Name ship: CORNELIA B II

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1951
Classification Register: Lloyd's Register of Shipping (LR)
IMO number: 5080031
Nat. Official Number: 7737 Z ROTT 1951
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Half shelterdeck
Masts: Three masts
Rig: 4 derricks, 4 winches
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 2
Construction Data

Shipbuilder: T. van Duijvendijk's Scheepswerf C.V., Lekkerkerk, Netherlands
Yardnumber: Z.46
Date Laid Down:
Launch Date:
Delivery Date: 1951-07-00
Technical Data

Engine Manufacturer: Maschinenbau Kiel A.G., Kiel, German Federal Republic
Engine Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 6
Power: 750
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: MAK Nr. 10502 Type (385x580)
Speed in knots: 11.50
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 500.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 257.00 Net tonnage
Deadweight: 960.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 55000 Cubic Feet
Bale: 51000 Cubic Feet
 
Length 1: 61.60 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 57.24 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 9.39 Meters Breadth, moulded
Depth: 3.12 Meters Depth, moulded
Draught: 3.80 Meters Draught, maximum
 
Configuration Changes

1954-00-00: In 1954 verbouwd tot vol shelterdekker door het sluiten van de kuil. L. 187.8 (was 182.5). G 61.000 cft, B. 58.000 cft. GRT 488, NRT 253, TDW 960

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1951-07-16 CORNELIA B II
Manager: Van Nievelt, Goudriaan & Co's Stoomvaart-Maatschappij N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Okko Bosma, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PDLZ
Additional info:

Date/Name Ship 1954-12-15 ENCARNACION
Manager: Van Nievelt, Goudriaan & Co's Stoomvaart-Maatschappij N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Okko Bosma, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PDXT
Additional info:

Date/Name Ship 1958-01-24 CORNELIA B-II
Manager: Oost Atlantic Lijn N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Okko Bosma, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PDWM
Additional info:

Date/Name Ship 1969-08-12 CORNELIA B II
Manager: Oost Atlantic Lijn N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Bosma’s Scheepvaart- & Handelsbedrijf N.V., Willemstad (NA), Netherlands Antilles
Shareholder: Okko Bosma, Groningen
Homeport / Flag: Willemstad (NA) / Netherlands Antilles
Callsign: PJMX
Additional info:

Date/Name Ship 1973-03-00 DRAKOS
Manager: Drakos Shipping Company Ltd., Panama, Panama R.P.
Owner: Drakos Shipping Company Ltd., Panama, Panama R.P.
Shareholder:
Homeport / Flag: Panama / Panama R.P.
Callsign: HO7923
Additional info:

Date/Name Ship 1973-07-00 ANIKA
Manager: Anika Shipping S.A., Panama, Panama R.P.
Owner: Anika Shipping S.A., Panama, Panama R.P.
Shareholder:
Homeport / Flag: Panama / Panama R.P.
Callsign: HO7923
Additional info:

Date/Name Ship 1985-00-00 ANIKA
Manager: Orion Navigation Co., Panama, Panama R.P.
Owner: Orion Navigation Co., Panama, Panama R.P.
Shareholder:
Homeport / Flag: Panama / Panama R.P.
Callsign: HO7923
Additional info:

Ship Events Data

1951-07-17: Op 17-07-1951 als CORNELIA B II, zijnde een stalen motorschip, groot 1415.88 m3 bruto inhoud volgens meetbrief afgegeven te 's Gravenhage no. 8484 d.d. 09-07-1951, liggende te Lekkerkerk, door T. van 't Hof, scheepsmeter te Rotterdam, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 7737 Z ROTT 1951 op het achterschip aan S.B. zijde in voorkant wand ingang machineklamer, 3.10 m. uit hekplaat, 1.85 m. uit lengteas en 1.50 m. boven dek.

1952-10-12: NvhN 13-10-1952: De Cornelia B2 liep bij Ameland op mijn. Schip zwaar beschadigd, de bemanning ongedeerd. Kapitein Ludwig vertelt.
„Jongens, dat is meegevallen. Mijn gelukwensen", zei reder O. Bosma, toen hij vanmorgen om half acht met behulp van een laddertje aan boord van de Cornelia B II kon klauteren, die gistermorgen dwars van Ameland, om precies te zijn bij het Bornrif, zo'n angstig avontuur beleefde. De reder was gisteravond nog uit Groningen naar Rotterdam gekomen om zijn mensen de hand te drukken en regelingen te treffen.
We waren achter de reder aan geklommen en bevonden ons in het kapiteinsverblijf al spoedig in gesprek met de gezagvoerder, kapitein J. W. Ludwig, eveneens een Groninger. Meubilering en uitrusting van de hut zagen er ogenschijnlijk nog behoorlijk uit „Geen wonder", zei de kapitein, toen we een opmerking dienaangaande maakten. „Ik heb de ravage zo goed mogelijk opgeruimd, maar u had het gisterochtend moeten zien". Sober doet kapitein Ludwig dan zijn verhaal. De Cornelia B II was Vrijdagavond uit Kopenhagen vertrokken met een lading van 670 ton gerst en 200 ton creoliet, bestemd voor Rotterdam. Zondagmorgen bevond men zich al ter hoogte van Ameland en dacht: vanavond zetten we voet aan wal in Rotterdam. Maar het zou anders zijn. Het was acht uur. De kapitein had zich juist gewassen en wilde in zijn jas schieten. Hij moest immers de stuurman aflossen, die tot dan toe de wacht had gehad. Plotseling een geweldige klap. Het was of het schip werd opgetild en weer neerplonsde. De gezagvoerder kreeg een gevoel, of hij met het hoofd tegen het plafond van zijn hut was gesmakt. De houtsplinters uit de hut vlogen hem om de oren. Zijn eerste gedachte was: een mün. Meteen vloog hij naar buiten, nog tijdig genoeg om de waterkolom te zien, die achter het schip omhoogspoot. Kapitein Ludwig nam vlug de nodige maatregelen. Er moest direct onderzocht worden hoe het beneden de waterlijn stond. Zou er veel water binnenkomen? De kapitein rende naar boven om de radio te proberen, maar daar was geen geluid uit te krijgen en zenden ging evenmin. Dit was lelijker. Het betekende, dat hij voorlopig van de buitenwereld afgesloten was. Voor alle zekerheid liet hij onmiddellijk een boot gereed houden, om op alle gebeurtenissen voorbereid te zijn. Peilingen en andere onderzoekingen wezen er echter niet op, dat er veel water binnendrong. Gelukkig maar. Machine werkte niet. Intussen keek men uit naar in de buurt zijnde schepen, om contact te kunnen krijgen, want in ieder geval werkte de machine niet meer. Achter de Cornelia B II naderde het Deense tankschip Faero Shell, dat net door de Cornelia gepasseerd was. De Deen zag gelukkig, dat de Cornelia bijdraaide en kwam naar haar toe. De kapitein verzocht de Faero Shell op de noodgolf direct Scheveningen Radio te waarschuwen en in ieder geval in de buurt te blijven. Met de gevierde boot roeide kapitein Ludwig vervolgens naar de Deen, waar hij van de Deense gezagvoerder hoorde, dat ook zijn schip door de ontploffing een schok had gekregen. Pas toen hij de Cornelia had zien bijdraaien, had hij begrepen, dat het schip getroffen was. Aan boord van het Deense tankschip is kapitein Ludwig direct aan het telefoneren gegaan, o.a. met zijn reder in Groningen. Later is hij naar boord teruggekeerd, waar hij nu rustiger gelegenheid had de ravage in ogenschouw te nemen en met zijn bemanning te praten. Geen letsel. Niemand had noemenswaardig letsel opgelopen. Nu ja, de eerste machinist, die zich toevallig op de bolder bevond, had een luchtsprong gemaakt en was wat onzacht op zijn stuitje terecht gekomen en het deel van de bemanning, dat ter kooi lag, was uit bed gerold, maar dat was dan ook alles. Erger was het met de machine gesteld. Vermoedelijk is o.m. de schroefaskoker gebroken. Daardoor was de hulp van de zeesleper Holland noodzakelijk geworden, die de Cornelia naar Rotterdam trok. De reddingboten van Hollum, Oosterend en Terschelling, die ook waren uitgevaren, behoefden gelukkig nog geen dienst te doen. „Dat dit nu juist met mijn schip gebeuren moest", zei kapitein Ludwig. „We zaten nl. mooi in de route en het was zelfs ongewoon druk. Vermoedelijk zijn we het slachtoffer geworden van een z.g. grond- of trilmijn, die pas ontploft wanneer er een bepaald aantal schepen overheen gevaren is. Hadden wij te doen gehad met een magnetische mijn, dan waren wij er waarschijnlijk niet zo best afgekomen. Een meter of vijf meer naar bakboord of stuurboord gevaren en we waren de dans ontsprongen. Maar het heeft zo moeten zijn en laten we dankbaar wezen, dat er niets ergers is gebeurd".
Het Vrije Volk 13-10-1952: Trilmijn slaat coaster Cornelia B II uit elkaar. Schip bleef drijvende, bemanning ongedeerd. (Van een onzer verslaggevers) Dwars door het Bornrif, ten Noorden van Ameland, tussen de boeien ET 12 en 13 is Zondag- morgen de Groningse kustvaarder „Cornelia B. II" van de rederij Bosma uit Groningen, die in time- charter voor Van Nievelt Goudriaan te Rotterdam voer, op een mijn gelopen. Het schip was dank zij zijn snelle vaart reeds nagenoeg over de mijn geschoven, toen de ontploffing, die met geweldige kracht het schip in al zijn voegen deed kraken, volgde. Het achterschip werd getroffen en een groot gat werd in de romp beneden de waterlijn geslagen.
Hier bevinden zich de olietanks. Het getroffen scheepsdeel was goed afgesloten, zodat er slechts weinig water kon binnenstromen. Hierdoor bleef het schip drijvende. Persoonlijke ongelukken deden zich niet voor, al heeft het een haar gescheeld. Kapitein J. W. Ludwig was op het ogenblik van de ontploffing in zijn toiletkamer. Koksmaatje Kaldenhove bakte kippetjes voor de Zondags- maaltijd. Het was rustig, zonnig weer. De Cornelia schoof over de gladde zee snel naar haar bestemmingsplaats Rotterdam, waarheen de boot 670 ton gerst en 20 ton creoliet moest brengen, gehaald uit Kopenhagen. Hoge waterzuil. Na de slag vloog kapitein Ludwig uit zijn hut. Achter het schip zag hij nog een hoge waterzuil neerploffen. Kok Kaldenhove wist juist onder een grote fornuisplaat, die tegen de zoldering van de kombuis was geslagen, door te duiken. De kippen vlogen uit de pan en ik kreeg zo'n klap, zo vertelde ons het vrolijke kokje, bekomen van de schrik, dat het wel leek, alsof ik de vliegende kippen achterna wilde.
De bemanningsleden, voorzover nog ter kooi, werden uit hun bedden geslagen. De spiegel van de wastafel in de kapiteinshut vloog van de wand. De deuren werden uit de kasten geslagen. De werktuigen in de machinekamer waren van hun fundamenten losgewrikt. De scheepsmachine was nog slechts een brokkenwinkel. Cornelia vloog een meter uit zee omhoog. Onmiddellijk liet kapitein Ludwig een reddingboot strijken, maar de Cornelia bleek het te houden. In de nabijheid voer een Deense tanker, die de Cornelia juist achter zich had gelaten. De radio van de Cornelia, de electrische installatie, schakelborden, kortom alles, wat maar even los stond of hing, was grondig vernield. Zelfs waren de armleuningen uit de stoelen gerukt. Kapitein Ludwig stelde zich via de Deense tanker in verbinding met zijn rederij. Doeksen op Terschelling ving de radioberichten van de Deense tanker op en onmiddellijk voer de Holland II ter assistentie uit. Ook de reddingboot Brandaris van Terschelling koos zee, maar behoefde geen hulp te verlenen. Naar Rotterdam. De Holland II heeft de Cornelia aan haar trossen gebonden, bereikte vanmorgen om 3 uur de Rotterdamse haven, waar het schip, ogenschijnlijk zonder enig mankement, voor de Westerkade op de Maas ligt. De uit elf koppen bestaande bemanning heeft van geluk mogen spreken. De klap van de ontploffende trilmijn was zo hevig, dat zelfs de Deen, die eveneens op enkele tientallers meters afstand in de schoongeveegde vaargeul voer, werd opgelicht. En ik zelf had het gevoel, door de lucht te worden gezwaaid, zo vertelde kapitein Ludwig ons. Toen ik weer op mijn benen stond, schokte het schip nog na: het is zeker een meter opgelicht en toen weer in het water neergeploft.
Familieleden van de bemanning stonden al vroeg op de kade. De jongens waren behouden thuis, en dat was de hoofdzaak.
De Cornelia B II, pas anderhalf jaar geleden in Lekkerkerk gebouwd bij T. van Duyverdijk en 499 ton metende, ongeschonden naar het lijkt, maar....
De Heerenveensche courier 14-10-1952: Kapitein Ludwig van Cornelia B II: We zaten precies vijf meter verkeerd. Ik had me net gewassen........
De Cornelia B II, die Zondagmorgen om half acht ten Noorden van Ameland op een mijn liep, is gistermorgen de Rotterdamse haven binnengesleept. Het schip lag maar nauwelijks aan de kade, of reder O. Bosma uit Groningen klom al aan boord om zijn mensen geluk te wensen met de goede afloop van het avontuur. Dat het allemaal nog zo is gegaan is misschien mede te danken aan het feit, dat er een ander schip in de nabijheid van de Cornelia B II was, die op de noodgolf Radio Scheveningen waarschuwde, met het gevolg dat er spoedig sleepboothulp werd verleend. Kapitein Ludwig vertelde, dat men vermoedelijk het slachtoffer is geworden van een zogenaamde grond- of trilmijn, die pas ontploft, wanneer er een bepaald aantal schepen overheen is gevaren. Waren we een meter of vijf meer naar bakboord of stuurboord gevaren, aldus de gezagvoerder, dan waren we de dans ontsprongen. Maar het heeft niet zo mogen zijn en laten we dankbaar wezen, dat er niets ergers is gebeurd.
De Cornelia B II was Vrijdagavond uit Kopenhagen vertrokken met een leiding van 670 ton gerst en 200 ton creoliet, bestemd voor Rotterdam. Zondagmorgen bevond men zich al ter hoogte van Ameland en men dacht: vanavond metten we voet aan wal in Rotterdam. Maar het zou anders zijn. De kapitein had zich juist gewassen en wilde de stuurman aflossen. Plotseling kreeg het schip een geweldige klap en was het alsof het uit het water werd opgetild. De gezagvoerder kreeg het gevoel of hij met het hoofd tegen het plafond van zijn hut was gesmakt. Meteen vloog hij naar buiten, nog tijdig genoeg om de waterkolom te zien, die achter het schip omhoog spoot. Radio zwijgt. De kapitein nam direct de nodige maatregelen. Hij rende naar boven om de radio te proberen, doch daar was geen geluid uit te krijgen; de zender deed het evenmin, zodat men van de buitenwereld was afgesloten. Voor alle zekerheid liet de kapitein een boot gereed houden. Peilingen en andere onderzoekingen wezen echter uit, dat er niet veel water binnen drong. Intussen keek men uit naar schepen in de buurt, teneinde contact te kunnen krijgen, daar de machine niet meer werkte. Achter de Cornelia B II naderde gelukkig 't Deense tankschip Faero, die bij draaide en Radio Scheveningen waarschuwde.
Hoewel de ravage aan boord groot was, had niemand noemenswaardig letsel opgelopen. De machine was zwaar beschadigd — de schroefaskoker is vermoedelijk gebroken — zodat de hulp van een sleepboot noodzakelijk was.
Leeuwarder courant 25-08-1953: Vegen van mijnen is niet volstrekt afdoende. „De mijnontploffing die de „Cornelia B II" op 12 October heeft getroffen, terwijl het schip langs de geveegde route benoorden de Waddeneilanden voer is een uitzonderlijk geval waaruit weer blükt, dat het vegen niet volstrekt afdoende is. Aan de bevaarbaarheid van het vroegere mijnengebied wordt telkens opnieuw grote zorg besteed, zodat de Raad geen nadere aanwijzing behoeft te geven". Aldus het schriftelijke oordeel van de Raad van de Scheepvaart over het ongeluk met de „Cornelia B ll' van de Groningse reder O. Bosma. Het schip werd toen door de „Holland" naar Rotterdam gesleept.
De waarheid 25-08-1953: Mijnenvegen niet voldoende. Raad voor de Scheepvaart over het mijn ongeluk met de Cornelia B II. „De mijnontploffing die de Cornelia B II op 12 October jl. heeft getroffen, terwijl het schip langs de geveegde route benoorden de Waddeneilanden voer, is een uitzonderlijk geval waaruit weer blijkt, dat het vegen niet volstrekt afdoende is. Aan de bevaarbaarheid van het vroegere mijnengebied wordt telkens opnieuw grote zorg besteed, zodat de raad geen nadere aanwijzing behoeft te geven." Aldus het schriftelijke oordeel van de Raad van de Scheepvaart over het ongeluk met het 499 bruto registerton metende, door een motor van 750 pk voortbewogen schip, dat toebehoort aan de Groningse reder O. Bosma. Het was op weg van Kopenhagen naar Rotterdam toen het te acht uur des morgens in volle vaart (10,5 mijl) bij boei ET 12 op een mijn liep. Nadat het Deense tankschip Faero Shell de kapitein in de gelegenheid had gesteld zich met zijn rederij in verbinding te stellen is de Cornelia B II de volgende dag door de „Holland" naar Rotterdam gesleept.
Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van Maandag 31 Augustus 1953. no.167. Uitspraak voor den Raad van de Scheepvaart: No.75, Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake de mijnontploffing, waardoor het motorschip „Cornelia B II" benoorden Terschelling werd getroffen. Op 12 October 1952 is het motorschip „Cornelia II", op de reis van Kopenhagen naar Rotterdam, benoorden Terschelling getroffen door een mijnontploffing en ernstig beschadigd. Het schip is door de sleepboot “Holland" naar Rotterdam gesleept. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze ramp. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 29 Juli 1953, in tegenwoordig- heid van de inspecteur voor de scheepvaart J. Metz. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein en de stuurman van de „Cornelia B II", zomede van het scheepsdagboek en kladjournaal en de te Rotterdam afgelegde scheepsverklaring, benevens twee brieven van de N.V. „Doeksen", te Terschelling, en de door de kapitein gebruikte Engelse kaart 2593: Terschelling Zeegat to Friesche Zeegat, en hoorde de kapitein J. W. Ludwig en de stuurman jhr. J. A. C. Six, als getuigen onder ede. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip „Cornelia B II" is een Nederlands schip, toebehorende aan O. Bosma, te Groningen. Het meet 499 bruto-registerton en wordt voortbewogen door een 750pk-motor. Op 10 October 1952 vertrok de „Cornelia B II", beladen met 670 ton gerst en 200 ton creolite, van Kopenhagen naar Rotterdam. De diepgang was vóór 3,22 m, achter 4,42 m. De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit 11 personen. Op 11 October, te 22.35 uur, werd bij „Elbe I" de loods ontscheept en werd koers gezet langs de boeien van de JE-route. Alle boeien werden dichtbij aan bakboord gepasseerd. Te 3.40 uur van 12 October werd boei JE 6 gepasseerd. Te 4.00 uur kwam de stuurman op wacht. Het was goed, helder weer. De boeien JE 5 en 4 waren te 4.00 uur reeds te zien. De vaart was volle kracht, 10,5 mijl. Te 7.52 uur werd ET 13 dichtbij aan bakboord gepasseerd. Te 7.30 uur werd de kapitein geroepen om te 8.00 uur op wacht te komen. Te 8.00 uur was boei ET 12 op b.b.-boeg. Het was mooi weer en windstil. Te 8.00 uur, toen de kapitein juist zijn hut wilde verlaten, vond een hevige ontploffing plaats. Het schip werd opgelicht en viel dan terug. De kapitein snelde naar buiten en zag toen achteruit een 10 ge waterkolom. De motor stopte. De electrische installatie was defect geraakt, evenals het radiotelefonietoestel; de kompassen waren vernield. Bij rondpeilen bleek het schip geen water te maken, alleen de achterpiek liep op. De kapitein zag de boeien ET 13 en 12 en constateerde, dat het schip op de boeienlijn lag. Het Deense tankschip „Faero Shell", dat tevoren door de „Cornelia B II" was opgelopen, kwam naderbij. De kapitein ging aan boord van het Deense schip en kreeg te 8.30 uur verbinding met de rederij. Daar de motor van de „Cornelia B II" niet te gebruiken was, zou de sleepboot „Holland" te hulp komen. Te 8.45 uur werd vernomen, dat de sleepboot onderweg was. De „Faero Shell" bleef tot 11.00 uur in de nabijheid, tot de „Holland" verscheen. Na overleg met de eigenaar werd te 14.00 uur de „Holland" vastgemaakt. Op 13 October meerde men te Rotterdam. Op de werf gekomen, bleken van alle hulpwerktuigen in de motorkamer de fundaties gebroken; het gehele achterschip was ingezet Vanaf de „Faero Shell" is vastgesteld, dat de plaats der ontploffing was N.Br. 53°33.5', O.L. 5°35.3'. In een brief van de N.V. Scheepvaart Maatschappij G. Doeksen en Zonen wordt meegedeeld, dat de „Holland" de „Cornelia B II" één mijl beoosten boei ET 12 heeft vastgemaakt. Ter zitting verklaarde de kapitein, dat hij in de geveegde routes altijd vaart van boei op boei en dan de boeien aan zijn b.b.-zij passeert. Hij snijdt daarbij nooit hoeken af en hij is zeker, dat de stuurman dit evenmin doet. Ook dit keer is de boeienlijn nauwkeurig gevolgd. Getuige was 12 October te 8.00 uur gekleed en zou juist naar de brug gaan, toen hij onder het achterschip een hevige ontploffing voelde. Hij ging naar dek en zag toen 10 m achter het achterschip een waterkolom. Vervolgens ging getuige naar de brug en hij vroeg de stuurman of het schip zich in de route bevond. De stuurman antwoordde bevestigend. De lste-machinist stopte de motor. Getuige liet rondpeilen en een sloep klaarmaken. De „Cornelia B II” liep na het ongeval bakboorduit en lag weldra stil. De „Faero Shell" stopte in de nabijheid en zond een bericht van het ongeval uit. Getuige stelde vast, dat zijn schip, toen het stillag, zich juist op de boeienlijn bevond, iets dichterbij ET 13 dan ET 12. Getuige is met een boot naar het Deense schip gegaan en heeft daar getelefoneerd met zijn reder. De stuurman heeft verklaard, dat hij 12 October 1952 te 4.00 uur de kapitein afloste. Boei JE 6 was gepasseerd. Getuige kreeg order de geveegde route te houden en heeft deze order opgevolgd. Hij volgde de boeienlijn en hield de boeien bij het passeren aan bakboord. Er is geen enkele keer een hoek afgesneden. Te 8.00 uur, toen de roerganger juist werd afgelost, vond een ontploffing plaats. Getuige heeft pas later naar achter gekeken en heeft geen waterkolom gezien. De motor, die nog doorliep, werd door de machinist gestopt. De kapitein kwam direct boven. Getuige geeft aan, dat het schip zich vrijwel midden tussen de boeien ET 12 en 13 bevond en dat het later door de stroom tot dichtbij boei ET 12 is gedreven. Het schip heeft zich steeds in de geveegde route bevonden. De inspecteur voor de scheepvaart voerde aan, dat de „Cornelia B II", op de reis van Kopenhagen naar Rotterdam, op 12 October 1952 langs de geveegde route voer benoorden de Waddeneilanden. Volgens de verklaringen van de kapitein en de stuurman is steeds langs de boeien gevaren en is nooit een hoek afgesneden. Korte tijd nadat boei ET 13 was gepasseerd, vond te 8.00 uur een mijnontploffing plaats. Ook uit de verklaringen van andere schepen moet worden aangenomen, dat de „Cornelia B II" zich op het moment van de ontploffing in de geveegde route bevond. Na de oorlog zijn benoorden de Waddeneilanden vele mijnontploffingen voorgekomen, maar altijd bevonden de schepen zich buiten de route. Nu is de „Cornelia B II" getroffen, terwijl ze zich in de route bevond. Hieruit blijkt ook weer, dat het vegen niet volkomen zeker is; er blijft een zeker gevaar bestaan. De Koninklijke marine, die zeer actief is, waar het de veiligheid van de geveegde routes betreft, heeft terstond na het ongeval weer geveegd. De inspecteur wijst er op, dat sommige kapiteins zich laten verleiden een hoek af te snijden en door gevaarlijk gebied varen; dit is door de „Cornelia B II" niet gedaan. De inspecteur spreekt nog de hoop uit, dat de veiligheid in de geveegde routes steeds blijft toenemen. Het oordeel van de Raad luidt als volgt: Het motorschip „Cornelia B II" is op 12 October 1952 benoorden Terschelling tussen de boeien ET 13 en ET 12 getroffen door een mijnontploffing, waarbij de electrische installatie, de motor, het radio- telefoontoestel, alsmede het achterschip en andere onderdelen zodanig beschadigd zijn, dat het met sleepboothulp binnengebracht is moeten worden. Het schip had, bij gunstige weersomstandig- heden, voortdurend de boeienlijn even aan bakboord gehouden en er was onder inachtneming van de aanwijzingen der Koninklijke marine genavigeerd. Uit de verklaringen van kapitein en stuurman heeft de Raad de overtuiging verkregen, dat het schip, toen de ontploffing plaats vond, in de geveegde route voer, even aan s.b.-zijde van de boeienlijn, alsmede dat het schip die boeienlijn ook tevoren nauwgezet gevolgd had. Deze mijnontploffing is te beschouwen als een uitzonderlijk geval, maar zij bewijst, dat de vaarroute nog niet volledig veilig is, waarvoor trouwens in de voorschriften van de marine een voorbehoud gemaakt wordt. Welk karakter de mijn had, is niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld. Het is de Raad bekend, dat aan de bevaarbaarheid van de routes in het vroegere mijnengebied telkens opnieuw grote zorg wordt besteed, zodat een nadere aanwijzing van de zijde van de Raad niet behoeft te worden gegeven. Aldus gedaan door de heren prof. mr. J. Offerhaus, voorzitter, C. Heijingman, H. A. Broere en K. R. Bosma, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris, mr. A. Boosman, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van 24 Augustus 1953. (Get.) J. Offerhaus, A. Boosman.

1955-07-14: NvhN 14-07-1955: Nederlands schip moest Tripolis verlaten. Het Nederlandse schip Encarnacion werd gisteren door de Libyse autoriteiten gedwongen om de haven van Tripolis te verlaten. Het zou schroot voor Londen laden. Als reden voor deze maatregel gaven de Libyse autoriteiten op, dat de Encarnacion Israël heeft aangedaan, waarmee de Arabische staten (w.o. Libye) op slechte voet staan.
Algemeen Handelsblad 15-07-1955: Nederlands vrachtschip gedwongen Tripoli te verlaten. De havenautoriteiten van Tripoli hebben gisteren het Nederlandse vrachtschip Encarnacion gelast de haven te verlaten. Tevoren was het schip het recht ontzegd schroot voor Londen te laden. Genoemde autoriteiten verklaarden, dat de maatregel was genomen omdat het schip eerder de Israëlische haven van Haifa had aangedaan. Een woordvoerder zei, dat de Arabische Liga van het gebeurde op de hoogte was gesteld. De bemanning mocht zich niet aan land begeven tijdens de korte tijd dat het schip zich in de haven bevond. De Encarnacion zou in Tripoli schroot laden voor de Britlsh Iron and Steel Corporation Ltd. in Londen.

1961-01-06: NvhN 07-01-1961: Huzarenstuk van kapitein J.W. Ludwig. Groninger kustvaarder Cornelia B II maakt 7 mijlstocht met zware slagzij. Acht man met helikopter van boord gehaald. (Van onze Rotterdamse correspondent) Kapitein J. W. Ludwig uit Groningen heeft gisteravond en -middag het huzarenstukje van zijn leven uitgehaald door zyn schip, de kustvaarder Cornelia 811 van de rederij O. Bosma te Groningen, veilig de haven van Europoort binnen te brengen. Het schip, dat slechts 488 ton meet, was gistermiddag — zoals we al in een deel van onze edities meldden — om twaalf uur uit Rotterdam weggevaren met een lading zilverzand voor Varberg in Zweden. Twee uur later begonnen plotseling de moeilijkheden. Het weer was in korte tijd verslechterd en zware regenen hagelbuien zwiepten over het dek. De wind, die eerst op de dag ongeveer windkracht vgf of zes was geweest, wakkerde snel aan tot gemiddeld acht. Door de golfslag begon de gemakkelijk verschuifbare lading te werken én plotseling maakte het schip een slagzij van vijfendertig graden, waarvan het zich niet meer herstelde. Kop op de golven. De twaalf inch dikke balken, die de ongeveer 80 schotten in het ruim steunden, braken als lucifershoutjes af. Onmiddellijk zond kapitein Ludwig een „Mayday" (het internationale noodsein voor schepen) uit en als een van de eersten arriveerde een verkenningsvliegtuig van marine- vliegbasis Valkenburg. Aanvankelijk wilde de gezagvoerder niets weten van de hulp van een helikopter. Hij zette zijn schip met de kop op de golven en liet de stuurboordreddingboot uit. Deze ging echter verloren en aangezien de Cornelia B II over stuurboord zware slagzij maakte, was het onmogelijk de bakboordboot te strijken.
Inmiddels waren de sleepboot Humber van L Smits en Co. Internationaal Sleepbedrijf en de reddingboot President Jan Leis uitgevaren. Ongeveer gelijktijdig bereikten de schepen de in nood verkerende kustvaarder en namen contact op met de gezagvoerder. Toen de Humber langszij wilde komen en vast wilde maken, deelde kapitein Ludwig mee, dat hij nog even de toestand wilde bekijken, omdat hij graag zelf zijn schip binnen wilde brengen. Na een inspectie in het ruim, besloot hij samen met drie van de oudste en meest ervaren bemanningsleden de reis naar Hoek van Holland te wagen. Redding uit de lucht. Hoewel hij eerst geweigerd had de assistentie van de helikopter aan te nemen, besloot hij de acht bemanningsleden, die over waren, door de wentelwiek van boord te laten halen. Onmiddellijk daarna arriveerde het hefschroefvliegtuig van Valkenburg en dit haalde eerst drie bemanningsleden van boord. Zij hadden het zich met dekens op de hoge kant van het schip tegen de verschansing enigszins gemakkelijk gemaakt. Nog twee keer moest de helikopter heen en weer vliegen tussen het schip en het vliegveld. Het lag eerst in de bedoeling om de bemanning op het dek van de sleepboot de Humber af te zetten, maar dat bleek onder de gegeven omstandigheden niet mogelijk. De matrozen werden op het vliegveld Valkenburg veilig aan de grond gezet en daar onthaald op een heet bad en koffie. Voor de vier achterblijvenden begon het avontuur pas goed. Samen met zijn eerste stuurman, de heer P. J. Quiete (34) uit Den Haag, de tweede stuurman G. Goubert (27) uit Groningen en de eerste machinist J. Hooft (31) leverde hij een urenlang gevecht met de golven, waarbij de zware slagzij het roer tot een bijna waardeloos ding maakte en de machine ook kuren begon te vertonen. Kapseizen? Springen! De President Jan Leis en de Humber bleven echter in de buurt om zodra er iets gebeurde in te grijpen. De afspraak was dat wanneer het schip zou kapseizen, de vier zeelui aan de hoge kant in zee zouden springen. Toen de toestand kritiek was geworden, arriveerde ook de reddingboot Dorus Rijkers van Scheveningen. De zeven mijl, die hen van land scheidden waren de moeilijkste uit de loopbaan van de vier opvarenden. Zij slaakten een zucht van verlichting toen zij in rustiger water waren gekomen. Tijdens de reis werd erger voorkomen door voortdurend pompen. Een geluk was dat de ballasttanks aan bakboordzijde reeds vol waren, zodat er nog een tegenwicht was. Wanneer deze tanks leeg waren geweest, dan was het allemaal misschien heel anders afgelopen. Zonder sleepboothulp hebben zij het echter geklaard en zijn veilig binnen gekomen. Op last van Rijkswaterstaat mocht het schip echter niet verder varen en werd daarom eerst voor onderzoek in de oliehaven van de nieuwe Eurohaven voor anker gelegd. Toen konden de vier dappere zeelui even uitblazen, maar van slapen zou nog niet veel komen, want het schip lag nog steeds niet veilig aan wal. Vannacht om ongeveer twee uur hebben twee kleine sleepboten het schip naar de haven van Rotterdam geloodst waar het gelost en daarna opnieuw geladen zal worden. Erwtensoep en Duitse biefstuk. De overige bemanningsleden, die zich op Valkenburg bevonden, werden met een taxi naar Stella Maris, het bekende Zeemanstehuis in Rotterdam gebracht, waar zij nog in hun pyama en blauwe marineduffelcoat, genoten van de erwtensoep en Duitse biefstuk. Zij bleven daar 's nachts slapen om te wachten tot hun schip in Rotterdam binnen zou komen. Het zijn de matrozen T. H. E. J. van den Braak (17) uit Den Haag, H. G. C. Dijkland (22) uit Tilburg (lichtmatroos) en L. F. P. M. van Buuren uit IJmuiden. Aan boord bevonden zich (zoals de laatste tijd veel op coasters het geval is) twee Spanjaarden, die geen woord Hollands spraken. Elias Asio Lago (22) en Jesus Sande Castirerra (30) zijn afkomstig uit Muros de San Pedro. Verder werden van boord gehaald de tweede machinist, de 20-jarige P. E. E. van den Brink en de kok, de 22--jarige W. Mulder uit Zeist. De laatste is al naar huis gegaan. Geen van hen heeft tijd gehad om kleren aan te trekken. Toen zij in kooi lagen en merkten dat het schip zich niet meer oprichtte renden naar boven, indachtig hetgeen met bijvoorbeeld de bemanning van de Bermuda is gebeurd. Later toen de pogingen met de reddingboot mislukt waren, zijn zij nog naar beneden gegaan en hebben wat dekens gehaald om het zich wat gemakkelijker te maken in het slechte weer waarvoor zij op het dek geen beschutting konden vinden. Veel konden zij niet vertellen. De gebeurtenissen speelden zich te snel af om zich alles precies te herinneren en op dergelijke momenten heeft iedereen het te druk met redden van zijn eigen huid. Cornelia B II weer in Rotterdam.
Kapitein Ludwig van de Cornelia B II heeft, zo vernemen wij nog, tenslotte toch zijn zin gekregen: laat in de nacht gaf de Rijkshavendienst alsnog toestemming om het schip te laten opslepen naar Rotterdam. Dat geschiedde met twee sleepboten. De Cornelia B II meerde omstreeks zes uur af in de Parkhaven. Vóór de toestemming afkwam, was de inmiddels weer versterkte bemanning in de tijdelijke ligplaats, de Eurohaven, koortsachtig bezig geweest met het verstouwen van de lading. De slagzij werd daardoor belangrijk minder en het transport naar Rotterdam, onder toezicht van de Rijkshavendienst, hield dan ook geen risico's in voor het schip en het scheepvaartverkeer op de Waterweg. Na een inspectie zal het schip waarschijnlijk dinsdag of woensdag a.s. weer zee kiezen.
De Volkskrant 07-01-1961: Kapitein wilde van hulp niet weten. Kustvaarder 6 uur in gevecht met zee en schuivende lading. Deel bemanning met helikopter van boord. (Van onze correspondent) Hoek van Holland, 7 jan. — Na een onafgebroken strijd van zes uren temidden van zware zeeën, een wilde deining en met een schuivende lading zand, bracht kapitein J. W. Ludwig om half acht vrijdagavond de kustvaarder „Cornelia B II" met een slagzij over stuurboord van 40 graden tussen de pieren van de Nieuwe Waterweg. „Reddingssloepen zijn aan boord van een schip waardeloos onder moeilijke omstandigheden", was het eerste dat hij opmerkte toen hij in de Europoort voor anker ging. Drie van zijn scheepsofficieren hadden kapitein Ludwig bijgestaan in het gevecht op de Maasvlakte. Acht bemanningsleden weiden door helikopters in volle zee van boord gehaad; een der beide reddingssloepen van het schip sloeg aan splinters tegen de zwaar overhangende stuurhoordflank en de sleper „Humber" wachtte urenlang tevergeefs bij de „Cornelia B II", omdat kapitein Ludwig van vastmaken niet wilde weten. Volkomen rustig onder de klemmende omstandigheden bracht hij de kustvaarder binnen, terwijl hij voortdurend over de radio loodswezen en reddingsdiensten op de hoogte hield. De „President Jan Leis" uit Hoek van Holland en de „Dorus Rijkers" uit Seheveningen, die waren uitgevaren om in geval van nood de bemanning over te nemen, behoefden geen hulp te bieden. Volk van boord. Omstreeks een uur vrijdagmiddag kwam de „Cornelia B II" buitengaats en zette koers naar het lichtschip „Texel". Het had zilverzand in van Rotterdam voor Varberg in Noorwegen en ondanks de sterke wind — men mat rond die tijd windkracht 7 tot 8 in de Hoek — scheen niets het nog jonge schip, dat 955 ton meet en in 1952 van stapel liep, te bedreigen. Even voor tweeën braken onder de grote druk van de lading de schotten in het ruim en het droge zand begon naar stuurboord over te lopen. Binnen enkele minuten maakte de „Cornelia B II" 30 tot 40 graden slagzij en de kapitein vroeg assistentie. Onmiddellijk voer de „Humber" van L. Smit & Co uit Maassluis uit, terwijl de „Jan Leis" uit de Hoek en de „Dorus Rijkers" uit Seheveningen koers zetten naar de coaster, die zich op dat moment acht mijl ten noorden van de Waterweg bevond. Van het vliegveld Valkenburg steeg een Neptune op, later gevolgd door een helikopter. Om risico's te vermijden liet kapitein Ludwig rond drie uur drie jonge matrozen door het hefschroefvliegtuig van boord halen. Later kwamen de helikopters Sara I en II terug en nogmaals werden vijf man van boord gehesen. Ondanks het aandringen van de kapitein van de „Humber" weigerde de „Cornelia B II" een lijntje over te nemen. Kapitein Ludwig ging rond en zette koers naar de pieren, terwijl de beide reddingboten, en de sleper in de buurt bleven. Om half acht liep het konvooi de Waterweg op, waarna de coaster op last van de Rijkshavendienst voor anker ging in de Europoort. Pas daar kon de kapitein over de moeilijk begaanbare dekken .naar het achteronder klauteren om zijn sigaren op te halen. „Want daar heb ik de hele middag het meest naar verlangd". „We zullen hem eerst wat rechthalen en dan proberen we vannacht nog met het schip in Rotterdam te komen. Eerst moet daar gelost worden, dan nieuwe schotten erin en misschien varen we weer gauw met hetzelfde zand naar Varberg", vertelde de kapitein.
De „Cornelia B ll' van de Groningse reder Okko Bosma heeft behalve de geknapte schotten, weinig schade. Over het werk van de hefschroefvliegtuigen van de marineluchtvaartdienst zei kapitein Ludwig: „Dat was mooi werk. Dit materiaal is werkelijk een uitkomst. Er kon van alles gebeuren en daarom was het beter de acht man van boord te zetten. De eerste hing al aan de lijn van de helikopter voordat ik overigens het feitelijke bevel had gegeven". Minder te spreken echter was de kapitein over de sloepen. „Waardeloos. Je hebt er niets aan. Ze moesten de eis stellen, dat er aan boord vlotten of opblaasbare boten kwamen, die je overboord kunt gooien". Over het gebeurde was de gezagvoerder „niet kapot" „Gelukkig maar", zo voegde hij eraan toe. De slagzij was de tweede benarde situatie waarin de „Cornelia B II" terecht kwam. Enige jaren geleden liep de kustvaarder bij Ameland op een mijn en de schade was toe aanzienlijker. Gehuld in pyjama en jekker en op kousevoeten arriveerden de acht van boord gehaalde zeelieden vrijdagavond om half zeven in het katholieke zeemanstehuis „Stella Maris" in Rotterdam. Onder hen waren twee Spanjaarden. De bemanning bestond verder uit Nederlanders. „Neen, bang zijn we niet geweest", vertelden de mannen. Maar desondanks speelden de zenuwen hen kennelijk parten, toen zij die middag op de kustvaarder, staande in het hoogliggende gangboord aan bakboordzijde luidkeels het lied aanhieven „Geef mij maar Amsterdam". De wat vreemde droge uitrusting kregen zij van de marine. Indien nodig zouden zij vannacht weer aan boord gaan, maar vooreerst hadden zij het druk met warme koffie en een stevige maaltijd op vaste grond. Willem van Seters, schipper op de „President Jan Leis", vertelde toen hij aan land stapte, dat hij grote bewondering had voor kapitein Ludwig. „Hij bleef ovet de radio vriendelijk en kalm en hij heeft het zware spel uitstekend gespeeld".
Het Vrije Volk 07-01-1961: Cornelia B II na zware slagzij toch veilig binnen. Marinehelikopters halen acht zeelui van coaster. (Van een onzer verslaggevers) Trots, maar met zeer zware slagzij, voer gisteravond de Groninger coaster Cornelia B II de pieren van Hoek van Holland binnen op weg.naar Rotterdam, waar het schip in de loop van de nacht in de Parkhaven aankwam. Acht van zijn bemanningsleden waren in een woedende zee door een helikopter van boord gehaald, toen het schip dreigde te kapseizen. Vier officieren bleven aan boord: de kapitein J. W.Ludwig uit Ede, zijn eerste stuurman F.J. Quite uit Den Haag, de eerste machinist J.Hoofd uit Noordwijk en de tweede stuurman G. D. F. Goubet uit Groningen. In een urenlang gevecht met wind en water wisten zij hun schip te redden. Achter de Cornelia voer de Humber van L. Smit en Co's Internationale Sleepdienst. Tot vlak voor de pieren had zij hulp aangeboden. Maar de kapitein had die hulp afgeslagen. Hij wilde het 'nog even' aanzien. Ook toen zijn radio meldde, dat de reddingboot in de buurt moest blijven. Want als we kapseizen springen we overboord. De Cornelia B II was nog maar amper buitengaats op weg naar Varberg in Zweden, toen haar lading zilverzand begon te schuiven. Het schip, bijna 1000 ton groot en eigendom van de rederij Bosma te Groningen, maakte zware slagzij. Onder een hoek van 45 graden schoof het door een kokende zee, opgezweept door een windkracht acht. Aan de kust kwam het reddingapparaat in actie. De reddingboot Dorus Rijkers uit Scheveningen voer uit. Schepen in de buurt haastten zich naar de opgegeven positie. Scheveningen Radio zond de onheilsboodschap: Mayday, mayday de ether in. De sleepboot Humber stoomde naar buiten en van het vliegveld Valkenburg steeg een helikopter op. Even na 3 uur haalde de helikopter twee bemanningsleden van boord en bracht ze naar Valkenburg. Nog een man sleepte men van het zwalkende schip. Een tweede helikopter haalde daarop vijf man omhoog.
„Nog even" Vier man bleven aan. boord: vier scheepsofficieren. De Humber drong erop aan een tros uit te brengen. 'Nog even', zei de kapitein. De vliegende noordwester beukte de duizendtonner. Schotten braken, de helling werd groter. Aan de wal luisterde men gespannen en geboeid naar de stem van de kapitein, die door de boordradio klonk. Vast en helder. Totdat hij de reddingboot verzocht om in de buurt te blijven. 'Als het mis gaat springen...' Kort daarop kwamen zijn boodschappen weer helder en kalm door. Dan wordt het stil; de Cornelia B II is bezig aan een kritieke manoeuvre. Ze moet 'rond','draaien op een ruwe zee. Tegen zeven uur kraken de luidsprekers opnieuw. De Cornelia B II ligt voor de Waterweg. Op eigen kracht gekomen. Met aan boord vier van de twaalf man. Om zeven uur schuift zij de pieren binnen. Als de vage schim de Europoort binnen draait, zegt Radio-Scheveningen: 'De Cornelia B Il is binnengekomen. Het noodverkeer is beëindigd.' Bijna gelijk vaart de Humber binnen. De premie was haar ontvallen. Prachtwerk, zeiden ze er later zelf van, in de ziekenboeg van het Marinevliegveld Valkenburg bij Leiden. De doorweekte zeelui kregen een hete douche en droge kleren. Daarbij grote mokken dampende koffie. Matroos H. van Buuren (22) uit IJmuiden dacht op dat moment, dat zijn schip wel 'naar de haaien' zou gaan. Wat was ik blij toen we hier veilig en wel op de grond stonden. Kok W. H. Mulder (21) uit Zeist had al meer van dit soort akkefietjes meegemaakt. 'Maar,' zei hij meteen, 'dit was het ergste — tot nu toe.' Derde machinist L. Jansen (17) uit Ede vertelde, dat hij nog had geprobeerd een sloep te strijken. Maar dat kon niet — die aan stuurboord was stukgeslagen door de zeeën en die aan bakboord hing ongeveer in het water vanwege die slagzij.' Tweede machinist P. E. van der Brink (20) uit Diemen heeft van dit alles niet veel gemerkt. 'Ik had wacht en stond dus beneden. Die slagzij had ik wel in de gaten natuurlijk, maar het leek minder erg. Ze moesten me gewoon komen halen toen de helikopter klaar hing.' Matroos Th. van der Blaak (17) uit Den Haag wist ook niet veel te vertellen. Hij had lekker liggen slapen.
Zijn maat H. Dijkland (22) uit Tilburg deelde nog mee, dat de motor was gestopt maar nog had kunnen draaien. Volgens hem kon het schip nog worden behouden. Hij heeft dus gelijk gekregen. Twee mensen in dit gezelschap van geredden zeiden intussen geen woord. Ze zaten 'zwijgend in' hun veel te wijde pyjama's huiverend bij de verwarming — en verstonden niets van wat er om hen heen werd gezegd. Dat waren namelijk de twee Spaanse bemanningsleden Jesus Manuel (30) en Elias Lago (22), beiden uit Muros de Santa Pedru. Kapitein Ludwig: Hulde voor marine!
„Alle hulde voor die jongens van de marine. Wat zij met hun helikopters gedaan hebben. is bewonderenswaardig. En het ging zo vlug! Prima werk. . ." Deze warme woorden van lof komen uit de mond van kapitein J. W. Ludwig van de coaster Cornelia B II, op welk schip men gisteren zulk een bange uren beleefde. De coaster ligt nog steeds met enige slagzij aan de kop van de Parkhaven in Rotterdam. Op liet schuin oplopende dek vertelt de kapitein ons dat het met de schade gelukkig nogal is meegevallen. Hij wijst naar de plaatswaar eens een van zijn reddingsboten heeft gehangen: „Die boot is weg, foetsie! " De heer Ludwig is benieuwd hoe zijn motor uit de strijd is gekomen. Overigens: „heel beste motor, heeft zich goed gehouden.'" Wat er nu gaat gebeuren? . Kapitein Ludwig meent dat het nodig zal zijn de lading te lossen en dan opnieuw te stuwen. Hij verzekerd het ons: „Zó kan ik er niet mee naar Zweden." De 39-jarige kapitein zegt, dat dit niet zijn eerste avontuur is met de Cornelia B II. In 1952 liep hij met het schip bij Ameland op een mijn. . .Maar ook toen is alles betrekkelijk goed afgelopen. Het gevecht met de elementen is spannend geweest. Daarna kwamen de journalisten, de fotografen, de televisie. „Wat ze me allemaal niet gevraagd hebben, zelfs in het buitenland wilden ze alles van me weten," lacht de kapitein. Acht van de twaalf opvarenden van de Cornelia B II werden door helikopters opgepikt. Zij vonden na per auto van Valkenburg naar Rotterdam te zijn gebracht een onderdak in het zeemanshuis Stella Maris.

1970-02-08: NvhN 09-02-1970: Groninger coaster pikt 27 man op van zinkende sleephopperzuiger. (Van onze correspondent In Rotterdam)
De Nederlandse sleephopperzuiger Geopotes VIII is gisternacht op ongeveer veertig mijl ten noorden van Lands End (Engeland) gezonken. De 27 opvarenden zijn gered en door de Groninger kustvaarder Cornelia B II van rederij Okko Bosma gistermiddag in de Engelse haven Milford Haven in het zuidwesten van Wales aan land gezet. Kort na middernacht bemerkte de bemanning van de zuiger ( eigendom van de Kon. Mij.tot het uitvoeren van openbare werken Adriaan Volker in Rotterdam) dat de machinekamer vol water begon te lopen. Men slaagde er niet in de oorzaak daarvan vast te stellen. Kapitein Rijkers en zijn mensen konden 't snel binnenstroomende water met pompen niet verwerken. Ze enkele na enkele uren in de sloepen. Kort daarna werden ze opgepikt door de in de buurt varende Cornelia B II. De Geopotes VIII zonk rond vijf uur. De zee was vrij woest op dat moment; windkracht negen. De 27 bemanningsleden zullen vandaag per vliegtuig naar Rotterdam terugkeren, Het vijf jaar oude ( een van de vijf zuigers met een ruiminhoud van 4.000 kubieke meter vanVolker) was vrijdag uit Rotterdam vertrokken naar Milford Haven om daar de haventoegang geschikt te maken voor schepen van 200.000 ton. De zuiger was aan de eerste reis bezig na een werfbeurt die vier weken heeft geduurd. De sleepboot Mississippi van L. Smit en Co's internationale sleepdienst arriveerde gistermiddag om ongeveer 2 uur op de door de gezagvoerder van de Geopotes VIII opgegeven positie van zinken. De kapiten van de sleper sluit namelijk de mogelijkheid niet uit dat het schip nog gekapseisd ergens ronddrijft. De Geopotes VIII, die de afgelopen jaren heeft meegewerkt aan onder meer het graven van de oliegeul voor de Nieuwe Waterweg, is voor 12,5 miljoen gulden verzekerd.
Leeuwarder courant 09-02-1970: Bemanning gered: Hopperzuiger gezonken bij Lands End. De Nederlandse sleephopperzuiger „Geopotes VIII" is zondagnacht op ongeveer veertig mijl ten noorden van Lands End (Engeland) gezonken. De 27 opvarenden zijn gered en door de Nederlandse kustvaarder „Cornelia B II" zondagmiddag in de Engelse haven Milford Haven in het zuidwesten van Wales aan land gezet. Ze komen vanmiddag op Zestienhoven bij Rotterdam aan. Kort na middernacht bemerkte de bemanning van de zuiger (eigendom van de N.V. „Adriaan Volker" in Rotterdam) dat de machinekamer vol water begon te lopen. Kapitein Rijkers en zijn mensen konden het snel binnenstromende water met pompen niet verwerken. Ze moesten na enkele uren het schip verlaten. Kort daarna werden ze opgepikt door de in de buurt varende „Cornelia B II". De „Geopotes VIII" zonk rond vijf uur. De zee was vrij woest op dat moment: windkracht negen. Het vijf jaar oude schip (een van de vijf zuigers met een ruiminhoud van 4.000 kubieke meter van Volker) was vrijdag uit Rotterdam naar Milford Haven vertrokken om daar de haventoegang geschikt te maken voor schepen van 200.000 ton. De zuiger was aan de eerste reis bezig na een werfbeurt die vier weken heeft geduurd. Het schip was verzekerd voor 12,5 miljoen gulden.


1985-11-02: Bij het verlaten van Izmir op reis naar Cyprus door een verkeerde manouvre omgeslagen en gedeeltelijk gezonken. Op 26 Mei 1986 gelicht en rechtgezet en naar Cakalburnu gesleept. Opgelegd en niet meer hersteld.

1989-11-28: Terwijl ze nog steeds opgelegd lag brand aan boord en nog verder beschadigd.

1993-07-14: Final Fate: Gesleept te Aliaga aangekomen en verkocht aan Turkse slopers. Op 20 sept. 1994 werd pas met de sloop begonnen.

Ship Masters Data

Images


Description: Cornelia B II 1951
Image type: Photo

Description: Cornelia B II 1951
Image type: Photo

Description: Encarnacion 1951 ex Cornelia B II
Image type: Photo
Sources