Name ship: COLUMBUS

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1952
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
IMO number:
Nat. Official Number: 2745 Z GRON 1952
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: Two masts
Rig: 3 derricks, 3 winches
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: N.V. Scheepswerf 'Foxhol' v/h Gebr. Muller, Foxhol, Netherlands
Yardnumber: 91
Date Laid Down:
Launch Date: 1952-08-20
Delivery Date: 1952-10-02
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Netherlands
Engine Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 8
Power: 650
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 10130 Type 8ED (290x450)
Speed in knots: 11.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 499.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 329.00 Net tonnage
Deadweight: 900.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 39000 Cubic Feet
Bale: 32600 Cubic Feet
 
Length 1: 56.00 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 53.01 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 9.15 Meters Breadth, moulded
Depth: 3.23 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1952-09-26 COLUMBUS
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PDKV
Additional info:

Ship Events Data

1952-08-22: Nieuwsblad van het Noorden 22-08-2952: Tewaterlating m.s. COLUMBUS. Bij de N.V. Scheepswerf Foxhol v.h. Gebr. Muller te Foxhol had met goed gevolg de stapelloop plaats van het nieuwe motorkustvaartuig COLUMBUS, dat wordt gebouwd voor rekening van de fa. Wagenborg te Delfzijl. De Columbus is van het gladdecktype, meet 900 ton d.w. (499 br.t.) en heeft de volgende afmetingen: lengte over alles 56 m., lengte 11 52.20, breedte 9.10 m. en holte 3.90 m. Het schip zal worden uitgerust met een 650 p.k. motor, terwijl voorts in de machineKamer een hulpmotor van 20 p.k. zal worden geplaatst. De uitrusting bestaat uit twee masten met drie laadbomen met een hijsvermogen van drie tot vijf ton, Bodewes lieren, radiotelefonie, echoloodinstallatie, peilinrichting, oliegestookte centrale verwarming, electrische lichtinstallatie van 110 volt, ruimventilatoren enz. Aan dek zullen twee hulpmotoren van 20 p.k. worden opgesteld. De bouw geschiedt onder klasse Bureau Veritas met certificaat Scheepvaartinspectie voor de onbeperkte vaart en met speciaal certificaat voor dieper afladen voor de houtvaart. Op de vrijgekomen helling zal de kiel worden gelegd voor een gladdekschip van 660 ton d.w. voor rekening van een combinatie te Rotterdam, namelijk de heren J. Hulsebos, Z. Bos en S. TuiL

1952-10-03: Nieuwsblad van het Noorden 03-10-1952: Proefvaart m.s. COLUMBUS. Op de Eems heeft de goed geslaagde proefvaart plaats gevonden van het nieuwe motorkustvaartuig Columbus, dat bij de N.V. Scheepswerf Foxhol v.h. Gebr. Muller te Foxhol werd gebouwd voor rekening van de fa. Wagenborg te Delfzijl. De Columbus is van het gladdektype, maat 900 ton d.w. en is uitgerust met een 650 P.K. 6 cyl. motor, waarmede het schip tijdens de proefvaart een snelheid behaalde van 11.7 mijl. De bouw geschiedde onder klasse Bureau Veritas, met certificaat Scheepvaart Inspectie voor de onbeperkte vaart en met speciaal certificaat voor dieper afladen voor de houtvaart.

1953-11-07: Final Fate: Ten gevolge van overgaan van de lading (779 ton) steenkolen (stof, gruis en kleine stukken) tijdens ruw weer 140 mijl oost van Grimsby gezonken in pos. 53.48. N - 02.45. O (50 mijl n/w van Texel) op reis Boston (Engeland) naar Stocka (Zweden). Acht bemanningsleden werden gered door het Britse vissersvaartuig 'Prince Victor' en in Grimsby aan land gezet. Een persoon ging aan boord van de Belgische trawler 'Mayflower', de laatste twee bemanningsleden werden gered door de Belgische trawler 'La Madelon' en in IJmuiden aan land gezet. Het was een gedenkwaardige dag voor de rederij Wagenborg: Men verloor deze dag dit schip maar 's morgens was bij Gebr. Niestern in Delfzijl het vlaggeschip 'KROONBORG' te water gelaten. De oorzaak van de ramp is onbekend. Wellicht is water binnengekomen of is een scheur in de dekplaten ontstaan.

1953-11-07: Nieuwsblad van het Noorden 07-11-9153: Dag van vreugde en zorg voor firma Wagenborg. COLUMBUS maakt slagzij en vraagt hulp. Sleepboot en reddingboot onderweg. Dit kustvaartuig, dat 900 ton deadweight meet en dat in Augustus van het vorige jaar bij de N.V. Scheepswerf Foxhol v.h. Gebr. Muller te Foxhol gereed kwam, heeft namelijk gemeld, dat het zich met 25° slagzij op 50 mijl ten Noordwesten van Texel op de Noordzee bevindt. De Columbus is op weg van Boston (Engeland) naar Skagen. Kapitein R. Oldenburger uit Appingedam vroeg sleepbootassistentie en tevens hulp van een reddingboot. Aan boord van het met kolen beladen schip bevinden zich 10 personen. De Holland van de firma Doeksen van Terschelling bevond zich buitengaats en zette direct koers naar het in nood verkerende Delfzijlster kustvaartuig. Ook de reddingboot Brandaris van Terschelling voer uit. Schepen in de nabijheid. Enkele schepen die zich in de buurt van de Columbus bevonden, gaven aan Scheveningen Radio hun positie op. De Siaroe die zich op een afstand van 13 mijl van de Columbus bevond, seinde om 9.45 uur Ned. tijd bij het in nood verkerende schip te kunnen arriveren. In de omgeving waren voorts de Ckab Cgattab (op 50 mijl), de Thalamus (op 25 mijl), de Baden (op 35 mijl) en de Sugar Producer (op 10 mijl). Bij informatie te Delfzijl, waar men in radio-telefonisch contact met de Columbus staat, vernamen wij, dat de hoop om het schip te kunnen behouden, gewettigd is. Men is aan boord van de coaster bezig om de Columbus recht te pompen. Vanmorgen om half elf berichtte het Engels vissersvaartuig Prince Victor dat het zich in de nabijheid van de Columbus bevindt. De schipper heeft geseind dat het in de buurt van de Groninger coaster zal blijven om eventueel assistentie te kunnen verlenen. Het is vandaag voor de firma Wagenborg te Delfzijl een bijzondere dag. Een dag van tegenstellingen, want naast de vreugde dat de nieuwe kustvaarder Kroonborg — in vele opzichten een modelcoaster — vanmorgen te water kon worden gelaten, is er de zorg over het eveneens aan deze firma toebehorend motorschip Columbus.


1954-02-08: Raad voor de Scheepvaart. No. 17. St.-Crt. No. 27 van 8 Februari 1954. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake het zinken van het motorschip “COLUMBUS” in de Noordzee op 53°48° N.B. en 02°46° O.L. Op 7 November 1953 is het motorschip “Columbus”, op de reis van Boston naar Stocka, in de Noordzee op 53°48° N.B. en 02°46° O.L. gezonken. Het motorschip “Columbus”, toebehorende aan N.V. E. Wagenborg's Scheepvaart en Expeditiebedrijf te Delfzijl, was in 1952 gebouwd te Foxhol, met 499 bruto-registerton en werd voortbewogen door een 650 PK Brons motor. Op 4 November 1953, te 17 uur, beeindigde de “Columbus” te Boston de lossing van een lading hout. Hierna zijn ruim, vullings en pompflessen schoongemaakt. Op 5 November 1953, te 13 uur, verhaalde het schip naar een kolentip en begon een volle lading kolen over te nemen. Op 6 November 1953, te 10.30 uur, was men hiermee gereed. Totaal was overgenomen 779 ton outcrop untreated 2” smaals, volgens de afschepers bestaande uit 40% stukken van ˝ á 2”, de rest uit stof; de vochtigheid zou circa 15% zijn. Volgens de kapitein bestonden de kolen uit stof, gruis en kleine stukken ter grootte van een noot. De lading was enigszins vochtig en broeierig en werd uit spoorwagons geladen. Onder dek, zowel voor luik 1 als achter luik 2 en tussen deze luiken, had het schip vaste stalen langschotten; in de luiken zijn geen schotten geplaatst. Het ruim en de luikhoofden werden goed volgetrimd; aan de voorkant van het ruim bleef een ruimte van omstreeks 8 ton onbeladen. De ballasttanks waren leeg. Er was ongeveer 20 ton brandstofolie aan boord, geladen in de tunneltank en in een dubbele bodemtank. Het wintermerk kwam nog een duim boven water; het schip lag 40 cm voorover en lag iets over bakboord, maar was niet rank. Na de belading werden de luiken afgedekt met 2 kleden en geschalkt; luchtkokers waren afgedekt met metalen kappen, de luchtpijpen der tanks werden met houten proppen gedicht, de vluchtluikjes waren met knevels gesloten. Op 6 November 1953, te 17.30 uur, vertrok de “Columbus” onder loodsaanwijzing van Boston met bestemming Stocka. De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit 11 personen. Te 18.00 uur werden tanks en vullings door de 3de machinist gepeild; dit werd elke dag gedaan en bovendien werd aan het einde van elke wacht door de machinisten op de vullings en de dubbele-bodemtanks gepompt. Men ondervond aanvankelijk goed weer, de wind was Zuid 3-4. Te 22.35 uur werd Dowsing V.S. Gepasseerd; hierna werd 77° r.w., 85° kompas gestuurd, naar S 2 V.S. Te 23 uur nam de wind in kracht toe en ruimde naar Z.W.; de zee was aanschietend; het schip begon water over te nemen. Op 7 November, te 0 uur, kreeg de stuurman de wacht, welke zou duren tot 6 uur. De stuurman bemerkte omstreeks 5.30 uur, dat het schip zwaarder naar bakboord dan naar stuurboord overhaalde. Daar de kapitein toch weldra zou worden gepord, achtte hij het niet nodig deze reeds eerder te roepen. Bij het slingeren kwam de B.B.-verschansing af en toe onder water. De kapitein werd te 5.45 uur gewekt; het was hem reeds opgevallen, dat het schip meer naar bakboord dan naar stuurboord overhaalde. Toen hij op de brug kwam, was de wind Z.W.7; de zee was ruw. Toen hij tegen de stuurman opmerkte, dat deze hem eerder had moeten waarschuwen, nu het schip zo'n slagzij had, dat het B.B-gangboord voortdurend vol water stond, antwoordde de stuurman, dat het schip pas sinds een kwartier slagzij maakte. Het schip liep nog volle kracht, in koers 77° r.w. De kapitein liet vaart minderen en draaide het schip met de kop op zee. De B.B-vullingen konden niet gepeild worden, daar de achterpeilkoker onder water stond en de kapitein het te gevaarlijk achtte iemand naar de voorpeilkoker te sturen. Hij gaf de machinist opdracht op de B.B.-vulling en B.B.-tanks te pompen. De pomp bleek in het geheel geen water te geven. De kapitein gaf nu order de S.B.-Ballasttanks te vullen, van achter af te beginnen. De stuurman kreeg order een vissers- vaartuig, dat in de nabijheid voer, te verzoeken in de buurt te blijven. De kapitein meldde per radio- telefoon het voorgevallene aan de rederij. Te 6.20 uur werd de gehele bemanning aan dek geroepen. Daar het water te 6 uur reeds op de luiken stond, was het niet mogelijk een vluchtluikje te openen om de toestand in het ruim te inspecteren; de slagzij was toen reeds 15 á 20°; te 6.30 uur was deze toegenomen tot 35 á 40°. De kapitein gaf te 6.45 uur order aan de opvarenden hun zwemvesten om te doen en de boten klaar te maken. Eén pomp bleef pompen op B.B.-vulling, een andere pomp vulde S.B.-bodemtanks. Te 9.45 uur waren tanks VI en VII stuurboord vol; de slagzij was niet afgenomen en nam nu weer toe. Het gelukte niet tank S.B. IV te vullen, daar de inlaat van de pomp boven water kwam. De B.B.- inlaat kon niet worden gebruikt, omdat volgens de machinist de hoofdmotor dan te weinig koelwater zou krijgen. Weldra moesten alle pompen worden gestopt, omdat zij door de grote slagzij geen brandstof toegevoerd kregen. Te 10.30 uur hield de kapitein met de stuurman en de machinist scheepsraad; besloten werd, dat de bemanning van boord zou gaan en dat de kapitein met een vrijwilliger aan boord zou blijven; hiervoor bood de kok zich aan. B.B.-boot werd te water gelaten; nog een matroos bleef aan boord. De andere 8 opvarenden gingen naar het in de buurt zijnde Engelse vissersvaartuig “Prince Victor”. De Belgische treiler “Mayflower” slaagde er in de “Columbus” zo dicht te naderen dat de matroos over kon springen. Te 12.30 uur werd het schip onbestuurbaar; het water begon nu in de campagne binnen te dringen. Te 14.30 uur begreep de kapitein, dat het schip verloren was; hij riep de Belgische treiler “La Madelon” en met grote moeite wisten de kapitein en de kok daar aan boord te komen. De kok viel te water, maar kon worden gered. De scheepspapieren gingen bij het overgooien verloren. Te 15.10 uur lag de “Columbus” plat en te 15.30 uur zonk zij. Volgens een Decca-bestek van de “Prince Victoe” geschiedde dit op 53° 48' N.B, en 02° 46'.O.L. De kapitein heeft verklaard, dat hij van mening is, dat de lading van de “Columbus” niet uit mudcoal bestond; hij heeft daarover geen verklaring van de afschepers ontvangen. De machinist heeft verklaard, dat tegen 6 uur van 7 November 1953 het schip bij het slingeren naar bakboord als het ware een schok kreeg en verder naar bakboord doorslingerde. Volgens de stabiliteitsberekeningen was de stabiliteit bij vertrek voldoende; de M.G. was 67 cm. Mogelijk wordt geacht door Ir. de Jong, dat de lading is gaan inklinken en in droge toestand is gaan schuiven. Ter zitting verklaarde de kapitein geheel overeenkomstig het hiervoor vermelde. Op 5 November 1953. te 13 uur, werd te Boston aangevangen kolen te laden. Getuige had van zijn reder order geen mudcoal in te nemen. In de papieren, welke getuige over zijn lading ontving, werd steeds gesproken over coal. Getuige heeft nooit mudcoal vervoerd, maar deze koolafval weleens gezien; deze ziet er min of meer grijs uit. De overgenomen lading bestond zeker niet uit mudcoal. Er lagen destijds enige schepen, welke alle dezelfde kolen innamen. Getuige is van mening, dat ongeveer 25% der lading uit stof bestond; er waren ook wel grote brokken bij. Getuige heeft deze kolen meermalen vervoerd. Ze waren vochtig, er kwam damp van en ze stoven vrijwel niet. Het ruim is goed volgestuwd; ook de luikhoofden waren geheel vol. De stuurman heeft gedurende de belading steeds toezicht daarop uitgeoefend en ook getuige heeft geregeld controle gehouden. Getuige verwachtte van deze lading geen moeilijkheden. Getuige heeft nimmer bij een kolen lading slingerschotten gebruikt. Het schip lag na de belading zo goed als recht, het was niet rank; later helde het bij het maken van scherpe bochten niet over. Het lag 450 cm voorover; dit was altijd het geval, wanneer de “Columbus” werd volgeladen met een homogene lading. Het schip stuurde evenwel goed. Het schip was bij vertrek geheel zeewaardig; alle openingen waren goed afgedicht. De “Columbus” had aan dek wel enige peildoppen, maar getuige is overtuigd, dat deze alle op de peilpijpen waren geschroefd. Na vertrek heeft getuige naar het weerbericht geluisterd; dit verwachtte harde Z.W.-wind. Getuige gaf order de S.B.-tanks, van achter te beginnen te vullen. Toen tanks stuurboord VI en VII vol waren, nam het toenemen van de helling even af, maar ving dan weer aan. De motor is tot het laatst langzaam vooruit blijven draaien, maar te 12.30 uur werd het schip onbestuurbaar. Getuige en de kok zijn tegen 15 uur op de treiler “La Madelon” over- gesprongen. Te 15.30 uur zonk de “Columbus”. Getuige deelde de Raad mee, dat hij niet aan kan nemen, dat de lading zou zijn overgegaan, maar denkt, dat er iets is gebeurd met het schip. Hij acht het niet onmogelijk, dat een las zou zijn opengesprongen. De huid was geklonken, maar de dekken waren gelast.
Het oordeel van de Raad luidt als volgt: Het motorschip “Columbus” is op 7 November 1953 op de Noordzee gekenterd en gezonken, waarbij de bemanning is gered. Het vervoerde een lading kolen, in charter en cognossement als “coal” aangeduid, van Engeland naar Zweden. Bij vertrek, pl.m.17.30 uur van 6 November 1953, zijn behoorlijke maatregelen genomen voor het stuwen en trimmen van de lading, het afdekken van de luchtkokers en het dichten van de luchtpijpen. Bij de belading was er rekening mede gehouden, dat het schip in homogeen geladen toestand voorover ligt, zodat achter begonnen werd en voor een ruimte van ongeveer 8 ton overbleef; bij vertrek met deze kolenlading was de diepgang voor wel 40 cm meer dan achter. Ook zonder dat bewezen is, dat de ramp hierdoor is bevorderd, moet worden opgemerkt, dat deze toestand, al moge hij dan vaker voorkomen, ongewenst is met het oog op de bestuurbaarheid en het overnemen van water. Te ongeveer 23 uur nam de wind toe en ruimde van Z. tot Z.W.; een uur later nam de stuurman de wacht over en tegen het einde van diens wacht kreeg het schip slagzij over bakboord. Toen de kapitein boven kwam, was de situatie reeds ernstig en het is zeer begrijpelijk, dat d kapitein aan de stuurman de opmerking maakte, dat hij vroeger gewekt had moeten worden, hoewel de Raad aanneemt, dat de slagzij en het water over voorschip en B.B.-gangboord eerst sinds kort waren verergerd. Toen vervolgens het schip met de kop op zee lag, zijn enige S.B.-ballasttanks gevuld, waarbij men terecht met de achterste is begonnen; ook is de hulp van naburige schepen ingeroepen. De kapitein en de kok zijn het langst aan boord van het schip gebleven, dat te 15.30 uur is gezonken. De oorzaak is niet opgehelderd kunnen worden. Op grond van deskundige verklaringen na de ramp moet worden aangenomen, dat de stabiliteit bij vertrek voldoende was. Wat de lading betreft, deze bestond, volgens inlichtingen, die door bemiddeling van de Engelse autoriteiten zijn ingewonnen, voor 40 % uit stukjes van ˝” tot 2” en overigens uit stof, met een vochtgehalte van 15%. De kapitein spreekt van 25% stof; hij vond de lading broeierig, hoewel hij ter zitting alleen spreekt over damp en vocht. Het is niet aannemelijk, dat de lading geheel uit mudcoal bestond, waarvan de gevaren bekend zijn, maar het is niet uitgesloten, dat er enige slikvorming is geweest; ook kan de lading ingeklonken zijn en zo naar bakboord overgegaan. Het was niet doenlijk voor de ramp het ruim in te gaan ter inspectie. Het is, bij het ondervonden slechte weer, ook mogelijk, dat de peilpijpen of luchtkokers tegen verwachting water is binnengekomen, en ten tenslotte is zelfs een dwarse scheur in huidplaten of, zoals de kapitein heeft verondersteld, tussen dekplaten denkbaar. Het meest waarschijnlijk is, dat twee of meer oorzaken hebben samen gewerkt. De Raad sluit zich aan bij de aanbeveling van de inspecteur voor de scheepvaart, dat aan het afgesloten blijven van de openingen naar het ruim bijzondere zorg moet worden besteed.


Ship Masters Data

Images


Description: Columbus 1952
Image type: Photo

Description: Columbus 1952.
Image type: Photo
Sources