Name ship: COLUMBUS

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1952
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
IMO number:
Nat. Official Number: 2745 Z GRON 1952
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: Two masts
Rig: 3 derricks, 3 winches
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: N.V. Scheepswerf 'Foxhol' v/h Gebr. Muller, Foxhol, Netherlands
Yardnumber: 91
Date Laid Down:
Launch Date: 1952-08-20
Delivery Date: 1952-10-02
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Netherlands
Engine Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 8
Power: 650
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 10130 Type 8ED (290x450)
Speed in knots: 11.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 499.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 329.00 Net tonnage
Deadweight: 900.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 39000 Cubic Feet
Bale: 32600 Cubic Feet
 
Length 1: 56.00 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 53.01 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 9.15 Meters Breadth, moulded
Depth: 3.23 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1952-09-26 COLUMBUS
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PDKV
Additional info:

Ship Events Data

1952-08-22: Nieuwsblad van het Noorden 22-08-2952: Tewaterlating m.s. COLUMBUS. Bij de N.V. Scheepswerf Foxhol v.h. Gebr. Muller te Foxhol had met goed gevolg de stapelloop plaats van het nieuwe motorkustvaartuig COLUMBUS, dat wordt gebouwd voor rekening van de fa. Wagenborg te Delfzijl. De Columbus is van het gladdecktype, meet 900 ton d.w. (499 br.t.) en heeft de volgende afmetingen: lengte over alles 56 m., lengte 11 52.20, breedte 9.10 m. en holte 3.90 m. Het schip zal worden uitgerust met een 650 p.k. motor, terwijl voorts in de machineKamer een hulpmotor van 20 p.k. zal worden geplaatst. De uitrusting bestaat uit twee masten met drie laadbomen met een hijsvermogen van drie tot vijf ton, Bodewes lieren, radiotelefonie, echoloodinstallatie, peilinrichting, oliegestookte centrale verwarming, electrische lichtinstallatie van 110 volt, ruimventilatoren enz. Aan dek zullen twee hulpmotoren van 20 p.k. worden opgesteld. De bouw geschiedt onder klasse Bureau Veritas met certificaat Scheepvaartinspectie voor de onbeperkte vaart en met speciaal certificaat voor dieper afladen voor de houtvaart. Op de vrijgekomen helling zal de kiel worden gelegd voor een gladdekschip van 660 ton d.w. voor rekening van een combinatie te Rotterdam, namelijk de heren J. Hulsebos, Z. Bos en S. TuiL

1952-09-30: Op 30-09-1952 als COLUMBUS, zijnde een motorschip, metende 1413.67 m3 bruto inhoud volgens meetbrief afgegeven te 's Gravenhage d.d. 25-09-1952 no. 8899, liggende te Foxhol, door C.J.A. Matthijssen, ambtenaar bij de Scheepsmetingsdienst te Groningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 2745 Z GRON 1952 op het achterschip aan S.B. zijde in het achterwand het dekhuis op verhoogd achterdek, 2.88 m. uit de hekplaat, 0.90 m. uit de lengteas, 1.50 m. uit dek.

1952-10-03: Nieuwsblad van het Noorden 03-10-1952: Proefvaart m.s. COLUMBUS. Op de Eems heeft de goed geslaagde proefvaart plaats gevonden van het nieuwe motorkustvaartuig Columbus, dat bij de N.V. Scheepswerf Foxhol v.h. Gebr. Muller te Foxhol werd gebouwd voor rekening van de fa. Wagenborg te Delfzijl. De Columbus is van het gladdektype, maat 900 ton d.w. en is uitgerust met een 650 P.K. 6 cyl. motor, waarmede het schip tijdens de proefvaart een snelheid behaalde van 11.7 mijl. De bouw geschiedde onder klasse Bureau Veritas, met certificaat Scheepvaart Inspectie voor de onbeperkte vaart en met speciaal certificaat voor dieper afladen voor de houtvaart.

1953-11-07: Final Fate: Ten gevolge van overgaan van de lading (779 ton) steenkolen (stof, gruis en kleine stukken) tijdens ruw weer 140 mijl oost van Grimsby gezonken in pos. 53.48. N - 02.45. O (50 mijl n/w van Texel) op reis Boston (Engeland) naar Stocka (Zweden). Acht bemanningsleden werden gered door het Britse vissersvaartuig 'Prince Victor' en in Grimsby aan land gezet. Een persoon ging aan boord van de Belgische trawler 'Mayflower', de laatste twee bemanningsleden werden gered door de Belgische trawler 'La Madelon' en in IJmuiden aan land gezet. Het was een gedenkwaardige dag voor de rederij Wagenborg: Men verloor deze dag dit schip maar 's morgens was bij Gebr. Niestern in Delfzijl het vlaggeschip 'KROONBORG' te water gelaten. De oorzaak van de ramp is onbekend. Wellicht is water binnengekomen of is een scheur in de dekplaten ontstaan.

1953-11-07: Nieuwsblad van het Noorden 07-11-9153: Dag van vreugde en zorg voor firma Wagenborg. COLUMBUS maakt slagzij en vraagt hulp. Sleepboot en reddingboot onderweg. Dit kustvaartuig, dat 900 ton deadweight meet en dat in Augustus van het vorige jaar bij de N.V. Scheepswerf Foxhol v.h. Gebr. Muller te Foxhol gereed kwam, heeft namelijk gemeld, dat het zich met 25° slagzij op 50 mijl ten Noordwesten van Texel op de Noordzee bevindt. De Columbus is op weg van Boston (Engeland) naar Skagen. Kapitein R. Oldenburger uit Appingedam vroeg sleepbootassistentie en tevens hulp van een reddingboot. Aan boord van het met kolen beladen schip bevinden zich 10 personen. De Holland van de firma Doeksen van Terschelling bevond zich buitengaats en zette direct koers naar het in nood verkerende Delfzijlster kustvaartuig. Ook de reddingboot Brandaris van Terschelling voer uit. Schepen in de nabijheid. Enkele schepen die zich in de buurt van de Columbus bevonden, gaven aan Scheveningen Radio hun positie op. De Siaroe die zich op een afstand van 13 mijl van de Columbus bevond, seinde om 9.45 uur Ned. tijd bij het in nood verkerende schip te kunnen arriveren. In de omgeving waren voorts de Ckab Cgattab (op 50 mijl), de Thalamus (op 25 mijl), de Baden (op 35 mijl) en de Sugar Producer (op 10 mijl). Bij informatie te Delfzijl, waar men in radio-telefonisch contact met de Columbus staat, vernamen wij, dat de hoop om het schip te kunnen behouden, gewettigd is. Men is aan boord van de coaster bezig om de Columbus recht te pompen. Vanmorgen om half elf berichtte het Engels vissersvaartuig Prince Victor dat het zich in de nabijheid van de Columbus bevindt. De schipper heeft geseind dat het in de buurt van de Groninger coaster zal blijven om eventueel assistentie te kunnen verlenen. Het is vandaag voor de firma Wagenborg te Delfzijl een bijzondere dag. Een dag van tegenstellingen, want naast de vreugde dat de nieuwe kustvaarder Kroonborg — in vele opzichten een modelcoaster — vanmorgen te water kon worden gelaten, is er de zorg over het eveneens aan deze firma toebehorend motorschip Columbus.
Algemeen Handelsblad 07-11-1953: m.s. Columbus vraagt assistentie. Het Nederlandse motorschip Columbus van de fa Wagenborg te Delfzijl (499 brt) heeft vanmorgen een S.O.S.sein uitgezonden waarin assistentie wordt verzocht. Het schip, dat slagzij maakt, bevindt zich op ongeveer 50 mijl N.W. van Texel. De Siaroe, is op weg naar de Columbus, die zowel om sleepboothulp als om een reddingboot heeft verzocht. Behalve kapitein R. Oldenburger uit Appingedam is er een bemanning van negen koppen aan boord. De kapitein van de Columbus heeft later geseind, dat negen personen van boord zijn gehaald. Acht zijn aan boord genomen van de Engelse trawler Prince Victor en één aan boord van een ander schip, de Mayflower. De kapitein en de kok zijn nog aan boord. De kapitein verwacht dat het schip binnen een paar uur zal zinken.
Leeuwarder courant 07-11-1953: Nederlandse kustvaarder maakt slagzij op Noordzee. De kustvaarder „Columbus" (499 ton) van Wagenborg in Delftzijl heeft geseind, op ril) mijl noordwest van Texel in moeilijkheden te verkeren. Het schip maakt zware slagzü- De Doeksen- sleper „Holland" is vanmorgen om halfacht van Terschelling uitgevaren en heeft met de „Columbus" inmiddels een contract op basis van „No cure no pay" afgesloten. Om acht uur voer ook de reddingboot „Brandaris" uit, doch die keerde spoedig terug, toen men vernam, dat de „Columbus" zich ver buiten het „arbeidsterrein" van de Terschellinger reddingboot bevond.
NvhN 09-11-1953: Het einde van de kustvaarder Columbus. Schip gezonken - Bemanning gered. Ondanks de vertwijfelde pogingen die de bemanning van de Columbus, een motorschip van de firma Wagenborg uit Delfzijl, Zaterdagmorgen deed om de slagzij te verminderen, is deze coaster in de loop van Zaterdagmiddag gezonken. De elf leden der bemanning konden worden gered. Hulp was nabij. De berichten die wij Zaterdag na het sluiten van de krant ontvingen wezen uit, dat de toestand van de Columbus snel gevaarlijker werd. Wij konden nog melden, dat het Engelse vissersvaartuig Prince Victor had geseind dat het in de buurt van de Delfzijlster coaster was en dat het in de nabijheid zou blijven om eventueel assistentie te kunnen verlenen. Gelukkig maar, want om kwart over elf gaf kapitein Oldenburger uit Appingedam opdracht aan zijn bemanning om de Columbus te verlaten. De kapitein en de kok bleven nog aan boord, doch al spoedig bleek dat ook zij aanstalten moesten maken om zich in veiligheid te stellen. De coaster maakte hoe langer hoe meer slagzij, op de duur naar schatting 45 a 50 graden. Voordat zij van boord gingen, het was toen tien minuten over drie, zetten zij de motoren stil en hingen in de achtermast een rode en drie witte lichten. Kok sprong in de golven. De zee was toen zo ruw, dat de Prince Victor, die acht opvarenden van de Columbus aan boord had — een ander lid van de bemanning was overgenomen door de Mayflower —, niet meer in de nabijheid van de Groninger coaster kon komen. De kok, een uitstekend zwemmer, sprong daarom in het water en wist zich zo lang drijvende te houden, dat het vissers- vaartuig La Madeion uit Zeebrugge (België) hem op kon pikken. De Madeion deed vervolgens een stoutmoedige poging om vlak langs de zinkende Columbus te varen, teneinde kapitein Oldenburger gelegenheid te geven aan boord te springen. Deze operatie gelukte volkomen, zodat alle elf opvarenden in veiligheid zijn. Schip zonk Zaterdag om half vijf. Het was omstreeks tien voor half vijf Zaterdagmiddag, toen de Columbus zonk. Het schip ligt 53.56 gr. N.B. en 02.48 gr. Oosterlengte en levert gevaar op voor de scheepvaart. La Madeion en de Mayflower zetten koers naar IJmuiden, vanwaar de drie geredden gisteren naar hun woningen werden gebracht. De Prince Victor met de acht andere opvarenden van de Columbus vertrok naar Grimsby. Het vergaan van de Columbus „Ik zag het schip voor mijn ogen verdwijnen....” Onderhoud met kapitein M. W. Oldenburger Hedenmorgen hadden wij een kort onderhoud met de kapitein van de Columbus, de heer M. W. Oldenburger, die in Appingedam bij zijn schoonouders inwoont. Zijn schoonvader, de heer Vink, is eigenaar van een café aan de Woldweg. Kapitein „Rien" Oldenburger is een forse man van 29 jaar. Zijn gezicht droeg nog de sporen van de spanning der laatste dagen. — Ik kan U niets vertellen wat U nog niet weet, waarschuwt hij ons. Het was vreselijk, ik heb sinds Zaterdag nog maar een paar uur kunnen slapen, iedereen vraagt maar — Gisteren ben ik zowat de hele dag in touw geweest voorde verzekering en zo. Ziet U, alle papieren van het schip zijn in de diepte verdwenen. Ook mijn diploma. De dappere kapitein zucht diep bij dit laatste. — Ik ben alles kwijt, mijn hele uitrusting. De oorzaak van de ramp? Ik kan het nog niet precies zeggen. We voeren met een lading kolen, waarschijnlijk is de lading gaan werken. In een paar korte zinnen vertelt de oververmoeide man ons nog hoe hij samen met zijn kok, P. Staalduinen uit Meppel, tot het laatste moment aan boord is gebleven. Na zes uur hard werken. De kapitein vertelde verder, dat hij tenslotte van boord is gesprongen en door de Belgische logger La Madeion werd gered. — Vijftien a twintig minuten later zag ik mijn schip voor mijn ogen verdwijnen Kapitein Rien Oldenburger is zichtbaar onder de indruk. 't Was toch zon laif schip: Mevrouw Eike Oldenburger—Vink was dolgelukkig met de behouden thuiskomst van haar man. Gisteravond hadden wij al een paar uur met haar en enkele vrienden op de thuiskomst van de kapitein zitten wachten. Mevrouw Oldenburger is nu vier jaar getrouwd en ze heeft een jongetje van 2½ jaar en een schattig meisje van 10 weken. Ze vertelde ons gisteravond dat ze vroeger altijd met haar man meevoer, doch sinds ze een ongelukje aan boord had gehad, waarbij ze een hersenschudding opliep, is ze aan de wal gebleven. — Het was zijn vijfde schip, vertelde ze, maar hij heeft nog nooit iets gehad, ik hoop dat dit de eerste, maar ook de laatste keer is geweest!" Sinds Maart van dit jaar voer kapitein Oldenburger op de Columbus. — 't Was toch zo'n laif schip zuchtte zijn vrouw. Een nieuwe trui... Kapitein M. W. Oldenburger is bij de schipbreuk zijn hele uitrusting kwijtgeraakt. Toen wij gisteravond laat in het café van zijn schoonouders, de heer en mevrouw Vink, op zijn thuiskomst wachtten, zat zijn charmante jonge vrouw te breien. „Ja. ziet u, alles wat hij op het laatste ogenblik nog bij elkaar had geraapt, is overboord geslagen. Ik brei maar een nieuwe trui voor hem, die zal hij nu wel nodig hebben ..." „En als ik brei, dan bibber ik ook niet zo, ziet u ..." De spanning, waaraan de moedige vrouw ten prooi was was duidelijk merkbaar. Zaterdagmorgen werd ze telefonisch op de hoogte gebracht van de moeilijke positie waarin de Columbus verkeerde. Kort na de redding van haar man werd zij door een telefoontje van dit heuglijk nieuws in kennis gesteld. Gisteravond echter werd de spanning weer groot toen het uur van aankomst van haar „Rien" steeds later werd. Tegen twaalven kwam hij thuis. Wij hebben het weerzien niet afgewacht ....
Het Vrije Volk 09-11-1953: Hoe de Columbus onderging. Vergeefs gevecht op een wilde Noordzee. (Van een onzer verslaggevers) Met een slagzij van meer dan zestig graden bakboord op een gruwelijk wilde zee met hooglopende golven heeft kapitein Rienus Oldenburger samen met zijn kok, Piet van Staalduinen, zes uur lang getracht zijn schip, de coaster Columbus varende te houden. Er was geen houden aan. Op het laatste moment, Zaterdagmiddag tegen halfvijf, besloten de beide mannen het schip te verlaten. En geen twintig minuten later verdween de Columbus op 54 graden Noorderbreedte en 2.48 graden Oosterlengte in de golven.
Zo luidt het sobere relaas, dat wij van de kapitein en de kok te horen kregen, toen zij Zondag- morgen om half acht veilig van de Belgische kotter La Madeion in IJmuiden aan wal stapten. Met een zucht van verlichting. Het was op het kantje af. In de nacht van Vrijdag op Zaterdag is het begonnen. Het was ruw weer met windkracht zeven en uitschieters tot negen uit het zuidwesten. Er liepen mirakels hoge zeeën. De kok had de wacht. Het was half vier, toen hij plotseling bemerkte, dat de „Columbus" naar bakboord overhelde. En hij sloeg alarm. Tussen vijf en halfzes zag de kapitein, dat het fout ging. Het schip maakte een slagzij van vijf en dertig graden aan bakboordzij. Hoe dat kwam, kan de kapitein noch de kok noch matroos Siebke de Haan uit Hantum in Friesland, die met de Belgische kotter Mayflower in IJmuiden binnenkwam, vertellen. Waarschijnlijk is de lading —Engelse kolen, bestemd voor Zweden — gaan werken. Dat gebeurt bij ruw weer wel meer. En men kan er in de regel weinig aan doen. Toen kapitein Oldentourger zag, dat het misging met zijn schip, heeft hij een noodsein de ether ingezonden. Er waren drie vissersschepen in zijn nabijheid, de twee Belgen uit Zeebrugge en de Engelse trawler Prince Victor uit Grimsby. De sleepboot Holland van Doeksen meldde, inmiddels met volle kracht naar de plek des onheils op te stomen. Zij zou echter te laat komen.... Begeleid door een hels kabaal van gierende wind en overstormend water zijn acht leden van de bemanning daarna in de reddingsloep gestapt en door de Prince Victar opgepikt. De negende man, matroos Siebke de Haan, kon er niet meer bij. Hij stond aan de davits, maar de wilde zee belette hem in de sloep te springen. De „Mayflower" — het was Zaterdagmorgen half elf — zwenkte naar stuurboord en met een sprong belandde Siebke de Haan op zijn dek.De „Prince Victor" stoomde naar Grimsby. Schipper Van Dierendonck van de „Mayflower" en schipper Savel Cuyeen van „La Madelon" vonden het echter raadzamer met hun schepen in de nabijheid te blijven. Urenlang hebben kapitein Oldenburger uit Appingedam en kok Van Staalduinen uit Meppel toen getracht het schip boven water te houden en te besturen. Tot het niet meer ging. Tegen half vijf Zaterdagmiddag is „La Madelon'' ten slotte langszij gekomen.
Friese koerier 10-11-1953: Op 't nippertje redt Belg kok van gezonken schip. (Van een onzer verslaggevers) Bleek, dik in de baard en de indruk makend vermoeid te zijn, ontving ons gisteren de heer P. van Staalduinen, de 30-jarige kok van de coaster „Columbus", de man die het afgelopen weekend de dood in de ogen heeft gezien, in zn woning aan de Nieuwe Hovenstraat te Meppel. In eenvoudige woorden deed hij ons zijn verhaal, nergens overdreven, nergens doorspekt van dikke woorden. Alleen maar zoals hij nog weet, dat het is gegaan. Na op de Noordzee zwaar weer te hebben gehad, maakte het schip Zaterdagmorgen 30 graden slagzij aan bakboord. .De kapitein, de 29-jarige R. Oldenburger uit Delfzijl vroeg de bemanning wie van boord wou.. Allemaal gingen ze, drie man bleven, de kapitein, de matroos Siebe de Haan uit Hantum en Van Staalduinen. Vrijwillig. De andere acht leden van de bemanning werden door de Prince Victor opgepikt. Siebe de Haan gelukte het tegen elf uur over te springen op de Mayflower. Deze schepen, met de trawler Le Madeion, waren op een noodsein komen aanvaren, evenals de sleepboot Holland van de rederij Doeksen. De sleper kwam echter te laat, de Columbus was toen reeds op 54 graden Noorderbreedte en 2.46 graden Oosterlengte (nabij Texel) gezonken. 65 Graden slagzij. De kapitein en Van Staalduinen bleven dus achter. Alleen. Een strijd tegen een zwaar slagzij makend schip en tegen een steeds ruwer wordende zee. Een hopeloze strijd zou het worden; de inzet, het schip, moesten deze beide mannen afstaan aan de natuur, de zee, die steeds weer en steeds dreigender en grimmiger kwam aanrollen. Het werd op het laatst hoe langer hoe erger. Ten leste zagen ook de beide mannen dat het niet langer ging, het schip helde toen zeker al 65 graden. Piet van Staalduinen had zich, na eerst de machines te hebben stopgezet, met veel moeite en onder grote spanning naar boven gewerkt. Een kort beraad. Wat te doen? Springen. Trachten over te springen op de Mayflower. Het gelukte de kapitein, doch niet Van Staalduinen. Hij sprong mis en raake in het schroefwater van de Mayflower. Een geluk dat de machines van de Columbus niet meer werkten. Enkele malen werd hij door de golven tegen de Columbus aangeslagen doch hij wist zich er van los te werken. Zijn krachten begonnen het te begeven, vooral ook doordat hij zout water binnen kreeg. „Een Belgisch matroos heeft met inzet van zijn eigen leven, me dat touwtje toegeworpen waaraan ik mijn leven heb te danken." Deze Belg slaagde er n.l. in met een touw Van Staalduinen vanaf het achterschip van de Mayflower te bereiken.. Toen pas was ook de kok gered. Een redding op het nippertje. Het ergste kwam echter nog, zo vertelt Van Staalduinen verder, „het moment waarop de Columbus in de golven verdween. Een moment om nooit te vergeten, een schip dat nog maar amper dertien maanden in de vaart is zie je daar voor je eigen ogen in de Noordzee verdwijnen". Het schip mat 499 ton, werd in 1952 te Foxhol gebouwd en was eigendom van de rederij E. Wagenborg te Delfzijl. Mevrouw Van Staalduinen hoorde pas laat in de middag van het ongeluk. Zij was net Zondag jarig. Geen held. Er werd gebeld. Mensen met burgerkleding stonden aan de deur. Van Staalduinen raakte alles op het schip kwijt. Ook zijn wintergoed dat hij deze reis mee aan boord had genomen. Het kan in Finland om deze tijd van het jaar zo koud zijn. En Finland was het doel van de reis. Hij moest andere kleren hebben. Zeeman Van Staalduinen werd weer „mijnheer" Van Staalduinen. Wij zijn toen vertrokken. Wij namen afscheid niet van een held, persé niet, Van Staalduinen zou boos zijn, wanneer we hem zo hadden genoemd, doch wel van een zeeman. Vandaag vertrekt hij naar Delfzijl. Om aan te monsteren voor de volgen de reis.

1954-02-08: Raad voor de Scheepvaart. No. 17. St.-Crt. No. 27 van 8 Februari 1954. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake het zinken van het motorschip “COLUMBUS” in de Noordzee op 53°48° N.B. en 02°46° O.L. Op 7 November 1953 is het motorschip “Columbus”, op de reis van Boston naar Stocka, in de Noordzee op 53°48° N.B. en 02°46° O.L. gezonken. Het motorschip “Columbus”, toebehorende aan N.V. E. Wagenborg's Scheepvaart en Expeditiebedrijf te Delfzijl, was in 1952 gebouwd te Foxhol, met 499 bruto-registerton en werd voortbewogen door een 650 PK Brons motor. Op 4 November 1953, te 17 uur, beeindigde de “Columbus” te Boston de lossing van een lading hout. Hierna zijn ruim, vullings en pompflessen schoongemaakt. Op 5 November 1953, te 13 uur, verhaalde het schip naar een kolentip en begon een volle lading kolen over te nemen. Op 6 November 1953, te 10.30 uur, was men hiermee gereed. Totaal was overgenomen 779 ton outcrop untreated 2” smaals, volgens de afschepers bestaande uit 40% stukken van ½ á 2”, de rest uit stof; de vochtigheid zou circa 15% zijn. Volgens de kapitein bestonden de kolen uit stof, gruis en kleine stukken ter grootte van een noot. De lading was enigszins vochtig en broeierig en werd uit spoorwagons geladen. Onder dek, zowel voor luik 1 als achter luik 2 en tussen deze luiken, had het schip vaste stalen langschotten; in de luiken zijn geen schotten geplaatst. Het ruim en de luikhoofden werden goed volgetrimd; aan de voorkant van het ruim bleef een ruimte van omstreeks 8 ton onbeladen. De ballasttanks waren leeg. Er was ongeveer 20 ton brandstofolie aan boord, geladen in de tunneltank en in een dubbele bodemtank. Het wintermerk kwam nog een duim boven water; het schip lag 40 cm voorover en lag iets over bakboord, maar was niet rank. Na de belading werden de luiken afgedekt met 2 kleden en geschalkt; luchtkokers waren afgedekt met metalen kappen, de luchtpijpen der tanks werden met houten proppen gedicht, de vluchtluikjes waren met knevels gesloten. Op 6 November 1953, te 17.30 uur, vertrok de “Columbus” onder loodsaanwijzing van Boston met bestemming Stocka. De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit 11 personen. Te 18.00 uur werden tanks en vullings door de 3de machinist gepeild; dit werd elke dag gedaan en bovendien werd aan het einde van elke wacht door de machinisten op de vullings en de dubbele-bodemtanks gepompt. Men ondervond aanvankelijk goed weer, de wind was Zuid 3-4. Te 22.35 uur werd Dowsing V.S. Gepasseerd; hierna werd 77° r.w., 85° kompas gestuurd, naar S 2 V.S. Te 23 uur nam de wind in kracht toe en ruimde naar Z.W.; de zee was aanschietend; het schip begon water over te nemen. Op 7 November, te 0 uur, kreeg de stuurman de wacht, welke zou duren tot 6 uur. De stuurman bemerkte omstreeks 5.30 uur, dat het schip zwaarder naar bakboord dan naar stuurboord overhaalde. Daar de kapitein toch weldra zou worden gepord, achtte hij het niet nodig deze reeds eerder te roepen. Bij het slingeren kwam de B.B.-verschansing af en toe onder water. De kapitein werd te 5.45 uur gewekt; het was hem reeds opgevallen, dat het schip meer naar bakboord dan naar stuurboord overhaalde. Toen hij op de brug kwam, was de wind Z.W.7; de zee was ruw. Toen hij tegen de stuurman opmerkte, dat deze hem eerder had moeten waarschuwen, nu het schip zo'n slagzij had, dat het B.B-gangboord voortdurend vol water stond, antwoordde de stuurman, dat het schip pas sinds een kwartier slagzij maakte. Het schip liep nog volle kracht, in koers 77° r.w. De kapitein liet vaart minderen en draaide het schip met de kop op zee. De B.B-vullingen konden niet gepeild worden, daar de achterpeilkoker onder water stond en de kapitein het te gevaarlijk achtte iemand naar de voorpeilkoker te sturen. Hij gaf de machinist opdracht op de B.B.-vulling en B.B.-tanks te pompen. De pomp bleek in het geheel geen water te geven. De kapitein gaf nu order de S.B.-Ballasttanks te vullen, van achter af te beginnen. De stuurman kreeg order een vissers- vaartuig, dat in de nabijheid voer, te verzoeken in de buurt te blijven. De kapitein meldde per radio- telefoon het voorgevallene aan de rederij. Te 6.20 uur werd de gehele bemanning aan dek geroepen. Daar het water te 6 uur reeds op de luiken stond, was het niet mogelijk een vluchtluikje te openen om de toestand in het ruim te inspecteren; de slagzij was toen reeds 15 á 20°; te 6.30 uur was deze toegenomen tot 35 á 40°. De kapitein gaf te 6.45 uur order aan de opvarenden hun zwemvesten om te doen en de boten klaar te maken. Eén pomp bleef pompen op B.B.-vulling, een andere pomp vulde S.B.-bodemtanks. Te 9.45 uur waren tanks VI en VII stuurboord vol; de slagzij was niet afgenomen en nam nu weer toe. Het gelukte niet tank S.B. IV te vullen, daar de inlaat van de pomp boven water kwam. De B.B.- inlaat kon niet worden gebruikt, omdat volgens de machinist de hoofdmotor dan te weinig koelwater zou krijgen. Weldra moesten alle pompen worden gestopt, omdat zij door de grote slagzij geen brandstof toegevoerd kregen. Te 10.30 uur hield de kapitein met de stuurman en de machinist scheepsraad; besloten werd, dat de bemanning van boord zou gaan en dat de kapitein met een vrijwilliger aan boord zou blijven; hiervoor bood de kok zich aan. B.B.-boot werd te water gelaten; nog een matroos bleef aan boord. De andere 8 opvarenden gingen naar het in de buurt zijnde Engelse vissersvaartuig “Prince Victor”. De Belgische treiler “Mayflower” slaagde er in de “Columbus” zo dicht te naderen dat de matroos over kon springen. Te 12.30 uur werd het schip onbestuurbaar; het water begon nu in de campagne binnen te dringen. Te 14.30 uur begreep de kapitein, dat het schip verloren was; hij riep de Belgische treiler “La Madelon” en met grote moeite wisten de kapitein en de kok daar aan boord te komen. De kok viel te water, maar kon worden gered. De scheepspapieren gingen bij het overgooien verloren. Te 15.10 uur lag de “Columbus” plat en te 15.30 uur zonk zij. Volgens een Decca-bestek van de “Prince Victoe” geschiedde dit op 53° 48' N.B, en 02° 46'.O.L. De kapitein heeft verklaard, dat hij van mening is, dat de lading van de “Columbus” niet uit mudcoal bestond; hij heeft daarover geen verklaring van de afschepers ontvangen. De machinist heeft verklaard, dat tegen 6 uur van 7 November 1953 het schip bij het slingeren naar bakboord als het ware een schok kreeg en verder naar bakboord doorslingerde. Volgens de stabiliteitsberekeningen was de stabiliteit bij vertrek voldoende; de M.G. was 67 cm. Mogelijk wordt geacht door Ir. de Jong, dat de lading is gaan inklinken en in droge toestand is gaan schuiven. Ter zitting verklaarde de kapitein geheel overeenkomstig het hiervoor vermelde. Op 5 November 1953. te 13 uur, werd te Boston aangevangen kolen te laden. Getuige had van zijn reder order geen mudcoal in te nemen. In de papieren, welke getuige over zijn lading ontving, werd steeds gesproken over coal. Getuige heeft nooit mudcoal vervoerd, maar deze koolafval weleens gezien; deze ziet er min of meer grijs uit. De overgenomen lading bestond zeker niet uit mudcoal. Er lagen destijds enige schepen, welke alle dezelfde kolen innamen. Getuige is van mening, dat ongeveer 25% der lading uit stof bestond; er waren ook wel grote brokken bij. Getuige heeft deze kolen meermalen vervoerd. Ze waren vochtig, er kwam damp van en ze stoven vrijwel niet. Het ruim is goed volgestuwd; ook de luikhoofden waren geheel vol. De stuurman heeft gedurende de belading steeds toezicht daarop uitgeoefend en ook getuige heeft geregeld controle gehouden. Getuige verwachtte van deze lading geen moeilijkheden. Getuige heeft nimmer bij een kolen lading slingerschotten gebruikt. Het schip lag na de belading zo goed als recht, het was niet rank; later helde het bij het maken van scherpe bochten niet over. Het lag 450 cm voorover; dit was altijd het geval, wanneer de “Columbus” werd volgeladen met een homogene lading. Het schip stuurde evenwel goed. Het schip was bij vertrek geheel zeewaardig; alle openingen waren goed afgedicht. De “Columbus” had aan dek wel enige peildoppen, maar getuige is overtuigd, dat deze alle op de peilpijpen waren geschroefd. Na vertrek heeft getuige naar het weerbericht geluisterd; dit verwachtte harde Z.W.-wind. Getuige gaf order de S.B.-tanks, van achter te beginnen te vullen. Toen tanks stuurboord VI en VII vol waren, nam het toenemen van de helling even af, maar ving dan weer aan. De motor is tot het laatst langzaam vooruit blijven draaien, maar te 12.30 uur werd het schip onbestuurbaar. Getuige en de kok zijn tegen 15 uur op de treiler “La Madelon” over- gesprongen. Te 15.30 uur zonk de “Columbus”. Getuige deelde de Raad mee, dat hij niet aan kan nemen, dat de lading zou zijn overgegaan, maar denkt, dat er iets is gebeurd met het schip. Hij acht het niet onmogelijk, dat een las zou zijn opengesprongen. De huid was geklonken, maar de dekken waren gelast.
Het oordeel van de Raad luidt als volgt: Het motorschip “Columbus” is op 7 November 1953 op de Noordzee gekenterd en gezonken, waarbij de bemanning is gered. Het vervoerde een lading kolen, in charter en cognossement als “coal” aangeduid, van Engeland naar Zweden. Bij vertrek, pl.m.17.30 uur van 6 November 1953, zijn behoorlijke maatregelen genomen voor het stuwen en trimmen van de lading, het afdekken van de luchtkokers en het dichten van de luchtpijpen. Bij de belading was er rekening mede gehouden, dat het schip in homogeen geladen toestand voorover ligt, zodat achter begonnen werd en voor een ruimte van ongeveer 8 ton overbleef; bij vertrek met deze kolenlading was de diepgang voor wel 40 cm meer dan achter. Ook zonder dat bewezen is, dat de ramp hierdoor is bevorderd, moet worden opgemerkt, dat deze toestand, al moge hij dan vaker voorkomen, ongewenst is met het oog op de bestuurbaarheid en het overnemen van water. Te ongeveer 23 uur nam de wind toe en ruimde van Z. tot Z.W.; een uur later nam de stuurman de wacht over en tegen het einde van diens wacht kreeg het schip slagzij over bakboord. Toen de kapitein boven kwam, was de situatie reeds ernstig en het is zeer begrijpelijk, dat d kapitein aan de stuurman de opmerking maakte, dat hij vroeger gewekt had moeten worden, hoewel de Raad aanneemt, dat de slagzij en het water over voorschip en B.B.-gangboord eerst sinds kort waren verergerd. Toen vervolgens het schip met de kop op zee lag, zijn enige S.B.-ballasttanks gevuld, waarbij men terecht met de achterste is begonnen; ook is de hulp van naburige schepen ingeroepen. De kapitein en de kok zijn het langst aan boord van het schip gebleven, dat te 15.30 uur is gezonken. De oorzaak is niet opgehelderd kunnen worden. Op grond van deskundige verklaringen na de ramp moet worden aangenomen, dat de stabiliteit bij vertrek voldoende was. Wat de lading betreft, deze bestond, volgens inlichtingen, die door bemiddeling van de Engelse autoriteiten zijn ingewonnen, voor 40 % uit stukjes van ½” tot 2” en overigens uit stof, met een vochtgehalte van 15%. De kapitein spreekt van 25% stof; hij vond de lading broeierig, hoewel hij ter zitting alleen spreekt over damp en vocht. Het is niet aannemelijk, dat de lading geheel uit mudcoal bestond, waarvan de gevaren bekend zijn, maar het is niet uitgesloten, dat er enige slikvorming is geweest; ook kan de lading ingeklonken zijn en zo naar bakboord overgegaan. Het was niet doenlijk voor de ramp het ruim in te gaan ter inspectie. Het is, bij het ondervonden slechte weer, ook mogelijk, dat de peilpijpen of luchtkokers tegen verwachting water is binnengekomen, en ten tenslotte is zelfs een dwarse scheur in huidplaten of, zoals de kapitein heeft verondersteld, tussen dekplaten denkbaar. Het meest waarschijnlijk is, dat twee of meer oorzaken hebben samen gewerkt. De Raad sluit zich aan bij de aanbeveling van de inspecteur voor de scheepvaart, dat aan het afgesloten blijven van de openingen naar het ruim bijzondere zorg moet worden besteed.
NvhN 22-12-1954: De ondergang van het m.s. Columbus Louter gissingen naar oorzaak. Zaterdagmiddag 7 November 1953 om half vier verdween het 499 brt. metende m.s. Columbus met een lading kolen van Boston (Engeland) naar Zweden onderweg, op ongeveer 50 mijl Noord- West van Texel voor altijd onder de golven. Het in 1952 gebouwde schip was eigendom van de rederij Wagenborg te Delfzijl. De Raad voor de Scheepvaart heeft gisteren een onderzoek naar de oorzaak van deze scheepsramp ingesteld en de 30-jarige kapitein M. W. Oldenburger uit Appingedam als getuige gehoord. De inspecteur voor de scheepvaart kwam aan het eind der langdurige zitting tot de conclusie dat voor de oorzaak van het vergaan alleen gissingen mogelijk waren. Een er van is, dat tijdens het 's nachts slechter geworden weer de lading door het slingeren zeer sterk zou zijn ingekrompen en is gaan verschuiven. De Raad zal later schriftelijk uitspraak doen.
Het Parool 22-12-1954. Raad v.d. Scheepvaart behandelde vergaan van coaster. (Van een onzer verslaggevers) Naar de oorzaak van de ramp met de kustvaarder „Columbus", die op 7 November van het vorig jaar ongeveer 50 myl ten Noord-Westen van Texel verging, heeft de raad voor de scheepvaart gisteren slechts kunnen gissen. „Wij kunnen de loop van de gebeurtenissen niet meer reconstrueren" sprak de inspecteur, de heer J. Metz. Volgens de heer Metz zijn er drie mogelijkheden: er is, bijvoorbeeld door lekende luchtkokers, water bij de lading kolen gekomen, waardoor deze is gaan schuiven, of de lading is eerst gaan schuiven, waarna er door de zware slagzij van het schip water in het ruim kwam. Een derde mogelijkheid is een combinatie daarvan. In verband hiermee drong de heer Metz er op aan, dat er op de schepen bijzondere aandacht wordt besteed aan openingen, die waterdicht afgesloten moeten kunnen worden. De kapitein van het schip, de 30-jarige M. W. Oldenburger, vertelde, dat de kolen goed waren geladen, maar dat er in het voorruim nog plaats voor ongeveer zes ton kolen was overgebleven, omdat hij toen het ruim bijna vol was, alleen nog maar een hele wagon of niets kon nemen. De kolen, die volgens hem voor 25 pct. uit stof en de rest uit stukjes bestonden, waren „wat dampig". Bij een sterke Zuidwestelijke wind is het schip sterk over bakboord gaan hellen, met het gemelde resultaat. Alle opvarenden konden worden gered. De kapitein was tot het laatste toe aan boord van zijn schip gebleven. De raad zal schriftelijk uitspraak doen.

Ship Masters Data

Images


Description: Columbus 1952.
Image type: Photo

Description: Proefvaart
Image type: Photo

Description: Proefvaart
Image type: Photo
Sources