek het vlak te zijn opgezet, terwijl een klinknagel geheel ontbrak. Hoewel aangeklaagde bij het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie had verklaard, dat bet ruim, voordat de lekkage was ontdekt, niet was gepeild en dat dit nooit werd gedaan, want dat het wel aan de pomp wordt bemerkt, wanneer er water in het schip komt, hield hij ter zitting vol, dat vóór vertrek uit loonden het ruim wèl zou zijn gepeild. Hij verklaarde, dat geregeld werd gepeild, doch dat hij niet gewend was te noteeren, wanneer dat geschiedde; dat naar zijn meening het schip bij vertrek droog moet zijn geweest en de lekkage eerst door het zware werken in zee is ontstaan. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart beeft aangevoerd: dat uit het voorloopig onderzoek is gebleken, dat de “Albatros”na geladen te zijn, lek bleek te zijn en dat de lekkage eerst ongeveer te 9 uur, nadat het schip was vertrokken, is opgemerkt ; dat vervolgens op de werf is gebleken, dat de bodem was opgezet en er losse klinknagels aanwezig waren; dat de hoeveelheid water, welke binnenkwam, niet groot kan zijn geweest, daar anders de lekkage eerder aan den dag zou zijn getreden; dat echter tevens is gebleken, dat de kapitein zich van den toestand niets heeft aangetrokken en hij de pompen veel te laat te werk heeft gesteld; dat hij zich bovendien op de laadplaats van den toestand van het ruim metadoor peiling heeft vergewist, terwijl hij almede onvoldoende zorg voor de handpompen heeft gehad; dat, wat het ongeval zelf betreft, er altijd kans op lekkage bestaat bij laden op ongelijk zaat, doch het ongeval niet zulk een omvang zou hebben gehad — waarbij nog moet worden bedacht, dat de kans op zinken niet gering is —, wanneer de kapitein tijdig de lekkage op het spoor ware gekomen. De Raad is, wat het ongeval betreft, van oordeel, dat het lek worden van de Albatros een gevolg is van het laden op ongelijk zaat, hetgeen in den regel niet is te voorkomen, daar een schip op een bepaalde plaats moet gaan liggen en laden en dan geen gelegenheid bestaat om een plaatsje met vlakken, gelijkmatigen bodem uit te zoeken. De Raad maakt dus in dit opzicht den kapitein geen verwijt. De door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen den kapitein ingediende klacht is echter gegrond. De Raad meent den kapitein te moeten houden aan zijn in het vooronderzoek afgelegde verklaring, dat hij vóór vertrek het ruim niet heeft gepeild. Ter zitting was zijn verklaring op dit punt allerminst duidelijk. Dan weer zeide hij positief, dat er wèl was gepeild, en dan weer, dat er wellicht wel eerder, nl. vóórdat de pomp water begon te geven, is gepeild. De in het vooronderzoek afgelegde verklaring, dat er niet is gepeild, waaraan de kapitein nog toevoegde, dat zulks nooit werd gedaan, is echter duidelijk. Dit acht de Raad echter een ernstig verzuim. De Raad wil de mogelijkheid toegeven, dat er bij vertrek nog geen water in het ruim was en dat, al is de oorzaak bij de belading ontstaan, de lekkage eerst gedurende de reis is begonnen. Dit neemt echter niet weg, dat het peilen van het ruim steeds vóór het vertrek moet geschieden. Thans heeft de kapitein het laten aankomen op het watergeven door de lenspomp. De Raad is er echter geenszins van overtuigd, dat ook in dit opzicht alles in orde was. Indien inderdaad de lenspomp steeds heeft bijgestaan en deze pomp in goeden toestand verkeerde, dan is niet goed te begrijpen, dat het water in het ruim niet was bij te houden. Dat de handpompen niet in orde waren, geeft de kapitein zelf toe. De Raad betwijfelt echter, of de pomp wel van den aanvang af voortdurend heeft bijgestaan en qi deze in goeden toestand verkeerde. Uit al het voorafgaande volgt, dat de klacht — welke alleen het niet peilen vóór vertrek betreft — gegrond is. De Raad meent thans nog met een berisping te kunnen volstaan. Mitsdien: Straft den aangeklaagde Lukas Meertens, geboren 21 April 1883, wonende te Delfzijl, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend-voorzitter, A. L. Boeser en J. N. Egmond, leden, T. Tammes, plaatsvervangend buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 24 November 1939. (get.) B. M. Taverne. ,, II. B. Tjeenk Willink. Yoor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1940-05-00: 16 mei 1940 ingeschreven bij the Netherlands’ Shipping & Trading Committee, Londen. In beheer bij Freight Express Ltd., Londen. Deed in de oorlog tot 1942 dienst als 'balloon barrage vessel' in Brighton. Thuishaven Liverpool. Na de oorlog terug aan de eigenaar.

1952-12-23: Final Fate: 23 december 1952 onderweg met een lading schroot van Penzance (20 december vertrokken) naar Hull in dichte mist gestrand bij Blackgang ten westen van St.Catherine's Point op het eiland Wight. De 3-koppige bemanning werd gered. Door de verzekering total loss verklaard. Ter plaatse gesloopt. De kapitein, Hendrikus Meertens (zoon van de eigenaar) werd drie maanden ontzegging van vaarbevoegdheid opgelegd wegens zorgeloze navigatie.

1952-12-23: NvhN 23-12-1952: Nederlandse coaster bij Wight gestrand. Het Nederlandse kustvaartuig ALBATROS van 131 ton is gisteravond in de dichte mist op de Zuidkust van het Britse eiland Wight gelopen. De uit drie leden bestaande bemanning slaagde er in de kust te bereiken. Eerder werd gemeld dat sleepboten werden uitgezonden om te trachten het vaartuig te redden voor het door de grote golven zou worden vernield. De Albatros vervoerde een lading schroot naar Hull.

1952-12-27: NvhN 27-12-1952: Nederlandse kustvaarder bij Wight is verloren. De 131 ton metende Nederlandse kustvaarder ALBATROS, die dezer dagen ter hoogte van het Britse eiland Wight aan de grond is gelopen, zal vermoedelijk als verloren moeten worden beschouwd. De Albatros is op het wrak van een andere Nederlandse kustvaarder, de Volkerak, die hier achttien maanden geleden is vergaan, gelopen. De drie opvarenden van de Albatros hebben, als gemeld, de kust weten te bereiken. (Opm.: Het schip is ter plaatse gesloopt.)




1953-07-20: 20-07-1953 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart. No.71 UIitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake de stranding van het motorzeilschip „Albatros" op de kust van het eiland Wight. Betrokkene: de kapitein H. Meertens. Op 22 December 1952 is het motorzeilschip „Albatros", op de reis van Penzance naar Huil, tijdens slecht zicht varende in het Kanaal, op de kust van Wight gestrand. Nadat de bemanning het schip had verlaten, is het wrakgeslagen. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze stranding en tevens dat het onderzoek zou lopen over de vraag of niet het ongeval mede te wijten is aan de schuld van de kapitein van de „Albatros", H. Meertens, wonende te Delfzijl. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 19 Juni 1953, in tegenwoordigheid van de inspecteur voor de scheepvaart J. Metz. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij een proces-verbaal van een verhoor van de kapitein en de machinist, en hoorde de kapitein, voornoemd, als betrokkene buiten ede. De voorzitter zette de betrokkene, aan wie voorgaande beslissing was meegedeeld, doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorzeilschip „Albatros" was een Nederlands schip, toebehorende aan L. Meertens, te Delfzijl, de vader van de kapitein. Het mat 131 brutoregisterton en had een motor van 80 pk. Op 20 December 1952 vertrok de „Albatros", beladen met oud ijzer, van Penzance met bestemming Huil. De diepgang was bij vertrek vóór 2,40, achter 2,35 m. Inclusief de kapitein, bestond de bemanning uit drie personen; de anderen waren de machinist — een broer van de kapitein — en een lichtmatroos. Voordien had het schip bovendien een bestman gehad, maar deze was op 17 December te Appledore ziek geworden en naar Nederland gezonden. Op 21 December liep de „Albatros" Falmouth binnen om te bunkeren en vertrok dezelfde dag weer. Te 23.30 uur van 21 December werd Start Point gepasseerd op vier mijl afstand; deze afstand was vastgesteld door vierstreeks-peiling. De log werd hier op stand 16 uitgevierd en de koers werd oost (k). De kapitein, die sinds September 1952 op de „Albatros" voer, weet niet wanneer de kompassen het laatst waren gecompenseerd; de machinist meent, dat dit in Mei 1952 is gebeurd. Een reis tevoren, eveneens met oud ijzer, had men geen bijzondere fouten bemerkt en tot Start Point had het kompas deze reis ook goed aangewezen. Na Start Point werd het zicht minder goed, maar men bleef nog volle kracht doorlopen, vaart 5 a 5½ mijl. Toen men volgens de gis ter hoogte van Portland Bill was, werd dit noch gezien, noch gehoord. Aan weerszijden werden schepen gepasseerd. Op 22 December te 19.00 uur werd het zicht slechter en werd vaart geminderd tot halve kracht; ook werden mistseinen gegeven. De kapitein, die sinds 12.00 uur op de brug was, gebruikte de Engelse kaart no. 2675 B. Er is enige keren gelood, maar daar het kladjournaal bij de stranding verloren is gegaan, zijn de diepten en tijden niet bekend. Te 21.00 uur is 24 m gelood. St. Catherine Point werd niet gehoord. De kapitein voer verder met halve kracht in koers oost (k). Er is steeds goed gestuurd. Hij wist, dat de stroom inzette, maar rekende er op voldoende ver van St. Catherine Point te lopen, nu het mistsein niet werd gehoord. De wind was Z.W. 4. Na 21.00 uur is nog één keer gelood, maar de diepte is niet meer bekend. Te 21.30 uur liep het schip vast. Het gelukte niet met eigen middelen vlot te komen. De kapitein liet s.b.-anker vallen, stopte de motor en stak noodseinen af; deze werden niet opgemerkt. Het schip maakte geen water. Na enige tijd nam de Z.W.-wind in kracht toe en trok de mist op. Men kon nu de wal zien. Door de meerdere zeegang begon het schip te stoten; door overkomende zeeën werden het stuurhuis en de reddingboot overboord geslagen; de presennings scheurden en het ruim sloeg vol. De scheepspapieren gingen verloren. Op 23 December te 0.30 uur bleek het schip niet te behouden en de kapitein besloot het schip te verlaten. De machinist en de lichtmatroos gingen eerst van boord, de kapitein volgde te 1.45 uur, toen het schip vol water stond. Het vuur van St. Catherine Point was ondertussen zichtbaar geworden. De „Albatros" bleek gestrand te zijn bij Blackgang. De machinist, die ongediplomeerd is, was in November 1952 aan boord gekomen. Nu er slechts drie personen aan boord waren, liep elk van hen acht uur op, vier uur af. De machinist was 22 December te 16.00 uur op wacht gekomen; het zicht was toen i mijl. Er werd goed gestuurd. Na 19.00 uur is elke 10 minuten gelood, maar de tijden en diepten herinnert hij zich niet. Na. 21.00 uur is nog één keer gelood, 12 of 13 vadem. Ter zitting verklaarde de kapitein nog, dat geregeld werd gelood nadat het mistig was geworden. Daarbij werd de schroef gestopt en dan was het zeer goed mogelijk, dat één man 13 vadem loodde. Daar Portland Bill niet was gehoord en men ook het mistsein van St. Catherine Point niet hoorde, veronderstelde betrokkene, dat de „Albatros" vrij ver naar buiten stond. Twintig minuten vóór de stranding is voor het laatst gelood. Betrokkene maakte uit de verkregen diepte van 13 vaam op, dat het schip zich reeds beoosten St. Catherine Point bevond. Te 16.00 en 17.00 uur waren nog schepen gezien aan bakboord. Betrokkene verklaarde, dat hij een vorige reis, eveneens met oud ijzer, geen miswijzing van het kompas had bemerkt. Tot Falmouth was ook geen fout opgevallen. Volgens de stuurtafel was de deviatie op oostelijke koersen nul graden. De inspecteur voor de scheepvaart voerde aan, dat door het verloren gaan van alle scheepspapieren de navigatie vóór de stranding niet goed is na te gaan en alleen moet worden afgegaan op de verklaringen van de kapitein. Op 21 December te 23.30 uur werd Start Point op vier mijl afstand gepasseerd. Het schip is daarna ingezet. Het is de vraag of het kompas niet door de ijzerlading is beïnvloed. Doch ook afgezien daarvan is overeen traject van 100 mijl na Start Point inzetting door de stroom en de Z.W.-wind zeer waarschijnlijk, vooral nadat de vaart was geminderd van 5 tot 3 mijl. Er was voor de kapitein geen enkele reden om, toen hij 13 vaam loodde, aan te nemen, dat hij St. Catherine Point reeds voorbij was. Hij had daarvoor geen andere aanwijzing dan een paar schepen, die hij enige uren tevoren had gezien. De kapitein trok uit de loding van 13 vaam een verkeerde conclusie. Op zijn koers oost had hij geen geringere diepte dan 25 a 30 vaam mogen hebben. Hij meende ver uit te staan, omdat hij het mistsein van St. Catherine Point niet hoorde. Toen 13 vaam werd gelood, had hij met koers zuid uit moeten sturen of ten anker gaan. Dit werd niet gedaan; de kapitein voer door en het schip strandde. Deze ramp had voorkomen kunnen worden. De inspecteur is van mening, dat de kapitein schuld heeft aan de stranding van zijn schip, en stelt de Raad voor de kapitein te straffen door hem de bevoegdheid om als kapitein te varen te ontnemen voor de tijd van één maand. Het oordeel van de Raad luidt als volgt: De stranding en het verloren gaan van het motorzeilschip „Albatros" op 22 December 1952 op de westkust van Wight is het gevolg van zorgeloze navigatie van de kapitein. De Raad kan door het verlies van de scheepspapieren de verklaring van de kapitein ter terechtzitting niet controleren. Maar uit die verklaring is dan wel gebleken, dat de kapitein vóór vertrek geen moeite heeft gedaan om, nu hij een lading ijzer had ingenomen, de eventuele miswijzing van zijn kompas te bepalen. Lichtvaardig nam hij aan, dat de fouten wel gelijk zouden zijn aan die van een reeds vrij oude stuurtafel. Na het passeren van Start Point kon de kapitein verwachten, dat zijn schip door stroom en wind zou worden ingezet. Toen hij op het tijdstip, waarop hij volgens de logaanwijzing mocht rekenen, het mistsein van St. Catherine Point niet hoorde, bleek hij, zonder verdere grond daartoe, ber eid aan te nemen, dat hij dat punt al gepasseerd was, en ook toen hij 13 vaam loodde, dacht hij deze kaap reeds voorbij te zijn en nu weer dichter onder de wal te staan. Op de route, die hij stuurde, had de kapitein nimmer minder dan 25 vaam mogen loden. Toen hij 13 vaam kreeg, was dit voor nem reden geweest direct om de zuid te koersen of te stoppen en te ankeren. De kapitein heeft genavigeerd op gegevens, waarvoor hij geen enkele grond had om die als juist aan te nemen. De Raad is van oordeel, dat de kapitein in zeer ernstige mate schuld heeft aan deze stranding en straft kapitein Hendrikus Meertens, geboren 15 Februari 1915, wonende te Delfzijl, door hem de bevoegdheid om als kapitein te varen te ontnemen voor de tijd van drie maanden. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, tweede plv. voorzitter, C. H. Brouwer, H. A. Broere en L. Meulman, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris, mr. A. Boosman, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van 19 Juni 1953. (Get.) A. Dirkzwager, A. Boosman.


Ship Masters Data

Images


Description:
Image type: Photo

Description: De ALBATROS, in 1933 liggend te Cherbourg
Image type: Photo

Description: Nog een foto van de ALBATROS, genomen te Cherbourg in 1933
Image type: Photo

Description: Een derde foto uit 1933 van de ALBATROS, ook te Cherbourg liggende.
Image type: Photo

Description: 'Albatros'
Made By: © Lindenborn, M. (Marien)
Image type: Photo

Description: De ALBATROS in het laatste stadium van haar bestaan.
Image type: Photo

Description: ALBATROS wrecked on Isle of Wight near St. Catherines Point, 23rd December 1952 (aan de rechterkant nog een stuk wrak zichtbaar van de Nederlandse kustvaarder VOLKERAK, in 1951 op dezelfde plaats vergaan)
Image type: Photo
Sources