Name ship: DELTA

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1934
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
IMO number: 5147530
Nat. Official Number: 1656 Z GRON 1934
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: One mast
Rig: 2 derricks
Lift Capacity: 1,5 ton each
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: Firma Gebr. Niestern & Co., Delfzijl, Netherlands
Yardnumber: 195
Date Laid Down:
Launch Date: 1934-05-24
Delivery Date: 1934-07-11
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Netherlands
Engine Type: Motor, Oil, 2-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 150
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 5242 Type T (240x360)
Speed in knots: 8.50
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 200.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 125.00 Net tonnage
Deadweight: 250.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 13491 Cubic Feet
Bale: 12500 Cubic Feet
 
Length 1: 35.50 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 33.66 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 6.44 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.40 Meters Depth, moulded
Draught: 2.37 Meters Draught, maximum
 
Configuration Changes

1950-00-00: Nieuwe hoofdmotor: 2tew 3 cil 150 Pk Brons Nr. 6288 Type T (240x360) 8,5 Kn.

1962-04-00: Verlengd bij Scheepswerf van Goor & Spiekman, Zwartsluis: Brt 234 Nrt 130 Dwat 290. Loa 41,36 Ll 39,61. Grain 16000, Bale 15000.

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1934-07-10 DELTA
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: Hendrik Nieveen, Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PDOJ
Additional info:

Date/Name Ship 1939-10-04 DELTA
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: Lambertus Davids, Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PDOJ
Additional info:

Date/Name Ship 1939-10-07 DELTA
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: David Davids, Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PDOJ
Additional info:

Date/Name Ship 1956-03-26 DELTA
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: N.V. Scheepvaartbedrijf D. Davids & Zoon, Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PDOJ
Additional info:

Date/Name Ship 1956-03-27 HENDRIK-B
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: Hendrik, Gerrit, Pieter-Barend en Filippus Bruins, Grietje Bruins-de Goede, Lammert van Dijk en Willem Geggeman, Kampen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Kampen / Netherlands
Callsign: PEQI
Additional info:

Date/Name Ship 1962-03-21 HENDRIK-B
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: Gerrit & Hendrik Bruins, Kampen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Kampen / Netherlands
Callsign: PEQI
Additional info:

Ship Events Data

1934-07-11: NvhN 12-07-1934: Proefvaart DELTA. Gisteren heeft met goed gevolg op de Eems proefgestoomd het nieuwe motorschip Delta. Dit schip is gebouwd onder klasse Bureau Veritas groote kustvaart op de werf van de Gebr. Niestern alhier, voor rekening van kapt. A. Nieveen, alhier. Het schip heeft afmetingen als volgt: lengte 33 M., breedte 6.40 M., holte 2.60 M. en het is groot 125.46 Reg. ton netto en 199.75 Reg. ton bruto. Voor de voortstuwing is in de motorkamer opgesteld een twee-tact Brons motor van 150 p.k. Verder bevind zich hier nog een 6 p.k. Lister motor voor de aandrijving van een compressor, een lenspomp en een dynamo. De verlichting geschiedt geheel electrisch. Aan dek bevindt zich achter den mast een dubbelwerkende motarlier, welke is voorzien van een 12 p.k. Lister motor. Deze motor kan tevens bij het snelheffen der ankers worden gebezigd. Het schip, dat op de proefvaart zeer goed voldeed, is voorzien van een stroomlijnroer en behaalde een snelheid van 8 1/2 mijl. Na den proeftocht werd het met volle tevredenheid door den kapitein overgenomen.

1934-07-12: Op 12-07-1934 als DELTA, zijnde een motorschip, groot 565.87 m3, liggende te Delfzijl, door A. Kielema, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Hendrik Nieveen, schipper te Delfzijl, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1656 Z GRON 1934 op het achterschip in het dek (verhoogd achterdek) achter licht kap van de motorkamer.

1934-07-30: NvhN 30-07-1934: Het alhier thuisbehoorende motorschip DELTA, kapt. Nieveen, liep heden met defecten motor binnen. Het is beladen met zout op reis van Mlddlesborough met bestemming Veile en zal de schade alhier herstellen.

1934-08-18: Algemeen Handelsblad 18-08-1934: Rechtzaken: „Delta” voor zeegerecht. Schroef vastgeloopen. Het zeegerecht te Esbjerg heeft een onderzoek ingesteld naar het ongeval met den motor op het Nederlandsche motorschip „Delta", dat op reis van Nykjöbing met steenen naar Londen, te Esbjerg werd binnengesleept. (Men zal zich ons bericht hieromtrent nog wel herinneren. — Red.). Uit het verhoor van den gezagvoerder bleek dat na het defect raken van den motor zeil gezet was, doch dathet afdrijven in de richting van de kust het ankeren noodzakelijk had gemaakt. De zee was tamelijk hoog en door het afsteken van vuurpijlen had men de aandacht van de kustwacht getrokken. Aan den schipper van de direct ter plaatse gekomen reddingsboot was verzocht een sleepboot uit te zenden, waar op de bergingsboot „Björn" het schip veilig binnenbracht. Aanvankelijk had men aangenomen, dat de koppeling in de machine defect geraakt was, doch later bleek, dat de schroef was vastgeloopen. Een uitspraak is nog niet gegeven.

1935-02-28: De Telegraaf 03-03-1935: Delta. Exeter 28 Febr. het m.s.”Delta” is heden van Torquay hier aangekomen. De kapitein zal een onderzoek naar de schade instellen.

1936-03-18: Bijvoegsel van de Nederlandsche Staatscourant van Dinsdag 8 Juni 1937. no.107 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart: No. 54 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de klacht van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen Hendrik Nieveen, kapitein van het motorschip Delta, wegens overlading van dit vaartuig (artikel 4, sub i, der Schepenwet). Op 16 September 1936 is door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart bij den Raad voor de Scheepvaart een klacht ingediend van den volgenden inhoud: ,,De inspecteur-generaal voor de scheepvaart, gezien de hierbij overgelegde stukken; overwegende, dat daaruit blijkt, dat het motorschip Delta, roepnaam P D O J, toebehoorende aan H. Nieveen te Delfzijl, den 18den Maart 1936 in de haven van Blyth in overladen toestand werd aangetroffen, terwijl hij met zijn schip bezig was naar zee te vertrekken; overwegende, dat bij onderzoek bleek, dat het vaartuig 6,5 cm dieper lag dan volgens het Internationaal Certificaat n°. 72 dd. 7 Juli 1934 is toegelaten; overwegende, dat bovengenoemde overtreding van artikel 4, sub i, van de Schepenwet een misdraging oplevert jegens schepelingen ; gelet op de artikelen 48 en 49 van de Schepenwet; stelt aan den Raad voor de Scheepvaart voor een onderzoek in te stellen en den kapitein H. Nieveen, voornoemd, ter zake te hooren." Een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 49 der Schepenwet, besliste, dat de Raad een onderzoek naar de gegrondheid van voorschreven klacht zou instellen, welk onderzoek ter zitting van 31 December 1936 in tegenwoordigheid van den plaatsvervangend inspecteur-generaal voor de scheepvaart G. Mante heeft plaats gehad. De Raad nam kennis van een door den inspecteur-generaal in afschrift overgelegd rapport van den nautical surveyor van den Board of Trade W. H. F. Salvatori, op 20 Maart 1936 te Blyth opgemaakt, en hoorde den kapitein Hendrik Nieveen, voornoemd, als aangeklaagde, buiten eede.
De voorzitter zette hem de beteekenis van de ingediende klacht uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren, hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Delta is een Nederlandsch motorschip, metende 199,75 bruto-, 125,11 netto-registerton, roepnaam P D 0 J, eigendom van den kapitein Hendrik Nieveen te Delfzijl. Het door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart overgelegd rapport van den Board of Trade dd. 20 Maart 1936 houdt in, dat de nautical surveyor W. H. F. Salvatori c.p 18 Maart 1936 te Blyth in het Import Dock heeft geconstateerd, dat het motorschip Delta zich aldaar in overladen toestand bevond; dat de kapitein gedurende zijn opmetingen daarbij tegenwoordig was en deze als juist erkende; dat hij het vaartuig daarop heeft aangehouden, totdat het te veel aan lading was gelost. Aangeklaagde heeft ter zitting verklaard: dat hij in de maand Maart 1936 opdracht had gekregen te Blyth in zijn schip, dat in den winter 240 ton kan laden, twee partijen kolen in te nemen, t. w. 180 ton kleine kolen en 60 ton groote kolen; dat hij op dat tijdstip in time-charter voer, dus geen enkel persoonlijk_ belang had bij de in te nemen hoeveelheid lading; dat op 17 Maart de partij kleine kolen is geladen; op 18 Maart d. a. v. de partij groote kolen; dat er toen een geschil is ontstaan over één wagon kolen, welke de leverancier nog in het schip wilde uitstorten en niettegenstaande het protest van hem, aangeklaagde, die er op wees, dat niet meer kon worden geladen, in het vaartuig heeft gestort; dat hij zich daarop naar het kantoor van den makelaar ter plaatse heeft begeven om hierover zijn beklag te doen; dat in dien tusschentijd door ambtenaren van den Board of Trade de diepgang van zijn schip is opgenomen, waarbij werd geconstateerd, dat de Delta over het merk was geladen; dat hij de betreffende cognossementen niet heeft gezien; dat op dat oogenblik het schip nog niet was uitgeklaard. De plaatsvervangend inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat het den Engelschen reeders een doorn in het oog is, dat zoovele kleine Nederlandsche schepen vrachten vervoeren van en naar Engelsclie havens; dat daarom het toezicht op de naleving der geldende voorschriften zeer scherp is, maar dan ook wel terdege moet vaststaan, dat, in een geval van overlading, inderdaad bij den kapitein het voornemen bestond om in dien toestand de reis te ondernemen; dat hieromtrent echter geen zekerheid is verkregen, nu de kapitein heeft verklaard, dat de overlading tegen zijn wil was geschied en hij juist op weg was naar het kantoor van den makelaar om tegen de overlading te protesteeren, toen de Engelsche ambtenaar aan boord is geweest; dat onder deze omstandigheden de schuld van den kapitein niet als bewezen kan worden aangenomen, zoodat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. De Eaad is van oordeel, dat het bewijs van hetgeen in de klacht is gesteld, namelijk dat de aangeklaagde in de haven van Blyth met zijn schip in overladen toestand bezig was naar zee te vertrekken, niet is geleverd. De Eaad heeft nog nadere informaties ingewonnen en volgens deze inlichtingen zou de Engelsche ambtenaar inderdaad hebben gesproken met den kapitein en niet met diens vader. Daartegenover staat de pertinente verklaring van den kapitein, dat hij bij het bezoek van den ambtenaar niet aan boord was, doch dat hij. juist om te protesteeren tegen de overlading van zijn schip, welke tegen zijn wil had plaats gehad en waarbij hij, nu zijn schip in time-charter was verhuurd, ook geen enkel financieel belang had, naar het kantoor van den makelaar was gegaan. De beide verklaringen staan dus vierkant tegenover elkaar en, nu de Eaad geen gelegenheid heeft gehad den Engelschen getuige te hooren en met den aangeklaagde te confronteeren, kan de Eaad het in de klacht gestelde niet als bewezen aannemen. Mitsdien: Verklaart de klacht ongegrond. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend-voorzitter, C. J. Canters, G. J. Lap, A. L. ]3oeser en B. C. van Walraven, leden, G. Mulder, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Eaads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 22 Mei 1937. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1936-05-07: Bijvoegsel van de Nederlandsche Staatscourant van Woensdag 9 December 1936, no.240 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart:
No.112 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de motoraverij aan boord van het motorschip Delta gedurende de vaart op de Theems.
Op 7 Mei 1936 is aan boord van het motorschip Delta gedurende de vaart op de Theems motoraverij ontstaan; de krukasmetalen zijn toen warmgeloopen. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze averij zou instellen, welk onderzoek ter zitting van 29 Augustus 1936 buiten tegen- woordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart, die wegens ambtsbezigheden niet aanwezig kon zijn, heeft plaats gehad. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie, waarbij rapporten van deskundigen van die inspectie, den expert M. Robaard en den adjunctinspecteur J. den Hollander. Getuigen zijn in deze zaak niet gehoord. De stukken van gemeld voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie, waarbij genoemde rapporten, zijn door den secretaris ter zitting voorgelezen. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Delta is een Nederlandsch motorschip, metende 199,75 bruto-, 125,11 netto-registerton, roepnaam P D O J, eigendom van den kapitein Hendrik Nieveen, te Groningen. Het schip is in het jaar 1934 te Delfzijl van staal gebouwd onder toezicht van Bureau Veritas en de Nederlandsche scheepvaartinspectie. Het wordt voortbewogen door een driecylinder tweetact H. D. Bronsmotor van 150 Apk. De keerkoppeling van dezen motor wordt aan dek bediend. Op 7 Mei 1936 omstreeks te 12 uur 's middags vertrok de Delta, na lossing, van Dartford aan de Theems naar Dales wharf om te laden. Volgens de monsterrol bestond de bemanning op de onderhavige reis uit kapitein, stuurman en twee matrozen, terwijl de vrouw van den kapitein als hofmeesteres werd vermeld. Te 1.30 uur s middags bleef de motor, nadat deze voortdurend volle kracht had gewerkt, na eenige hevige stooten eensklaps stilstaan. De kapitein, die in het bijzonder belast was met de bediening en het onderhoud van den motor, ging dadelijk omlaag in de motorkamer en bevond, na het openmaken van de krukkast, dat de vier krukasmetalen en de vier krukpenmetalen geheel waren uitgeloopen door heet worden. De kapitein heeft verklaard, dat hij nog ongeveer een kwartier vóór het ongeval in de motorkamer was geweest om de smeerinrichting te eontroleeren; deze was toen volkomen in orde. Na overleg met de verzekering, de Vereeniging „Oranje", te Groningen, is het schip door het motorschip Sirius, kapitein Sloots, naar Vlissingen gesleept, waar het op 9 Mei aankwam. Twee monteurs van de Bronsmotorenfabriek te Appingedam zijn daar aan boord gekomen om de herstellingen uit te voeren. Aan het rapport van den expert Robaard zij het volgende ontleend : Op 15 Mei 1936 kwam hij te Vlissingen aan boord van de Delta. De vier krukasmetalen en drie krukpenmetalen lagen aan dek; van al deze metalen was het witmetaal door warm worden geheel uitgeloopen. De krukashalzen waren niet beschadigd, doch de krukpennen waren licht gegroefd en moesten worden opgezuiverd. Overigens was de krukas in orde. De vier nieuwe krukasmetalen waren reeds op de plaats gebracht en pasgemaakt. Van den monteur vernam hij, dat de smeeroliepomp naar de fabriek te Appingedam voor onderzoek was opgezonden, dat aan die pomp echter niets bijzonders was opgemerkt en ook de smeerolieleiding naar de krukas en de krukpenmetalen reeds was onderzocht, doorgeblazen en in orde bevonden. De smeerinrichting van den motor bestaat uit een tandradpompje op het achtereinde van de krukkast, door de nokkenas gedreven. Dit pompje zuigt de smeerolie uit den krukkastbodem. waar de zuigpijp voorzien is van een oliezeef, waarna de smeerolie gekoeld naar een olieleiding in de krukkast wordt geperst, uit welke olieleiding verschillende aftakkingen naar de krukasen krukpenmetalen voeren. Op de perspijp der smeeroliepomp is een standpijpje, waarin de werking van de oliepomp is te controleeren. Buiten de krukkast is geen smeeroliefilter aanwezig, zoodat voor het nazien van de smeeroliezeef in den krukkastbodem de motor moet worden gestopt, de krukkast opengemaakt en het pijpstuk, waarop de oliezeef is aangebracht, van de zuigolieleiding in de krukkast moet worden ontkoppeld. Die zeef was gedeeltelijk vervuild, doch niet in die mate, dat de smeerolietoevoer onderbroken werd voor een voldoende smering der krukasmetalen. Deskundige heeft tijdens zijn onderzoek aan den kapitein gevraagd, wanneer de oliezeef voor het laatst was schoongemaakt en wanneer het gewoonte was de smeerolie in de krukkast te ververschen, waarop deze antwoordde, dat de zeef ongeveer een maand geleden was schoongemaakt en het de gewoonte is dit om de drie maanden te doen. De kapitein scheen echter niet erg doordrongen van de noodzakelijkheid van het schoonhouden der zeef, daar volgens hem de olie in de krukkast in het geheel niet vuil werd, in weerwil van het feit, dat ten gevolge van het naar de krukkast doorblazen van vuile cylinder-smeerolie de oliestand in de krukkast steeds toenam. Deze oliestand wordt gecontroleerd door een peilstokje en was een kwartier vóór het ongeval door den kapitein als voldoende gepeild. Naar de meening van deskundige moet het warmloopen van alle krukasmetalen tegelijkertijd worden toegeschreven: a. óf aan het ontstaan van een luchtlek in de zuigolieleiding van de smeeroliepomp, welke pl.m. 0,50 m boven den krukkastbodem is opgesteld en niet zelfaanzuigend is; b. óf aan het vuil zijn van de oliezeef, ten gevolge waarvan de smeeroliepomp is afgeslagen. Voorts acht hij het noodzakelijk, dat de oliezeef buiten de krukkast op zoodanige wijze is aangebracht, dat die zeef te allen tijde is na te zien en schoon te maken, zonder dat het bedrijf behoeft te worden onderbroken. De adjunct-inspecteur den Hollander spreekt in zijn rapport de meening uit, dat de oorzaak van het warmloopen der metalen van den motor moet zijn veroorzaakt, doordat er geen voldoende toezicht bij den motor is geweest. De Raad is van oordeel, dat de beide omstandigheden, waarop de expert Robaard heeft gewezen, als oorzaak van dit ongeval in aanmerking komen. Het is niet wel mogelijk met zekerheid daaruit een keuze te doen. Wanneer men af mag gaan op de verklaring van den kapitein, dat een kwartier vóór het ongeval de oliedruk nog voldoende was, zou de eerstgenoemde oorzaak — lek in de zuigleiding — als oorzaak moeten worden beschouwd, terwijl anders het afslaan van de smeeroliepomp door vervuiling van de oliezeef als meer waarschijnlijke oorzaak in aanmerking komt. Dat niet met zekerheid tusschen deze beide oorzaken kan worden gekozen, behoeft den Raad niet te beletten eenige opmerkingen ter leering te maken. Vooreerst moet worden opgemerkt, dat de plaats van de oliezeef voor een regelmatige controle ongunstig is gelegen. De oliezeef moet buiten de krukkast zijn geplaatst. Dan wordt veel beter toezicht gehouden op den toestand van de zeef. De kapitein heeft verklaard, dat de zeef ongeveer om de drie maanden werd nagekeken en dat deze een maand te voren was schoongemaakt. Wanneer schoonmaken noodig is, zal van den toestand van de zeef afhangen. Er moet echter geregeld naar gekeken worden, en dit wordt in de hand gewerkt door een betere plaatsing, als hiervoren is aangegeven. Een afdoende controle op de smering is echter te verkrijgen door een luchtfluit, die blaast zoodra de oliedruk wegvalt. Een dergelijk — met zeer weinig kosten aan te brengen — toestel is noodig, vooral op schepen, waarop niet voortdurend iemand in de motorkamer aanwezig is. Het is den Raad niet geheel duidelijk, waarom niet alle fabrikanten van motoren, en vooral zij, die wijzen op de omstandigheid, dat de bediening geen afzonderlijk daarvoor bestemd personeel noodig maakt, een dergelijken eenvoudigen verklikker op den oliedruk aanbrengen. Daardoor zouden vele warmloopers, met eventueel zeer ernstige gevolgen, kunnen worden voorkomen. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, plaatsvervangend voorzitter, G. J. Lap, A. L. Boeser en B. C. van Walraven, leden, J. M. Jansen, plaatsvervangend buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 24 November 1936. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1936-07-14: Het Vaderland 14-07-1936: Een onfortuinlijke lading. Het Nederlandsche motorschip Delta, dat een lading koren uit het gestrande en weer vlot gemaakte zeilschip Kronprinzessin Caecillaa had geladen en bestemd is voor Kopenhagen, is Maandag binnengeloopen wegens broeiing in de lading en het ontwikkelen van gassen. De scheepvaart-inspectie heeft verboden de reis voort te zetten zoodat het schip op nadere orders ligt te wachten.

1936-07-19: NvhN 20-07-1936: Delfzijl, 19 Juli. Het motorschip Delta, kapt. Nieveen, welk schip alhier binnenliep met een lading tarwe van Salcombe naar Kopenhagen bestemd en welke lading schadelijke gassen ontwikkelde, vertrok heden naar Rotterdam om daar deze lading te lossen. Tot het Vlie wordt het motorschip begeleid door het motorschip Dollard, kapt. Dekker, dat van hier naar Londen bestemd is, beladen met carton.

1936-08-21: De Telegraaf 25-08-1936: Nederl. schipper tot boete veroordeeld in Engeland. Zijn schip sterk overladen. Londen, 21 Aug. (Eigen tel.), — Schipper Hendrik Nieveen, van het Nederlandsche m.s. “Delta", is heden te Newcastle veroordeeld tot betaling van £44.16/10 aan boete en kosten. Een vertegenwoordiger van het ministerie van Handel zeide, dat de „Delta" sterk overladen was. De extra lading bestond uit ongeveer 14 ton steenkool, welke het schip vervoerde van Northumberland naar Cornwall. De veiligheid van schip, bemanning en lading was de voornaamste reden voor de ladinglijnbepaling, maar het feit bestaat ook, dat de kapitein, die het schip heeft overladen, een onbillijk voordeel verkrijgt tegenover de reeders, die zich aan de bepaling houden. De vertegenwoordiger voegde er aan toe, dat het exploiteeren van dit soort van schepen zeer lucratief schijnt te zijn. Er zijn niet minder dan 62 Nederlandsche motorschepen alleen voor de Britsche kustvaart, die geregeld van Hull komen. Dergelijke schepen bevinden zich in een zeer voordeelige positie wat betreft de concurrentie met de Engelsche schepen. Zij komen van Nederland, hebben geen kantoren en geenerlei overheadkosten.

1936-09-00: De Eemsbode 22.09.1936: Het motorschip 'DELTA', kapitein Nieveen arriveerde zondagmorgen j.l. te Delfzijl als bijlegger, wegens motorschade. Het schip is met kolen beladen op weg van Goole naar Glückstadt (Elbe) en zal vanavond na herstel der schade, weer vertrekken.

1937-06-10: NvhN 11-06-1937: Delfzijl, 10 Juni. Het motorschip DELTA, kapt. Nieveen, liep hier heden als bijlegger binnen. Het schip is beladen met tarwe van Londen met bestemming Aarhuus. Later vervolgde het de reis weer.

1937-07-26: NvhN 27-07-1936 : Delfzijl, 26 Juli. Het, motorschip DELTA, kapt. Nieveen, kwam hier heden ledigsscheeps van Rotterdam binnen. Het zal alhier bij de werf van de Gebr. Niestern, diverse schade, bekomen bij het laden van tarwe uit het zeilschip Herzogin Ceciele, repareeren.

1937-09-17: NvhN 17-09-1937: Delfzijl. Het m.s. DELTA, kapt. Nieveen, liep hier heden binnen met lichte motorschade. Het schip is op weg van Urmitz met bestemming Pillau en het zal hier repareeren.

1937-09-18: NvhN 18-09-1937: Delfzijl, 17 Sept. Het ms. Delta, kapt. Nieveen, dat alhier als bijlegger binnenliep met lichte motorschade, heeft deze schade alhier hersteld en zette heden de reis weer voort. Het schip is beladen met bimsteen van Urmitz met bestemming Pillau.

1939-08-11: Eemsbode, 11.08.1939: M.S “DELTA“ veranderd van eigenaar. Het motorzeeschip “DELTA“ kapitein H. Nieveen in 1934 gebouwd bij de Scheepswerf Gebr. Niestern te Delfzijl is verkocht aan kapitein L. Davids van Delfzijl. De “DELTA“ is voorzien van een 150 PK Brons motor en is circa 345 ton.

1940-05-00: Op 16 mei 1940 ingeschreven bij The Netherlands Shipping & Trading Co. te Londen. Bevrachting door Freight Express Ltd te Londen. Nam van 26 mei tot 1 juni 1940 deel aan de Operatie 'Dynamo' (Evacuatie van Duinkerken) en redde 503 personen van de geallieerde troepen. Op 1 juni 1945 weer terug aan de eigenaar.

1948-02-15: Leeuwarder Courant 16-02-1948: De „DELTA" ramde de Battersea bridge. Een Nederlandse vrachtboot van 200 ton de „Delta", zo meldt Agence France Presse, is bij het afzakken van de Theems in botsing gekomen met Battersea-bridge. De 31-jarige kapitein, Hendrikus Oosting werd gewond, maar zijn toestand baart geen zorg. Hij is overgebracht naar het ziekenhuis van Fulham. Zijn vrouw liep lichte verwondingen op. De „Delta" liep averij op aan het stuurhuis en aan de commandobrug, de trechter-ventilatoren werden van het dek geveegd, terwijl het roer totaal defect geraakte. De Battersea bridge liep schade op aan het ijzerwerk. De „Delta" is het eigendom van de rederij Davids te Delfzijl.
De Volkskrant 16-02-1948: Onfortuinlijk weekend op het water. Twee aanvaringen. Nederlands kapitein ernstig gewond. Amsterdam, 15 Febr. — In het afgelopen weekend hebben vier scheepsongevallen plaats gevonden. Het Nederlandse motorschip „Delta" is in aanvaring gekomen .met een brug over de Theems, een Amerikaanse vrachtboot heeft in Amerika de „Zonnewijk" aangevaren, vóór IJmuiden ramde een Engels schip een Duitse coaster en bij Vlissingen liep een Engels schip aan de grond. Het Nederlandse motor-vrachtschip „Delta" is Zondagmiddag, bij het afzakken van de Theems, in Londen, in botsing gekomen met de „Batterseabrug". De 31-jarige kapitein Hendrikus Oosting liep bij dit ongeval verwondingen op aan keel en hals en zijn beide armen zijn gebroken. Hij is opgenomen in het St. Stephenshospitaal, waar hij een operatie heeft ondergaan. Zijn verwondingen zijn ernstig, maar geven op het ogenblik geen reden tot bezorgdheid. De vrouw van de kapitein kreeg ten gevolge van het ongeval een zenuwschok. Toen de „Delta" stroomafwaarts dreef, stond de kapitein op de buitengewoon hoge brug van zijn schip. Tijdens de botsing raakte hij in de stuurhut bekneld. De commandobrug liep averij op. De
ventilatoren werden van het dek geschoven en het roer raakte onklaar. De „Battersea-brug" werd licht beschadigd. Het Nederlandse m.s. „Zonnewijk", groot 7240 ton, van de firma Erhardt en Dekkers in Rotterdam, is Vrijdagmiddag ter hoogte van zijn achtersteven aangevaren door het Amerikaanse m.s. „Tivives". Het schip was juist uit Baltimore vertrokken met een lading kolen, die voor Rotterdam bestemd was. De „Zonnewijk" is naar Norfolk gegaan om de schade te laten opnemen. Waarschijnlijk kan het schip zijn reis naar Nederland voortzetten.
Het Parool 16-02-1948: Ned. schip tegen brug over Theems gevaren. De Nederlandse vrachtboot „Delta" van de rederij Davids in Delfzijl is op de Theems tegen de Battersea-Bridge, gevaren. De 31-jaiige kapitein.-H. Oosting, en zijn vrouw werden beiden gewond. De man stond op de uitzonderlijk hoge brug van zijn scheepje en raakte bekneld in het totaal vernielde stuurhuisje. Het duurde enige uren voor hij uit zijn benarde positie kon worden bevrijd. Hij moest daarna een operatie ondergaan in het St. Stephens hospitaal. De "Delta" was op weg van Fulham naar Antwerpen.
Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van Maandag 18 Juli 1949. no.137 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart: No. 174 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip „Delta" met de Batterseabridge te Londen. Betrokkene: de kapitein H. Oosting. Op 15 Februari 1948 is het m.s. „Delta" tijdens verstomen in aanvaring gekomen met de brug van Battersea, waarbij behalve de bovenbouw van het schip ook de brug is beschadigd. De kapitein werd hierbij gewond. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze aanvaring. Bovendien besliste genoemde commissie, eveneens in overeenstemming met het desbetreffende voorstel van de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart, dat het onderzoek tevens zou lopen over de vraag of niet het ongeval mede te wijten is aan de schuld van de kapitein van de „Delta" H. Oosting, wonende te Stadskanaal. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 2 Mei 1949, in tegenwoordigheid van de inspecteur voor de scheepvaart C. Moolenburgh. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein en stuurman van de „Delta" en hoorde de kapitein, voornoemd als betrokkene buiten ede. Getuigen zijn in deze zaak niet gehoord. De voorzitter zette de betrokkene, aan wie voormelde beslissing bij deurwaardersexploot was betekend, doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip „Delta" is een Nederlands schip en behoort toe aan D. Davids, te Delfzijl. Het meet 199,75 bruto-registerton en wordt voortbewogen door een 150 pk. Brons-motor. De bemanning bestond uit zes personen. Tot 14 Februari 1948 had de „Delta" gelost aan de Nacovia-werf te Fulham en moest op Maandag 16 Februari de belading aanvangen te Silvertown, eveneens in Londen. Een loods werd besteld om 15 Februari te 6 uur te verstomen. De loods was niet op de bepaalde tijd ter plaatse en daar het water vallende was en de kapitein bevreesd was daardoor aan de grond te komen, werd ontmeerd en hield betrokkene zijn schip voor de ligplaats gaande. Toen te 6.30 uur de loods nog niet was gekomen, besloot de kapitein zonder loods naar Silvertown te gaan. Hij stond zelf aan het roer en bediende ook de motor; de stuurman stond op de brug uit te kijken. Betrokkene was wel eerder zonder loods door de bruggen gegaan en had op een merk aan de kade bepaald, met welke waterstand zijn schip de bruggen nog kon passeren. Het was goed weer en helder; de wind was Zuid, 3 a 4. Het was ebtij. Vóór de stroom en slechts nu en dan de schroef gebruikend om stuur in het schip te houden, voer het naar de Battersea-brug. Deze brug ligt ongeveer 500 meter beneden de Nacovia-losplaats. Daar de brug in een bocht van de rivier ligt, waren wel is waar de lichten van de brug goed zichtbaar, maar de openingen vrij slecht. Betrokkene hield aan op de bakboordopening; op de vraag van de stuurman, waarom dit werd gedaan, antwoordde hij, dat dit voor afkomende schepen verplicht was. Door de stroom en de wind kwam het schip niet recht voor de opening, maar het achterschip zette te veel naar stuurboord weg. Betrokkene gaf even V.K.V. en hard stuurboord-roer. Het schip kwam wel snel stuurboord uit, maar kon niet tijdig slaags komen voor het hoogste deel van de boog onder de brug. De stuurman waarschuwde nog, dat de brugopening te laag was. Op het laatste ogenblik werd nog volle kracht achteruitgeslagen, maar de aanvaring was niet te voorkomen. Het voorschip met de gestreken mast passeerde onder de brug, maar de stuurboordzij van de opbouw op het achterschip kwam te 6.50 uur in aanraking met de brug. De stuurman was tijdig aan dek gesprongen en stopte de motor; de kapitein werd, hoewel hij zich plat op dek had geworpen, ernstig gewond. De kapitein werd bevrijd en naar een hospitaal gebracht. Daar het water vallende was, slaagde de stuurman met hulp van de rivierpolitie er in, de „Delta" vrij te krijgen van de brug en langs een lichter te meren. Ter zitting verklaarde betrokkene, dat de stuurboordopening beter geschikt was geweest, daar ze een voet hoger is, maar dat het schip door de stroom meer naar de bakboordopening werd gezet. De stroomsterkte was ongeveer drie mijl en de vaart van het schip eveneens drie mijl. Voor de bakboordopening werd hij te veel naar stuurboord gezet; daarom moest hij eerst bakboordroer geven en daarna stuurboord-roer. De brugopening bestaat uit een boog, die wel is waar op het water vijftig meter breed is, maar door de slechts langzaam toenemende hoogte slechts over ongeveer vijftien meter breedte geschikt was om de „Delta" door te laten. Betrokkene achtte de wijze van doorvaren geheel verantwoord. Deze bruggen worden nooit met krabbend anker gepasseerd, terwijl wachten tot de stroom zou zijn verminderd ten gevolge zou hebben gehad, dat er verderop te weinig water zou zijn om te varen. De inspecteur voor de scheepvaart voert aan, dat hij het niet een onderschatting van de moeilijkheden acht, dat de kapitein zonder loods is vertrokken. Hij had deze reis meermalen gemaakt. Wel was de hoogte onder de brug voor het lege schip op het tijdstip van passeren te laag. De regels voor de haven van Londen wijzen de kapiteins er in het bijzonder op voorzichtig te zijn bij het passeren van bruggen. Bij het naderen van de brug lag het schip niet slaags voor de opening. Hij gaf toen even volle kracht vooruit met stuurboord-roer. Nu dreef hij door de stroom en de wind min of meer dwars naar de brug. Deze manoeuvre was riskant en de kapitein verwaarloosde hierbij de voorzichtigheid. Nu mislukte de manoeuvre en deze kon niet worden hersteld. Het schip raakte vast onder de brug. De inspecteur voor de scheepvaart is van mening dat te 6.30 uur de waterstand nog te hoog was om veilig onder de brug door te gaan. Er was voor de kapitein geen reden om zo'n haast te maken. Als hij had gewacht en het water verderop bij London-bridge te laag zou zijn geweest, had hij daarvóór kunnen ankeren en met het volgende tij doorgaan, daar hij pas de volgende morgen te Silvertown moest zijn. De inspecteur voor de scheepvaart is van mening, dat de kapitein niet heeft genavigeerd, zoals de veiligheid en de reglementen eisen. Hij heeft zelf door zijn verwonding voor dit verzuim geleden. De inspecteur stelt voor, ditmaal kapitein Oosting te straffen met een berisping. 'sRaads oordeel luidt als volgt: Betrokkene had niet de bedoeling om zonder loods te varen. Nu deze niet kwam en hij vreesde de gelegenheid te verliezen, besloot hij zelf het schip naar Silvertown te brengen, De Raad acht dit niet verkeerd, gezien het feit, dat betrokkene daar meermalen was geweest. Het was wel nodig, dat betrokkene daarbij alle voorzichtigheid in acht moest nemen, vooral daar hij het traject in het donker moest afleggen. Het komt de Raad voor, dat betrokkene beter had gedaan, indien hij het schip enige tijd gaande had gehouden tot het water meer zou zijn gezakt, zelfs al zou hij dan later vóór de London-bridge hebben moeten ankeren. Ook is de snelheid over de grond bij het passeren van de brug te groot geweest, nl. drie mijl vaart en drie mijl stroom. Nu het schip niet precies voor de opening kwam, moesten enige manoeuvres worden gemaakt en daarvoor ontbrak de tijd. Op het laatst gaf betrokkene zelfs volle kracht vooruit met stuurboord-roer, terwijl hij ook een draaiing naar stuurboord zou hebben verkregen, als hij toen volle kracht achteruit had geslagen. De Raad is van mening, dat betrokkene niet voldoende voorzichtig heeft gevaren en dat een correctie hiervoor op haar plaats is. Mitsdien: Straft kapitein Henderikus Oosting, geboren 8 Maart 1916, wonende te Stadskanaal, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, tweede plv. voorzitter, C. H. Brouwer en G. J. Barendse, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad. (Get.) A. Dirkzwager; A. Boosman.

1950-01-27: Op weg van Newburg naar Londen op de Theems ter hoogte van de Tower Bridge aangevaren door het Britse kolenschip 'Colonel Crompton'. Het zonk binnen vier minuten maar de bemanning werd gered. Op 4 februari geborgen, voorlopig hersteld, en op eigen kracht naar de werf van Sander in Delfzijl gevaren voor reparatie’s en hermotorisatie.
NvhN 27-01-1950: Vanochtend vroeg is het 240 ton metende motorschip DELTA van de rederij Davids uit Delfzijl, komende met een lading macadam van Newburgh, na een aanvaring met het Britse kolenschip Colonel Crompton vlak bij de Tower Bridge in de Theems gezonken. De aanvaring met de bijna 1500 ton metende boot van de British Electricity Authority geschiedde om ongeveer vier uur. Het was donker en boven de rivier hing een zware mist, waardoor het zicht op het moment van de botsing slechts 10-15 meter bedroeg. Een wachtsman van een nabijgelegen motorschip verklaarde dat hij in het Nederlands hoorde roepen door enkele mensen. Ook hoorde hij fluiten. Hij zag het rode licht van de Delta overhellen en onder water verdwijnen. Binnen vier minuten was de Groninger coaster gezonken. Politieboten en sleepboten — het is ter plaatse druk op de Theems; de Londense zakenwijk ligt slechts enkele honderden meters van de plek waar het ongeval geschiedde — ontstaken de zoeklichten. Gelukkig lag de loodsboot nog langszij van de Delta, welke op weg was naar Wandsworth, dat boven Londen is gelegen. De uit zes koppen bestaande bemanning van de Delta werd binnen 20 minuten na de aanvaring aan land gebracht. De aanvaring gebeurde in een bocht van de rivier. Er was juist een loods aan boord gekomen. De twee zoons van de loods, die de bemanning van het loodsbootje uitmaakten, hoorden de aanvaring gebeuren. Zij konden snel hulp bieden; overigens geen minuut te vroeg. Volgens de loods is een lid der bemanning, Kraker, op het laatste ogenblik overboord gesprongen. Hij kon worden opgepikt. De rest van de bemanning en de loods konden in het loodsboot je overstappen. De Theems is voor deze Groninger coaster. Geen prettig vaarwater. Enkele jaren geleden n.l. kwam de Delta te Vauxhall in botsing met een brug, waardoor een enorme dekschade werd aangericht, terwijl kapitein Oosting uit Stadskanaal, die ook nu het bevel voerde, bij die gelegenheid een oor verloor. De Delta is in het vaarwater gezonken. Men vermoedt, dat het schip kan worden gelicht. Er is een wrakboei gelegd op de plaats van de scheepsramp.
De Volkskrant 28-01-1950: Engels kolenschip vaart „Delta” aan Nederlanders overleven schipbreuk op Theems. Bemanning (5 koppen) sprong over in loodsboot.
(Van onze correspondent) Londen, 28 Jan- Vanmorgen om vier uur is de Nederlandse kustvaarder „Delta” op de Theems in de mist aangevaren door een Engels kolenschip en onmiddellijk gezonken. De vijf leden van de Nederlandse bemanning en de Engelse loods werden gered. De Nederlanders zullen misschien Zondagmiddag reeds in Delfzijl arriveren. Het ongeluk gebeurde vlak bij Tower Bridge. De „Delta" meet 200 ton en is eigendom van de rederij B. Davids uit Delfzijl. Het schip bracht voor een Engelse maatschappij een laling graniet van Dundee (Schotland) naar Londen. Het vertrok Maandag uit Dundee. De „Colonel Crompton, het Engelse kolenschip, 1495 ton groot, voer tegen de „Delta" aan en sloeg een gat aan bakboord. De „Delta" kreeg onmiddellijk veel water in en maakte zwaar slagzij. Het ongeluk gebeurde op een plek, waar het water ondiep is. Vanmiddag stak een stuit van de „Delta" boven de waterspiegel uit. Dat er geen slachtoffers zijn gevallen is te danken aan het feit, dat alle vijf leden van de bemanning aan dek waren, toen .het ongeluk gebeurde. Het mistte zwaar. De „Colonel Crompton" had aanvankelijk aan de goede zijde van de Theems gevaren, maar voer later uit de koers. De bemanning van de „Delta" zag het gevaar. De machines stonden echter stil en er was geen tijd meer om te ontwijken. De „Colonel Crompton" duwde de boeg in de romp van de zwenkende „Delta". Zij voer toen even achteruit en daarna opnieuw tegen de „Delta". Deze poging om het gat te dichten, lukte echter niet. Het water liep snel de romp binnen. Kok van Delle uit 't Zand, die juist naar boven kwam met een kopje thee, liet zijn presenteerblaadje maar vallen en rende naar het dek „Dan maar geen thee, dacht ik" Vier minuten na de aanvaring was iedereen van boord. Kapitein Oosting, stuurman Van Baarsen uit Amsterdam, loods Windle en de schepelingen Van Dijk en Van Delle zijn overgesprongen op het bootje, waarmede de loods was gebracht. Kraker uit Schoondijke, het vijfde lid van de bemanning, was te laat. Hij was naar het gat in de romp gaan kijken toen hij terugkeerde. Hij sprong in het ijskoude water. Simon moest hard zwemmen om niet onder de zinkende „Delta" te verdwijnen en verward te raken in de schroef. Hij schreeuwde om hulp. De stroming in de Theems wal sterk. De koude maakte het hem bijna onmogelijk zijn armen te gebruiken. Na enkele minuten kregen de geredden in de sloep hun maat in de gaten en haalden hem aan boord- Simon was half bewusteloos van koude en uitputting. Hij had veel water binnengekregen. De „Delta" kapseisde. Motorboten van de Londense waterpolitie waren onmiddellijk op de plaats des onheils
Trouw 28-01-1950: Hoe de gekapseisde „Delta” in de Theemsmonding verging. Kapitein Oosting (in een rammelende taxi), vertelt zijn wederwaardigheden.
(Van onze Londense correspondent) Op een steenworp afstands van de Londense Towerbridge in de verradelijke stroming van Engelands hartader de Theems ligt sinds gistermorgen een gekapseisd Nederlands schip. Het is de 200 ton metende kustvaarder Delta, die, zoals wij reeds meldden, in de vroege en donkere morgenuren door het zevenmaal zo grote Engelse kolenschip Crompton werd geramd en binnen drie minuten is gezonken. De bemanning van vijf koppen kon zich tijdig in veiligheid stellen, alhoewel de redding van matroos S. de Kraker uit Schoonedijke niet zonder moeite ging. In een rammelende Londense taxi vertelde kapitein Oosting ons gistermiddag, hoe hij zijn met graniet geladen schip in een dikke Theemsmist had verloren. Evenals zijn bemanning was deze stoere Groninger bijna al zijn persoonlijke bezittingen kwijt geraakt en de kleren die hij droeg, alsmede de schoenen, die hij aan had waren hem door de helpende hand van het Engelse zeemanshuis verstrekt. De Delta, zo verhaalde de kapitein, had juist een loods aan boord genomen toen het plotseling door het Engelse kolenschip aan bakboordzijde werd geramd. De scheepskajuit van het kustvaartuig werd opengescheurd en het water gulpte met zulk een snelheid binnen, dat het schip ogenblikkelijk begon te zinken. Met man en macht had de kapitein nog geprobeerd het schip op de wal te zetten, maar daar het sterk naar stuurboordzijde begon over te hellen slaagde hij hier niet in. Onder de bemanning, die zich op het ogenblik van de ramp aan dek bevond, ontstond geen paniek. Toen het voorschip al geheel blank stond stapten zij rustig in het ijlings teruggekeerde loodsbootje over, direct gevolgd door de loods en de kapitein. In de verwarring van het ogenblik bemerkten zij echter te laat, dat matroos de Kraker zich nog aan boord bevond. Deze laatste had, zoals hij ons later vertelde, nog geprobeerd iets van zijn bezittingen te redden, maar was door het snel binnen-stromende water afgesneden. Het schip helde toen al flink over en matroos De Kraker wist niet beter te doen dan in het water te springen. Hoewel een goed zwemmer werd hij weldra door de intense koude bevangen maar kon nog juist door het loodsbootje worden opgepikt. Stuurman Van Baarzen uit Amsterdam vertelde nog, dat het Britse kolenschip waarschijnlijk te ver naar links is uitgeschoten toen het zich naar de vaargeul wilde begeven. De Delta bevond zich in de juiste koers en had zo goed als geen vaart. Daar het gekapseisde schip zich in het vaarwater van de Theems bevindt zal men vandaag reeds pogingen in het werk stellen om het te lichten. De Delta is het eigendom van de rederij Davidsen te Delfzijl.
NvhN 04-02-1950: M.s. DELTA niet verloren. Het onlangs op de Theems gezonken te Delfzijl thuis behorende m.s. Delta blijkt niet verloren te zijn. Het schip, dat opzij lag, is thans rechtgezet en er wordt getracht de lading te lossen. Voorlopige dichting zal plaats vinden, waarna het schip in een dok geheel zal worden hersteld.
NvhN 24-02-1950: De Delta gelicht. Naar Nederland om gerepareerd te worden. De kustvaarder Delta van de rederij Davids uit Delfzijl, welke na een aanvaring met een Engelse kolenboot op de Theems zonk, is thans gelicht en naar de Londense haven gesleept, waar de grote gaten, door de aanvaring ontstaan, voorlopig gedicht werden. Het schip wordt thans naar Nederland gesleept en zal op een scheepswerf te Terneuzen definitief worden hersteld. Het wordt vandaag in Nederland verwacht.
Trouw 25-02-1950: Het m.s.”Delta”. De kustvaarder „Delta", gesleept door de Engelse sleepboot „Priseman", die in de Theems was gezonken en inmiddels is gelicht, passeerde gistermiddag Vlissingen, op weg naar Terneuzen, waar het schip zal worden gerepareerd.
Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van Donderdag 12 April 1951.no.71 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart: No.20 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake het zinken van het motorschip „Delta" ten gevolge van aanvaring met het Engelse stoomschip „Colonel Crompton" op de Thames bij London Docks. Op 27 Januari 1950 is het motorschip ,,Delta", toen het op reis van Newburgh naar Wandsworth tijdens mist onder loodsaanwijzing varende was op de Thames, aangevaren door het Engelse stoomschip „Colonel Crompton", waardoor een gat aan b.b.-midscheeps ontstond, ten gevolge waarvan de „Delta' spoedig zonk. Alle opvarenden werden gered. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze aanvaring. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 22 Februari 1951, in tegenwoordigheid van de inspecteur voor de scheepvaart C. Moolenburgh. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein, de roerganger en de bestman van de „Delta", de te Londen afgelegde scheepsverklaring, zomede van getuigenverklaringen van de bestman en de motordrijver van de „Delta" en van de kapitein van het motorschip „Hebe Nobel", zomede van door het Ministry of Transport toegezonden verklaringen van de kapiteins van de „Delta" en de „Colonel Crompton". Getuigen zijn in deze zaak door de Raad niet gehoord. Uit de bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip „Delta" is een Nederlands schip, toebehorende aan de heer D. Davids, te Delfzijl. Het meet 199.75 bruto-registerton en wordt voortbewogen door een 150 pk Brons-diesel. Op 26 Januari 1950 voer de „Delta", op reis van Newburgh naar Wandsworth, met een lading macadam de Thames op en maakte wegens mist te 15.00 uur vast op de Greenwichboei. De diepgang was vóór 7'3", achter 8'6". Inclusief de kapitein bestond de bemanning uit vijf personen. Op 27 Januari te 3.00 uur werd de reis vervolgd. Het was toen mooi, helder weer, maar weldra kreeg men last van mistvlagen, tijdens welke het zeer dik was; daartussen was het zicht 300 meter. De vaart werd geminderd tot langzaam, afwisselend werd gestopt. De kapitein bevond zich met de roerganger op de brug; de bestman stond voorop als uitkijk. Men voer met de vloed mee aan de s.b.-zijde van het vaarwater en gaf de voorgeschreven mistseinen. Terwijl tussen 3.30 en 3.40 uur tegenover Cherry Gardens Pier een loods werd overgenomen, werd de ,,Delta" voorbijgevaren door het meeliggende Nederlandse motorschip ,,Hebe Nobel", waarvan men voortdurend na voortzetten der reis het heklicht op ongeveer 300 meter vooruit zag, even aan bakboord. In overleg met de loods werd besloten door te varen tot Towerpier en daar te meren. Op een gegeven moment zag men links van de ,,Hebe Nobel" het rode vuur van een tegenkomer, die juist dit vaartuig was gepasseerd en die. later bleek het Engelse stoomschip „Colonel Crompton" te zijn. De ,,Delta" gaf, om meer ruimte te geven, s.b.-roer en 1 stoot, slechts langzaam varend, daar de schroef gestopt was. De tegenligger veranderde echter koers naar bakboord, zodat beide zijlichten werden gezien. De kapitein van de ,.Delta" nam nu zelf het roer, draaide dit stuurboord aan boord en gaf 1 stoot en zette de motor op volle kracht vooruit. De „Colonel Crompton" kwam snel naderbij en gaf dan 3 korte stoten, maar raakte te ongeveer 4.00 uur met haar steven de „Delta" b.b.-midscheeps en maakte daarbij een gat van 50 bij 75 cm, gedeeltelijk onder water. Daar de kapitein vreesde, dat de „Delta" zou zinken, wilde hij trachten de Noordwal te bereiken om haar daar aan de grond te zetten. De „Delta" bleef volle kracht draaien; op verzoek trachtte de „Colonel Crompton", de steven in het gat houdende, haar eveneens naar de noordkant te drukken, maar de „Delta" zonk na een paar minuten, draaide eerst naar bakboord en viel dan plat op s.b.-zij. De opvarenden werden door de meevarende loodsmotorboot aan boord genomen; de roerganger moest te water springen en werd daaruit opgepikt. Op 2 Februari is de „Delta" gelicht, op 3 Februari in het dok opgenomen en 23 Februari naar Terneuzen gesleept. De kapitein van de „Hebe Nobel" heeft verklaard, dat zijn schip ter hoogte van London Docks door de „Colonel Crompton" op normale wijze werd gepasseerd, rood op rood. Daarna zag hij de ander, welks vaart hij schatte op 3 mijl, koers veranderen naar bakboord, zeker 40°, zodat hij weer het b.b.licht zag. Hij dacht toen wel, dat de „Delta" daar last van kon hebben, maar had dan alle aandacht te besteden aan de eigen navigatie. Van de zijde van de „Colonel Crompton" is verklaard, dat dit schip 1495 bruto-registerton meet; zij voer op 27 Januari leeg de rivier af. De diepgang was vóór TT.", achter 12'. Zij voerde de boordlichten en een heklicht, maar, omdat de mast gestreken was, geen toplicht, maar in plaats daarvan een wit licht op de boeg, even hoog als de boordlichten. De vaart was 4 mijl door het water. Toen zij de Tower-bridge passeerde, gaf zij een attentiesein. De kapitein was met de loods en een roerganger op de brug, vóórop stond de stuurman met twee matrozen. Kort nadat het schip goed koers lag, aan de zuidzijde van het vaarwater, zag men op s.b.-boeg toplicht rood van een tegenkomer, die iets naar het Noorden lag. De lichten van Cherry Garden Pier waren recht vooruit. De „Colonel Crompton" gaf s.b.-roer en 1 stoot, hoorde ook 1 stoot als antwoord en passeerde de ander aan bakboord. East Lane Pier was toen dichtbij aan s.b.- zij. Toen het andere schip vrij was, zag men op een kabel afstand op s.b.-boeg het rode licht van een andere tegenkomer en dan ook het toplicht, dat blijkbaar afgedekt geweest was door de eerste tegenligger. De „Colonel Crompton" gaf s.b.roer en 1 stoot en toen geen antwoord werd'gehoord, gaf zij hard stuurboord en nog eens 1 stoot, maar gaf dan volle kracht achteruit en 3 stoten. Het leek evenwel alsof het andere schip, het motorschip „Delta", door de stroom op de boeg van de „Colonel Crompton" werd gezet. De aanvaring geschiedde te 4.01 uur aan de zuidzijde van het vaarwater ter hoogte van Chamber's Wharf. De „Colonel Crompton" werd naar bakboord omgezet en gaf nu langzaam vooruit om de „Delta" buiten het vaarwater aan de grond te zetten. De „Delta" zonk evenwel aan de noordzij van het vaarwater. De inspecteur voor de scheepvaart voert aan, dat het jammer is, dat deze aanvaring moest worden behandeld buiten aanwezigheid van getuigen, daar bij het vóóronderzoek afwijkende verklaringen zijn afgelegd. De inspecteur gaat vervolgens de wijze van varen van de ..Delta" na en meent, dat dit schip op zorgvuldige wijze de Thames opvoer. Nadat de loods aan boord was gekomen, was het zicht nog zo, dat de uitkijk beide oevers kon zien, zodat er geen bezwaar tegen was, voorzichtig varende naar de boeien bij de Tower-bridge te gaan. De „Delta" voer zeër langzaam; dit is ook door het Engelse schip niet tegengesproken. Zowel de opvarende van de „Delta" als de kapitein van de „Hebe Nobel" hebben verklaard, dat de „Colonel Crompton", die door de zuidelijke doorvaart van de Tower-bridge was doorgevaren, na het passeren van de „Hebe Nobel", welke middenvaarwaters voer, sterk bakboord uitdraaide, zodat men op de „Hebe Nobel" weer het rode licht zag in plaats van het heklicht. De Engelse kapitein geeft echter aan, dat hij in de asrichting der rivier stomende, na het passeren aan bakboord van een vaartuig, de „Hebe Nobel", dichtbij op s.b.-boeg het rode licht van de „Delta" verkende én direct daarna het toplicht. Deze lichten zouden daarvóór afgedekt zijn geweest door de „Hebe Nobel", die vóór het passeren aan b.b.-zij van zijn s.b.-zij naar bakboord was overgelopen. Dan zouden de „Hebe Nobel" en de „Delta" beide aan de verkeerde kant van het vaarwater hebben gezeten. Dit lijkt niet waarschijnlijk, vooral niet voor de „Delta", waarop juist een P.L.A.pilot was geëmbarkeerd. De lichten van de „Delta" kunnen over s.b.-boeg van het Britse schip zijn verkend, indien dit na het passeren van de „Hebe Nobel" een aanzienlijke keerswijziging naar bakboord heeft gemaakt. De kapitein van de „Colonel Crompton" verklaart echter, dat hij s.b.-wal hield en niet bakboord is uitgegaan om na passeren van de „Hebe Nobel" weer middenvaarwaters te komen. Zijn schip zou de lichten van Cherry Garden Pier recht vooruit hebben gehad en de „Delta" zou zich geheel aan haar b.b.-zijde van het vaarwater hebben bevonden. Daar de loods van Cherry Garden Pier per motorsloep naar de noordzijde van het vaarwater was gekomen om op de „Delta" over te gaan en men op de „Delta" de „Hebe Nobel" even op- b.b.-boeg peilde, lijkt het niet waarschijnlijk, dat de „Delta" ten zuiden van de aslijn van het vaarwater zou zijn gekomen, tenzij dit schip door een naar de buitenbocht trekkende vloedstroom naar de zuidelijke oever zou zijn gestuwd. De „Delta" zou dan niet gestrekt in de rivier hebben gelegen. Bij gebrek aan getuigen is dit niet verder uit te zoeken, doch het lijkt onwaarschijnlijk, dat de ,,Delta" onder loodsaanwijzing zo ver om de Zuid zou zijn gekomen als de Britse kapitein verklaart. Wat de manoeuvre van de ,.Delta" betreft om volle kracht vooruit te gaan in plaats van achteruit te slaan, toen het gevaar voor aanvaring dreigde, meent de inspecteur, dat deze alleen kan worden beoordeeld, wanneer men geheel op de hoogte is van de onderlinge positie der schepen. Ook al moet als regel worden aanbevolen de vaart uit het schip te halen, er kunnen zich omstandigheden voordoen, dat goed zeemanschap vereist van deze algemene regel af te wijken. Na de aanvaring heeft de „Colonel Crompton" nog getracht de ,,Delta" zoveel mogelijk onder de Noordwal te brengen, opdat dit schip geen obstakel in het vaarwater zou vormen. Hierin ligt wel opgesloten, dat de aanvaring niet onder de zuidwal heeft plaats gehad. De „Delta" zonk echter zo snel, dat ze aan de noordzijde van de vaargeul onder water verdween. De inspecteur meent aan de hand der ter beschikking zijnde bescheiden geen aanmerking te mogen maken op het gevoerde beleid van de kapitein van de „Delta". Het oordeel van de Raad luidt als volgt: Gezien het feit, dat de verklaringen, bij het vooronderzoek afgelegd door beide partijen, op een belangrijk punt met elkaar in tegenspraak zijn, kan de Raad niet met zekerheid vaststellen hoe de aanvaring heeft plaats gevonden, ten gevolge waarvan het motorschip „Delta" op 27 Januari 1950 op de Thames bij London Docks is gezonken. De Raad is overtuigd, dat tot kort vóór de aanvaring de „Delta" met voorzichtigheid en goed zeemanschap heeft gevaren. Daar de opvarenden van de „Delta" en van de „Hebe Nobel" hebben verklaard, dat deze schepen niet aan de verkeerde kant van het vaarwater voeren, maar dat de „Colonel Crompton" na het passeren van de „Hebe Nobel" belangrijk naar bakboord draaide, is de Raad eerder geneigd deze verklaringen voor waar aan te nemen dan die van de opvarenden van het Engelse schip, waaruit zou moeten blijken, dat dit laatste schip s.b.-wal hield, maar de beide andere hun verkeerde wal voeren. De Raad maakt geen aanmerking op de wijze van varen van de „Delta", voor zover de Raad deze uit de stukken kan beoordelen, en evenmin op de manoeuvre, op het laatste moment door de kapitein van dit schip uitgevoerd, toen de aanvaring dreigde. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, tweede plv. voorzitter, C. H. Brouwer, S. Vlietstra en L. Meulman, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van 3 April 1951. (Get.) A. Dirkzwager; A. Boosman.


1956-03-29: NvhN 29-03-1956: m.s. Delta verkocht. De heer D. Davids te Delfzijl heeft het motorschip Delta verkocht aan de heren Gebr. Bruins te Kampen, die het schip onder de nieuwe naam Hendrik-B in de vaart zullen brengen. Het schip heeft een deadweight van pl.m. 250 ton en werd in 1934 gebouwd bij de Scheepswerf Gebr. Niestern te Delfzijl. De Delta behoort tot het gladdektype. In de machinekamer staat een 150 p.k. motor opgesteld. De thuishaven wordt van Delfzijl gewijzigd in Kampen.

1962-05-07: Het Vrije Volk 07-05-1962. Matroos verdronken. Bij het meren van zijn schip, de coaster Hendrik-B uit Groot-Ammers, die met een lading hout uit de Oostzee kwam, is vanmorgen om 11 uur de 22-jarige matroos A. den Boer uit Blijswijk in de IJssel bij Kampen te water geraakt en verdronken.

1962-12-09: NvhN 10-12-1962: De 200 ton metende kustvaarder 'Hendrik-B', die vaart bij Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf te Delfzijl, is vandaag voor de Zweedse noordoostkust bij de vuurtoren van Bonden aan de grond gelopen. De vijf bemanningsleden verlieten het schip, dat leek te zinken, met de sloep. Na de eerste radiotelefonische noodmelding van het schip voeren reddingsboten van Bredskaer en Jaerness en het radiostation Hernoesand uit. De bemanning werd uiteindelijk behouden aan boord van een loodsboot genomen. Uit Holmsund vertrok het bergingsvaartuig 'Neptun' naar de verlaten 'Hendrik-B'. Toen het echter duidelijk werd dat de 'Hendrik-B' niet zou ondergaan maar zou blijven drijven, gingen de kapitein en een loods terug aan boord. Ze slaagden erin de motor in werking te stellen. Het boegdeel stond onderwater, maar de machinekamer was droog. Zelfs al zou de 'Hendrik-B' geheel onderlopen, dan zou ze toch nog blijven drijven op haar houtlading. De kapitein en de loods hebben het schip in de richting van het loodskantoor van Jaernaes gestuurd met een snelheid van drie knopen en de hulp van een loodsboot.
Friese koerier 10-12-1962: Nederlands schip bij Zweden zinkende. Harnösand-Zweden. Voor de Zweedse noordoostkust bij de vuurtoren van Bonden is het 200 ton metende Nederlandse vrachtschip "Hendrik B" uit Kampen aan de grond lopen. Het is zinkende. De „Hendrik B" heeft geen radio boord. Na de eerste radiotelelfonische noodmelding van het schip is niets meer ontvangen. Het is niet bekend of de bemanning de „Hendrik B" al dan niet heeft verlaten. In het gebied, waar het schip in nood verkeert, is de zee ruw, maar de windkracht neemt af. Uit Bredskar en Jarness zijn reddingsboten uit gevaren om de „Hendrik B" hulp te bieden. De boot was onderweg van Vasa naar Yxpila, twee Finse havens. Nader wordt door het ANP bericht dat de bemanning veilig en wel aan boord van een loodsboot is gestapt. De "Hendrik B" is eigendom van Wagenborgs Scheepvaart- en Expeditiebedrijf te Kampen.
De Telegraaf 11-12-1962: Beangstigend avontuur van Ned. Zeelui. Van onze speciale verslaggever, dinsdag. Harnösand-Hardinxveld. Urenlang had kapitein G. Bruins (38) uit Groot Ammers op de brug van zijn kustvaarder „Hendrik B" gestaan om in het slechte weer zijn schip veilig langs de rotsige Zweedse kust te varen. Gistermorgen om vijf uur leek het ergste voorbij. De vuurtoren van Boden was men aan stuurboord voorbijgevaren. Het voorlopig vrije water van de Botnische Golf lag voor de boeg. "Ik ga even een uurtje op de bank", zei kapitein Bruins, en hij gaf het roer over aan zijn 18-jarige stuurman J. Lenting uit Kampen. Maar toen had kapitein Bruins er geen moment aan gedacht dat hij een half uur later weer op de brug zou staan. Laat staan dat zijn bemanning en hij hun trouwe „Hendrik. B" zouden moeten verlaten omdat het schip zinkende zou zijn en dat zij een paar uur in een rubberboot zouden moeten ronddrijven— in ijzige koude, gegeseld door sneeuw en op een zee, die opgezwiept door de wind een heksenketel was geworden. Maar dit werden de feiten. Op de rotsen. Want nauwelijks was kapitein/eigenaar Bruins op de bank in zijn hut in slaap gevallen, of zijn schip strandde: het liep aan de grond op een paar rotsblokken, die even voorbij Bonden-vuurtoren al jarenlang de scheepvaart in de weg liggen."Hoe het mogelijk is?" Kapitein en mede-eigenaar H. Bruins (36) uit Hardinxveld vertelde gisteravond: „De stuurman is een zeer bekwame zeeman, al heeft hij geen papieren, maar dispensatie. Hij heeft misschien geen rekening gehouden met zijwind en mogelijk is daardoor de „Hendrik B"-een kustvaardertje van 300 ton- naar de rotsblokken afgedreven". Noodsein. Om even over vijf gistermorgen zond de "Hendrik B" een eerste noodsein uit. Het werd opgevangen door het Zweedse kuststation „Harnösand'',waar onmiddellijk groot alarm werd geslagen, toen kapitein Bruins meldde, dat hij direct hulp nodig had, omdat zijn met hout geladen schip zinkende was. De rotsblokkend waarop het schipmaar even muurvast had gezeten, hadden de bodem van het schip veranderd in een harmonica met vele gaten, waardoor het zeewater de ruimen van de „Hendrik B" binnendrong. En toen het schip weer in open water kwam, verdween het heel langzaam, in de golven. Op het bevel van de kapitein "In de boot" begaven stuurman Lenting matroos motordrijver C. Saveur (18) uit Schoonhoven, matroos B. Brandt (16) uit Groot Ammers, lichtmatroos-kok J. van der Werf (16) uit Kampen en als laatste kapitein Bruins zich in de rubberboot-het avontuur tegemoet. Het duurde uren voordat vanuit een loodsboot iemand het kleine bootje zag, met daarin de schimmen van de vijf Nederlandse opvarenden en de verkleumde mannen aan boord van het Zweedse schip gehesen konden worden.
Hout. Maar bij het dag-worden bleek dat kapitein Bruins èn zijn mannen de situatie te ernstig hadden ingezien. De lading hout die in de Noordzweedse haven Burea was ingenomen voor Amsterdam, bleek de redding te zijn geweest voor het schip. Want hoewel alle ruimen- uitgezonderd de machinekamer- vol water stonden, weigerde de "Hendrik B" in de golven ten onder te gaan. Zelfs het gangboord van de „Hendrik B" lag onder het wateroppervlak, maar het schip bleef drijven.Dat gaf kapitein en stuurman nieuwe moed. Zij slaagden erin van de loodsboot op de „Hendrik B" over te springen en de motor weer op gang te brengen. Langzaam voer men toen naar de kleine Zweedse havenstad Norrbyskaer bij Jaernaes, waar het schip gistermiddag binnenvoer, geflankeerd door een armada van reddingschepen. Kapitein/medeeigenaar H. Bruins vertelde gisteravond in zijnwoning in Hardinxveld dat de houtlading de redding van zijn schip was. Om beurten. De kapiteins Bruins varen samen op de "Hendrik B", maar H.Bruins was deze reis in Nederland achtergebleven omdat zijn vrouw het leven had geschonken aan een baby. „De bedoeling was dat wij nu om beurten een reis met! de "Hendrik B" zouden gaan maken. Daarom was stuurman Lenting, die jaren als matroos bij ons heeft gevaren tot stuurman bevorderd. Want varen is leuk, maar je moet ook wat aan je leven hebben."
Het Vrije Volk 11-12-1962. Lekslaan Hendrik B gevolg navigatiefout. (Van onze Scandinavische correspondent) „Er is door de stuurman een navigatiefout gemaakt. Dat klinkt hard. Het spijt mij dat ik het zeggen moet," dat zei kapitein Gerrit Bruins uit Groot Ammers nadat hij en zijn bemanning van de kustvaarder Hendrik B veilig in het Zweedse plaatsje Norrbyskar gisteren aan wal waren gestapt. De kustvaarder raakte gistermorgen in de Botnische Golf zuidelijk van de Zweedse havenplaats Umea in nood. „Toen de stuurman 's morgens om half vijf de wacht had, raakten wij uit de koers,"-aldus de kapitein. „We liepen daardoor op een rif, kregen een lek en maakten snel veel slagzij. Als ik op de brug was geweest, dan was dit misschien niet gebeurd. Wellicht ben ik daardoor mede schuldig." De redding van de vijf opvarenden van de „Hendrik B" had een dramatisch verloop. „Wij waarschuwden via de noodgolf het kuststation Harnösand," vertelde de kapitein. „Daarna moesten wij ons schip verlaten. De reddingboot sloeg kapot tegen het schip. We moesten ons behelpen met een rubbervlot. Het: waaide niet zo hard meer, maar er stond nog steeds een hoge zee." Twee uur zwierven de vijf mannen met het rubbervlot op zee. „Ik zal die uren mijn leven lang niet vergeten," aldus de kapitein. „We dreven snel af en moesten vuurpijlen afschieten. Na die twee uur kwam een loodsboot ons te hulp. Dit schip pikte ons op en voer naar de „Hendrik B", die op zijn deklading hout was blijven drijven. We zijn niet meteen aan boord gegaan, maar hebben het daglicht afgewacht.
Met een loods ging de kapitein 's morgens weer aan boord van de „Hendrik B". De motor van het schip liep nog. De zee was bedaard. Het bergingsvaartuig „Neptun" was genaderd en. bood zijn hulp aan. De „Hendrik B" kon echter onder begeleiding van de „Neptun" op eigen kracht naar Norrbyskar varen. Hier zal het lek provisorisch worden gedicht.
NvhN 17-12-1962. Zeer zware bodemschade. Hendrik B op eigen kracht vertrokken. De Delfzijlster kustvaarder Hendrik B., die de vorige week maandag voor de Zweedse noordoostkust aan de grond liep en later zelf weer vlot kwam is op eigen kracht onderweg naar een haven waar zij in dok kan gaan. De bedoeling is of te Stockholm of te Gefle (Zweden) binnen te lopen. Het schip heeft zeer zware bodemschade.Zoals gemeld, was de Hendrik B met een lading hout onderweg van Finland naar Lulea. Toen het schip na de stranding bij de vuurtoren van Bonden weer vlot was gekomen liep het de haven van Jaerness binnen. Daar heeft het een gedeelte van de lading hout aan wal gezet. De Hendrik B heeft thans extra reddingsvlotten en extra pompen aan boord.

1969-12-00: In 12.1969 uit de zeevaart genomen. Op 20.07.1970 gaat ze naar de binnenvaart en wordt teboekgesteld als "CAROLINA" van Broer Panman, schipper te Groningen. Ze krijgt op 24-09-1970 als CAROLINA, zijnde een stalen motorschip, metende 359.821 m3 verplaatsing volgens binnenmeetbrief afgegeven te Groningen No. G 12436N d.d. 15-06-1970, liggende te Rotterdam, door C.P. de Jong, ambtenaar van de Scheepsmetingsdienst te Rotterdam, brandmerk 4340 B GRON 1970 ingebeiteld op het achterschip aan B.B. zijde in het achterschot van de luchtschacht M.K. op het verhoogd achterdek, 5.24 m. uit hekplaat. 0.40 m. uit lengteas 1.50 m. uit dek. (Opm.: De vermelde oude merken 1656 Z GRON 1934 zijn vernietigd.) Ze wordt dan omschreven als: motorschip, hebbende 1 dek, een voorpiektank, volkslogies en kettingbak, verder een laadruim, een machinekamer waarin een Bronsmotor van 150 Pk is geplaatst, motornummer 6288, welk nummer is aangebracht op de voorste cylinder boven de deksel, achterpiektank met verhoogd achterdek waarin verblijven met stuurhuis a/h dek.

1970-05-29: NvhN 29-05-1970. Hendrik B. verkocht. Het motorkustvaarluig Hendrik-B is door de Gebr. G. en H. Bruins te Kampen verkocht aan de heer B. Panman te Groningen, die 't schip onder de nieuwe naam Carolina in de vaart brengt. Het gaat niet meer in de kustvaart maar in de binnenvaart varen.
De Hendrik-B werd in 1934 gebouwd bij de NV Scheepswerf Gebr. Niestern te Delfzijl en behoort tot het gladdektype. Het schip — dat eerder heeft gevaren onder de naam Delta — heeft eendraagvermogen van circa 305 ton bij 234 bruto register ton en het is voorzien van een 150 pk Bronsmotor.

1977-00-00: In de zomer van 1977 voor de sloop naar België verkocht. Arriveerde in 08.1977 in Gent. Op 21.12.1977 wordt de teboekstelling in het Kadaster doorgehaald.

Ship Masters Data

Images


Description: De proefvaart en oplevering van de 'Delta' op 11 juli 1934
Image type: Photo

Description: Delta 1934
Image type: Photo

Description: Delta 1934 in 1950 gelicht na een aanvaring op de Thames.
Image type: Photo

Description: Hendrik- B 1934 ex Delta.
Image type: Photo

Description: Hendrik- B 1934 ex Delta in de Hollandsche IJssel ca. 1968.
Made By: © Goudriaan, J. (Koos)
Image type: Photo

Description: Carolina 1934 ex Hendrik-B ex Delta in 1972.
Made By: © Groot, H. de (Harry)
Image type: Photo

Description: Carolina 1934 ex Hendrik-B ex Delta in 1972.
Made By: © Groot, H. de (Harry)
Image type: Photo
Sources

General information regarding this ship

 

NvhN 270150
DELTA in de Theems gezonken Na aanvaring met kolenboot - Bemanning gered.
Vanochtend vroeg is het 240 ton metende motorschip DELTA van de rederij Davids uit Delfzijl, komende met een lading macadam van Newburgh, na een aanvaring met het Britse kolenschip COLONEL CROMPTON vlak bij de Tower Bridge in de Theems gezonken.
De aanvaring met de bijna 1.500 ton metende boot van de British Electricity Authority geschiedde om ongeveer vier uur. Het was donker en boven de rivier hing een zware mist, waardoor het zicht op het moment van de botsing slechts 10 à 15 meter bedroeg. Een wachtsman van een nabijgelegen motorschip verklaarde dat hij in het Nederlands hoorde roepen door enkele mensen. Ook hoorde hij fluiten. Hij zag het rode licht van de DELTA overhellen en onder water verdwijnen. Binnen vier minuten was de Groninger coaster gezonken. Politieboten en sleepboten — het is ter plaatse druk op de Theems; de Londense zakenwijk ligt slechts enkele honderden meters van de plek waar het ongeval geschiedde — ontstaken de zoeklichten. Gelukkig lag de loodsboot nog langszij van de DELTA, welke op weg was naar Wandsworth, dat boven Londen is gelegen. De uit zes koppen bestaande bemanning van de DELTA werd binnen 20 minuten na de aanvaring aan land gebracht. De aanvaring gebeurde in een bocht van de rivier. Er was juist een loods aan boord gekomen. De twee zoons van de loods, die de bemanning van het loodsbootje uitmaakten, hoorden de aanvaring gebeuren. Zij konden snel hulp bieden; overigens geen minuut te vroeg.
Volgens de loods is een lid der bemanning, Kraker, op het laatste ogenblik overboord gesprongen. Hij kon worden opgepikt. De rest van de bemanning en de loods konden in het loodsbootje overstappen. De Theems is voor deze Groninger coaster geen prettig vaarwater
Enkele jaren geleden namelijk kwam de DELTA te Vauxhall in botsing met een brug, waardoor een enorme dekschade werd aangericht, terwijl kapitein Oosting uit Stadskanaal, die ook nu het bevel voerde, bij die gelegenheid een oor verloor.
De Delta is in het  vaarwater gezonken. Men vermoedt, dat het schip kan worden gelicht. Er is een wrakboei gelegd op de plaats van de scheepsramp.