Name ship: ARBO

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1933
Classification Register: Germanischer Lloyd (GL)
IMO number:
Nat. Official Number: 71 Z APPING 1933
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: One mast
Rig: 2 derricks.
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: Gebr. van Diepen, Waterhuizen, Netherlands
Yardnumber: 805
Date Laid Down:
Launch Date: 1933-07-00
Delivery Date: 1933-09-04
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Netherlands
Engine Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 120
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 1666 Type C/D (280x350)
Speed in knots: 7.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 200.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 126.00 Net tonnage
Deadweight: 250.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 11125 Cubic Feet
Bale: 10600 Cubic Feet
 
Length 1: 35.00 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 33.54 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 6.24 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.34 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1933-08-04 ARBO
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: Jan de Boer Hzn, Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: NFQB
Additional info: In 1934 call sign:PCTA

Date/Name Ship 1943-03-20 ÖSEL
Manager: Marinevermessungs-Abteilung Gotenhafen, Gotenhafen, Germany
Owner: Marinevermessungs-Abteilung Gotenhafen, Gotenhafen, Germany
Shareholder:
Homeport / Flag: Gotenhafen / Germany
Callsign:
Additional info:

Date/Name Ship 1945-10-00 ARBO
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: Jan de Boer Hzn, Delfzijl, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PCTA
Additional info:

Date/Name Ship 1955-06-15 CONSTANT
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Netherlands
Owner: Wiepke van der Meulen & Eltjo Reint Engelsman, Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign:
Additional info:

Ship Events Data

1933-08-19: Op 19-08-1933 als ARBO, zijnde een motorvrachtschip, metende 565.80M3, hoofdzakelijk gebouwd van staal 1 laadruim, achterkajuit, volkslogies, motorkamer, 1 dek en 1 mast voorzien van een 3 cylinder, 4 tact ruwoliemotor, merk Brons van 120 PK, fabrieksnummer 1666 aangebracht op het eerste cylinder, liggende te Waterhuizen, door J.L. Kleijn, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Jan de Boer Hendrikszoon, schipper gedomicilieerd te Delfzijl,van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 71 Z APPING 1933 op het achterschip aan bakboorzijde in den achterkant van de bootstoel.

1933-09-05: NvhN 05-09-1933: Proefvaart m.s „Arbo”. Gisteren vond op de Eenis bij Delfzijl de goedgeslaagde proefvaart plaats van het nieuwe motorschip „Arbo", gebouwd onder klasse Germ. Lloyd en Scheepvaart Inspectie op de werf van de Gebr. van Diepen te Waterhuizen voor rekening van kapt. J. de Boer, Delfzijl . Het schip met afmetingen van: lengte 33.53 M., breedte 6.34 en holte 2.34 M. is groot bruto 565.8 M 3. en netto 357.1 M 3. Voor de voortstuwing is in de motorkamer een Brons-motor opgesteld met een vermogen van 120 epk. Verder is een Lister hulpmotor geplaatst voor de aandrijving van een compressor en een lenspomp. Op het mastdek is een motordeklier opgesteld voorzien van een Lister motor, deze kan tevens worden gebruikt bij het snel heffen ankers. Het schip dat ruim aan alle gestelde eischen voldeed behaalde een snelheid van ruim 7½ mijl. en werd met volle tevredenheid overgenomen. Het is beladen met carton met bestemming Goole.

1933-09-08: De Eemsbode 08.09.1933: Dinsdag j.l. vertrok van Delfzijl het nieuwgebouwde motorzeeschip 'ARBO', kapitein J. De Boer. De 'ARBO' is bij de firma van Diepen te Waterhuizen gebouwd en voorzien van een Bronsmotor. Het schip is 240 ton dw. en werd te Groningen met carton beladen voor Goole.

1933-10-26: Bijvoegsel tot de Nederlansche Staatscourant van Dinsdag 25 September 1934, no.184. Uitspraak voor de Raad van de Scheepvaart:
No.83 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het Nederlandsche motorschip Arbo met het Engelsche marinevaartuig PI. M. S. Bulldog in Sheerness harbour. Op 26 October 1933 is het Nederlandsche motorschip Arbo in de haven van Sheerness in aanvaring gekomen met het Engelsche marinevaartuig H. M. S. Bulldog. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze aanvaring zou instellen, welk onderzoek heeft plaats gehad ter zitting van 6 Augustus 1934 in tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie, waarbij de verklaring van den Engelschen loods van de Arbo, alsmede een uiteenzetting van de toedracht der aanvaring van de zijde van de Bulldog. Als getuige werd gehoord Jan de Boer, kapitein van de Arbo tijdens de aanvaring. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Arbo is een Nederlandsch motorschip, metende 199,73 bruto-, 126,06 netto-registerton, onderscheidingssein NFQB, eigendom van den kapitein Jan de Boer, te Delfzijl. Het schip heeft een Bronsmotor van 120 pk en was op na te noemen reis bemand met 4 personen. De Bulldog is een Engelsche destroyer met 1330 ton waterverplaatsing, lang 323 voet. Het schip heeft twee schroeven en wordt door een turbine voortbewogen. Op 26 October 1933 vertrok de Arbo, beladen met cement, van Gillingham, aan de rivier de Medway, met bestemming Falmouth en Truro, diepgang 8 voet. Onder loodsaanwijzing werd de Medway afgevaren. Het zicht was goed, er stond een harde noordwestelijke wind. Bij het naderen van Sheerness harbour zag men op de Arbo te 6.20 uur 's middags bij boei 17, dwars van Cockleshell Hard even aan bakboord een marinevaartuig, dat later bleek H. M. S. Bulldog te zijn. Het was stilwater voor hoogwater. Het was reeds vrijwel donker; op de Arbo brandden de navigatielichten helder. Op de Bulldog werden verschillende lichten gezien, doch geen navigatie- lichten. Men dacht, dat het vaartuig aan de boei gemeerd lag en wilde achter het schip langs gaan. Dichtbij den achtersteven van de Bulldog gekomen, ging deze eensklaps, zonder eenig sein te geven, achteruit. De Arbo gaf hard s.b.-roer, doch een aanvaring was niet meer te voorkomen. Niettegenstaande de Arbo nog volle kracht achteruitsloeg, raakte zij de Bulldog met b.b.-boeg aan b.b.-achterschip, ten gevolge waarvan de Arbo ernstig werd beschadigd. Er zijn geen seinen gewisseld. Tijdens de aanvaring sprong de kok van de Arbo op de Bulldog over. Deze is later met een boot van de Bulldog weer aan boord gebracht. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat uit de verklaring van den Engelschen loods van de Arbo niet valt op te maken, hoe de Arbo precies voer in de rivier; dat het echter hoogst waarschijnlijk is, dat de Arbo middenvaarwater hield in de richting van het achterschip van de Bulldog; dat er natuurlijk ruimte genoeg was voor de Arbo om achter de Bulldog langs te gaan, doch de toestand in eens anders werd, toen de Bulldog , zonder eenig sein te geven, plotseling achteruitging; dat deze beweging door de Arbo, die van de Bulldog niets anders dan witte lichten, doch geen navigatielichten zag, niet kon worden verwacht; dat de Arbo, toen zij de achterwaartsche beweging van de Bulldog ontwaarde, s.b.-roer gaf en vervolgens achteruit; dat het de plicht van de Arbo was geweest deze manoeuvres respectievelijk door één en door drie korte stooten aan te kondigen, doch het zeer begrijpelijk is, dat zij dit heeft vergeten en hier van invloed op de aanvaring geen sprake is; dat het echter een groote fout van de Bulldog is geweest om geen drie stooten te geven, toen zij achteruitging en er dan ook niets ware gebeurd, wanneer de Bulldog dit gedaan had, daar immers dan de loods van de Arbo tijdig de noodige maatregelen had kunnen nemen; dat de schuld van de aanvaring alleen aan de zijde van de Bulldog is gelegen. De Raad is van oordeel, dat uit het onderzoek niet van eenige schuld aan de zijde van de Arbo is gebleken. Wel heeft zij verzuimd haar manoeuvres — s.b.-roer en vervolgens achteruit — door reglementaire seinen aan te kondigen, doch dit verzuim is niet van invloed op de aanvaring geweest. De Raad acht zich niet gerechtigd een oordeel uit te spreken over de vraag, of deze aanvaring aan eenige fout van H. M. S. Bulldog is te wijten. Wel echter wil de Raad een oordeel geven omtrent de door de Arbo gevolgde navigatie. En dan is het duidelijk, dat dit schip, zich gesteld ziende voor de vraag, hoe het langs het Engelsche oorlogsschip moest komen, den juisten weg heeft gekozen door achter de Bulldog om te gaan, waardoor zij immers haar goeden wal bleef houden of, indien zij dezen te voren niet hield, dien wal opzocht. Het doet daarom niet ter zake, dat de Arbo ook vóór het oorlogsschip langs had kunnen gaan. Zij'behoefde dit niet te doen en het was voor haar niet de normale weg. Dit alles zou geheel anders zijn geweest, wanneer het oorlogsschip tijdig zijn voornemen had te kennen gegeven om achteruit te slaan. Volgens de verklaring van kapitein en loods van de Arbo is dit echter niet geschied, terwijl uit de gegevens van de zijde van het oorlogsschip, welke den Eaad ten dienste staan, evenmin van eenig sein wordt gerept. Daarbij komt nog, dat de Bulldog de Arbo zag aankomen. Dan is het echter onbegrijpelijk, dat de Bulldog met achteruitslaan niet heeft gewacht tot de Arbo zoude zijn gepasseerd. Hierin komt geen verandering, indien de Arbo niet middenvaarwater of haar s.b.-vaarwater, doch haar b.b.-vaarwater had gehouden. Dan nog immers zou het toch geheel rationeel zijn geweest, wanneer de Arbo niet voor de Bulldog over, maar achter dit schip om zou gaan. De kapitein van de Arbo verklaarde van de Bulldog alleen witte lichten te hebben gezien. Echter, ook al zou bij goeden uitkijk het roode licht van de Bulldog gezien moeten zijn, dan nog zou dit aan de navigatie van de Arbo niets hebben behoeven te veranderen. Immers, ook indien de Arbo moest weten — wat van haar zijde ten stelligste is ontkend —, dat zij met een varend schip te doen had, dan nog behoefde de Arbo geenszins te rekenen op een achteruitgaande beweging van de Bulldog. Uit al het voorafgaande vloeit, naar 's Raads oordeel, voort, dat uit het gehouden onderzoek van schuld van de Arbo aan deze aanvaring niet is gebleken. Aldus gedaan door de lieeren prof. mr. B. M. Taverne, plaatsvervangend voorzitter, C. J. Canters, G. j. Lap en B. C. van Walraven, leden, B. Kramer, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Baads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden plaatsvervangend voorzitter ter openbare zitting van den Baad van 14 September 1934. (get.) B. M. Taverne, C. J. Canters G. J. Lap, van Walraven, B. Kramer, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1935-02-25: NvhN 26-02-1935: Delfzijl, 25 Februari. Tengevolge van slecht weer worden de motorschepen “Fiat”, “Arbo”, “Spes”, “Geesziena”, “Volharding”, en “Oostzee II”, resp. bestemd voor Londen, Londen, Dusseldorf, Kloding, Eckenforde en Nieuw Schans, alhier opgehouden.

1937-01-22: Eemsbode 22.01.1937: M.S. ”ARBO “ ramt spoorbrug over het Eemskanaal. Brug ernstig beschadigd, scheepvaartverkeer gesloten. Hedenmorgen plm. een uur vertrok van Delfzijl naar Groningen het motorschip “ARBO“ kapitein J. de Boer om aardappelmeel te laden voor London. De kapitein dacht dat de spoorbrugover het Eemskanaal gelegen achter brug 15 geopend was, doch op enkele meters afstand gekomen bleek dat niet het geval te zijn en voer de “ARBO“ met veel vaart tegen de ijzeren brug, welke ernstig werd beschadigd. De “ARBO“ zelf kreeg geen averij. Bovenal omdat de zware voorsteven toch ongeveer vijf 5 c.m in de brug gedrukt werd. Een gelukkige omstandigheid was dat de boot tegen de brug aanvoer en er niet onder door kan, daar anders persoonlijke ongelukken stellig niet uitgebleven waren. De brug was zoodanig ontzet n.l. 13,5 cm dat het scheepvaart verkeer voor grotere schepen gesloten moet worden. Wat het treinverkeer betreft, dat vond gewoon doelmatig doorgang door de reizigers bij de spoorbrug te laten overstappen. Wanneer echter straks de brug voor reparatie geopend moet worden, zal hierin op andere wijze moeten worden voorzien. Omtrent de oorzaak van deze aanvaring vernemen wij nog dat het roode licht van de spoorbrug bij het passaren van de brug 15 zichbaar is. De spoorbrug is echter alluminium geschilderd en wekte op den vroegen morgen de indruk open te staan, waardoor de kapitein is doorgevaren. Het groot-scheepvaartverkeer dat den geheelen dag gesloten was, zal waarschijnlijk morgen of zondag weer geopend worden.
NvhN 23-01-1937: Delfzijl, 23 Januari. Het motorschip “Arbo” dat gisteren in aanvaring kwam met de spoorbrug te Delfzijl, was ledigscheeps op weg naar Groningen en niet zooals gemeld. Het schip zou in Groningen aardappelmeel laden bestemd voor Londen.
De Telegraaf 24-01-1937: Brug aangevaren. (Van onzen correspondent). Delfzijl, 23 Jan. — Gistermorgen kwam het alhier thuisbehoorende motorschip Arbo. kapt. De Boer. welk schip ledig op weg was van hier naar Groningen, in aanvaring met de spoorbrug, die alhier over het Eemskanaal ligt en die op dit moment gesloten was. De brug werd hierdoor geheel verbogen, zoodat deze niet meer geopend kon worden. Ook het treinverkeer van de lijn Groningen—Slochteren— Delfzijl werd hierdoor ernstig gestagneerd.

1937-02-05: Eemsbode 05.02.1937: M.S. “ARBO“ heeft opnieuw pech. Door de m.s. “PIROLA“ geramd en beschadigd. Gistermorgen kwam het motorschip “PIROLA“ kapitein P. van Streun beladen met briketten op weg van de Rijn naar Norderney, op het Eemskanaal te Delfzijl in aanvaringmet het gemeerd liggende motorschip “ARBO“ kapitein J. de Boer dat beladen met meel uit Groningen zou vertrekken. De roerganger van de “PIROLA“ maakte een verkeerde vertrek en ramde de “ARBO“ waardoor de “ARBO" een scheur boven de waterlijn kreeg. De schade wordt thans te Delfzijl hersteld.
NvhN 05-02-1937: Delfzijl, 4 Febr. Het motorschip “Arbo”, kapt. De Boer, dat geladen in het Eemskanaal alhier lag afgemeerd, werd aangevaren door het motorschip “Pirola” kapt. Van Streun. Tengevolge hiervan ontstond er in het achterschip van de “Arbo” een gat, boven de waterlijn.
NvhN 08-02-1937: Delfzijl, 6 Febr. Het motorschip Arbo, kapt. de Boer, welk schip alhier in het Eemskanaal werd aangevaren en daardoor een gat boven de waterlijn bekwam, heeft deze schade alhier hersteld en vertrok heden van hier naar Londen beladen met aardappelmeel.

1937-09-02: De Maasbode 02-09-1937: Nederlandsche schip met gevaarlijke lading. De Fransche bladen melden, dat sedert drie dagen in de Sainte Adresse baai nabij Havre geankerd ligt het Nederlandsch motorschip Arbo (uit Delfzijl). Het voert een roode vlag, hetgeen wijst op een ontvlambare lading. Het schip mocht de haven van Honfleur niet binnenloopen. Volgensberichten zou de kapitein op instructies van de reederij wachten.
NvhN 06-09-1937: De “Arbo”had ontvlambare lading aan boord. Enkele dagen geleden meldden de Fransche bladen, dat in de Saint-Adresse-baai bij Le Havre het Delfzijlster schip Arbo, kapitein J de Boer, met ontvlambare lading voor anker lag. Het schip zou de haven van Honfleur niet mogen binnenloopen. Van het bevrachtingskantoor van de Arbo vernemen we, dat het hier een vloeibare in flesschen verpakte lading betreft, die in geval van brand gevaarlijk zou kunnen worden voor omliggende schepen. Daarom moest het schip, evenals tankschepen met benzine of olie geladen, buiten de haven blijven liggen. De lading wordt vandaag te Rouaan overgeladen in een lijnboot.

1938-03-10: De Maasbode 10-03-1938: m.s. Arbo. Londen, 10 Maart. Het Nederlandsche motorschip ,,Arbo", van hier naar Harlingen bestemd, is bij Gravesend voor anker gegaan met schade aan bakboordsboeg, terwijl het ook een weinig water maakt. Een en ander is veroorzaakt door aanvaring met een sloep van de douane.

1942-10-01: Gevorderd en in Duitse dienst als Hilfspeilboot, hernoemd "Ösel".

1947-09-03: Bijvoegsel tot de Nederlandse Staatscourant van Donderdag 3 Juni 1948, no.106. Uitspraak voor de Raad van de Scheepvaart: No.97 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake het stoten op een wrak door het motorschip „Arbo" in de nabijheid van Aalborg.
Op 3 September 1947 heeft het motorschip „Arbo", toen het op weg was van Abenrade naar Aalborg, in de nabijheid van eerstgenoemde haven gestoten op een wrak. Het is direct daarop vlot gekomen, maakte een weinig water, doch kon de reis vervolgen. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van dit stoten. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 1 April 1948 in tegenwoordigheid van de inspecteur voor de scheepvaart Th. Eerman. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein G. de Boer, de stuurman A. Koster en roerganger J. Bulten, en hoorde als getuigen onder ede G. de Boer, kapitein, en de lichtmatroos J. Bulten. De Deense zeekaart 104, die aan boord aanwezig was, lag ter tafel. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip „Arbo" is een Nederlands schip, toebehorende aan J.de Boer, te Delfzijl, en metende 199,7 bruto-registerton. Op 3 September 1947 voer de „Arbo", op reis van Abenrade naar Aalborg, in het Kattegat. De bemanning bestond uit 5 personen. De diepgang was 1,80 m. Te 8 uur nam de stuurman de wacht over van de kapitein, getuige G. de Boer. De stuurman kreeg order om, in geval een vissersvaartuig zou worden ontmoet, dit te praaien en te trachten vis te kopen. Het was goed weer, lichte zuidoostentenwind. Tegen 11.30 uur, in de nabijheid van boei 38 I, zag de stuurman een vissersvaartuig, dat zich beoosten de wrakton bevond, en te 11.30 uur minderde hij vaart en begon te manoeuvreren om langzij te kornen. Hij heeft blijkbaar gedurende de tijd, dat het vissersvaaruig zijn net inhaalde, daar 2 keer omheen gevaren en wilde dan dit schip aan bakboord langs zij brengen. Toen hij achteruit wilde slaan, sloeg de motor af; het schip lag toen vrijwel stil in zuidoostelijke koers. De kapitein, die aan dek was gekomen, toen hij bemerkte, dat de „Arbo" vaart minderde, begaf zich direct in de motorkamer om de motor weer op gang te brengen Hij had nooit moeilijkheden met de motor gehad. De stuurman besloot eveneens naar beneden te gaan om de kapitein te helpen Hij achtte het niet nodig, de matroos-motordijver, die de vrije wacht had, te laten roepen, daar hij vertrouwde, dat hij met de kapitein spoedig de motor zou kunnen aanzetten. De „Arbo bevond zich toen ongeveer een halve mijl van een wrak, dat ligt even beoosten de routelijn naar de Limfjord. Dit wrak wordt gedekt door een wrakton en een groene prik met groene vlag. De stuurman nam aan, dat het wrak ligt tussen de ton en de prik. De prik met vlag uidt echter aan, dat de boei bewesten of bezuiden het wrak ligt. Daar er geen stroom liep en het kalm water was, achtte de stuurman geen gévaar aanwezig om op het wraK te drijven en daarom liet hij niet het anker vallen. Hij gaf echter aan de roerganger, de lichtmatroos J. Bulten, order om goed uit te kijken en te waarschuwen ingeval de „Arbo" te dicht bij het wrak zou komen — volgens Bulten niet dichter dan een halv mijl van de boei — en om zo nodig te ankeren. Toen de stuurman in de motorkamer kwam, heeft hij met de kapitein niet over de navigatie gesproken en laatst-genoemde wist dus niet, dat de „Arbo" dicht bij een wrak drijvende was. De stuurman is nog een keer aan dek geweest om te kijken of niets in de weg was en achtte de toestand nog veilig, hoewel het schip door de wind in de richting van het wrak was gedreven. Op het moment, dat de motor werd aangezet, werd een ongewone beweging in het schip gevoeld. Toen de kapitein daarover een opmerking maakte, zei de stuurman, dat hij veronderstelde, da men het anker had laten vallen. Toen eerst vernam de kapitein dat de „Arbo" zich in de nabijheid van een wrak bevond. Direct hierop kwam lichtmatroos, getuige Bulten, waarschuwen, dat het schip stootte op het wrak. Kapitein en stuurman begaven zich terstond naar de brug. Daar de schroef vrij was, slaagde kapitein er in het schip door achteruit te draaien vrij van het wrak te krijgen. Het schip bleek enig water te maken, maar het gat kon worden gedicht, waarna de reis werd vervolgd. Te 16.15 uur kwam de „Arbo" te Aalborg, waar de schade voorlopig werd hersteld. Toen het schip vastzat, was de koers Z.W. en werd de boei vooruit gezien op een afstand, die op 500 m werd geschat. De inspecteur voor de scheepvaart voert aan, dat het ongeval is te wijten aan onvoldoende zorg en verantwoordelijkheidsgevoel van de stuurman A. Koster. Hij wist, toen de motor stopte, dat de „Arbo" zich bij een wrak bevond, en had dit de kapitein moeten melden en zelf op de brug blijven, te meer daar het schip uit de routelijn naar een visschersvaartuig was gedraaid. Nu werd de wacht overgegeven aan een lichtmatroos met onvoldoende nautische kennis; de motordrijver liet men slapen, terwijl de kapitein en de stuurman in de motorkamer bezig waren. Dit had niet mogen plaats vinden. 's Raads oordeel luidt als volgt: Vast is komen te staan, dat het motorschip „Arbo" in het Kattegat op weg naar Aalborg op een onder water liggend wrak is gelopen, dat aan de zijde van het op de kaart aangegeven vaarwater ruim gedekt was door een wrakboei. Een prik met groene vlag gaf aan, dat de boei bewesten of bezuiden het wrak lag. De stuurman die de wacht had, wilde een vissers-vaartuig praaien om vis te kopen, en heeft daartoe vaart geminderd en is over stuurboord rond ge-draaid om langszij te komen. De „Arbo" was toen blijkbaar nog ver genoeg van de aan de stuurman bekende wrakboei, maar de motor sloeg plotseling af, waardoor het schip door de zuidoosten wind is afgedreven naar het wrak. Dat is mogelijk geworden doordat de stuurman zich voegde bij de kapitein, die geen dienst had en op het afslaan van de motor in de machinekamer was gegaan. De stuurman liet een lichtmatroos op de brug achter, met order de wrakboei niet te dicht te naderen en anders het anker te laten vallen. Hoewel de stuurman nog eenmaal boven kwam om de situatie van het schip in ogenschouw te nemen, voordat de motor startklaar was, en hij zich dus van enig gevaar bewust was, heeft hij aan de navigatie niet voldoende zorg besteed. Indien hij de kapitein bij het op gang brengen van de motor wilde helpen, had hij moeten rekenen met afdrijven van het schip bij stilstaande motor en ten anker moeten gaan of ten minste de kapitein terstond moeten mededelen, dat men een wrak naderde. Ook was de order aan de jonge lichtmatroos op de brug niet juist, omdat deze niet wist aan welke zijde van de wrakboei het wrak konliggen en geen ervaring had van het schatten van afstanden; het was dan ook beter geweest, indien de stuurman op de brug was gebleven of dadelijk daarheen was teruggekeerd. De Raad neemt aan, dat de kapitein zich niet met de navigatie heeft ingelaten, omdat hij volledig vertrouwen stelde in de stuurman, die de wacht had. Aldus gedaan door de heren prof. mr. J. Offerhaus, voorzitter, C.H. Brouwer en K. E. Dik, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad. J. Offerhaus; A. Boosman.

1952-01-28: De Heerenveensche koerier 28-01-1952: Coaster aan de grond op het Tjeukemeer. Delfstrahuizen. De coaster „Arbo", geladen mét hout van Denemarken naar Lemmer, geraakte op het Tjeukemeer aan de grond. Een deel der lading, n.l. 68 ton hout, werd in een ander schip overgeladen, waarna de „Arbo" zijn reis kon voortzetten.

1952-12-19: NvhN 19-12-1952: Coaster liep aan de grond. Het met zout geladen m.s. Arbo uit Delfzijl, dat op weg was naar Kopenhagen, is op de Steenplaat bij Kornwerderzand aan de grond geraakt. De sleepboot Alcyon van de rederij Kooyman te Harlingen slaagde er in de Arbo vlot te slepen. Het schip heeft, na een onderzoek op de scheepswerf Welgelegen, de reis vervolgd.

1955-10-19: Final Fate: Onderweg van Emmeloord via Harlingen naar Norrköping met een lading haver tijdens zwaar weer bij boei JE 7 t.h.v. Juist lekgeraakt en gezonken. De kapitein en zijn 3 jaar oude dochtertje kwamen hierbij om. Zijn echtgenote en de overige bemanningsleden werden gered door het Duitse s.s. 'Dusseldorf' (1953/6973) en in Brunsbuttelkoog aan land gezet.
Leeuwarder Courant 19-10-1955: Gisteren uit Harlingen: Coaster vergaan bij Borkum. Kapitein en kind vermist. In de vaarroute op de Noordzee benoorden de Nederlandse en Duitse Waddeneilanden, tussen de boeien JE 5 en 6 op ongeveer vijftien mijl benoorden Borkum, is vanmorgen om zes uur de Nederlandse „Constant", een twee en twintig jaar oude coaster van 225 ton uit Delfzijl, plotseling gezonken. Van de zes opvarenden zijn drie mannen en een vrouw gered; de kapitein, de heer W. van der Meulen en zijn driejarig dochtertje worden nog vermist. De geredden zijn mevrouw v. d. Meulen, J. Bakker (22), bootsman, uit Groningen, G. Kroon (19), matroos, uit Maarssen en V. A. Hoogland (18), lichtmatroos, uit Hilversum. De „Constant" was vorige week met een lading haver uit de Noordoostpolder in Harlingen aangekomen en is daar — vermoedelijk in verband met de mist en het stormachtige weer — tot gisteren blijven liggen. Gistermorgen om elf uur is het schip uit de Harlinger haven vertrokken op weg naar zijn bestemming, de Zweedse stad Norrköping. Waarschijnlijk is vannacht de lading haver begonnen te werken, waardoor de kustvaarder ernstig slagzij begon te maken en tenslotte is gekapseisd. De drie mannen en de vrouw werden door het Duitse stoomschip „Düsseldorf" opgepikt, toen zij op zee in een reddingbootje ronddreven. De Borkumer reddingboot „Hans Hartmann", de „Norderney" van Norderney en de „Insulinde" van Oostmahorn zochten geruime tijd naar de vermisten, kapitein Van der Meulen en zijn kind, hoewel men weinig hoop had hen nog te kunnen redden.
De Telegraaf 20-10-1955: Schepen zoeken. Op de plaats, waar de "Constant" is gezonken, zijn een reddingboot en zes schepen aan het zoeken naar de kapitein en het kind. In Groningen denkt men dat de ramp van de "Constant" te wijten is aan het plotseling verschuiven van de lading. De „Constant" is in 1933 in Waterhuizen van stapel gelopen. De reddingsboot „Insulinde" onder commando van schipper Klaas Toxopeus was toevallig gistermorgen om acht uur al uit Oostmahorn vertrokken maar niet naar de „Constant", omdat het bericht over deze kustvaarder later binnenkwam. De „Insulinde" kreeg buitengaats opdracht naar de plaats te gaan waar de „Constant" was vergaan. Door de ruwe zee moest 't zoeken gisteravond worden opgegeven.
NvhN 21-10-1955: Relaas van geredde stuurman. Het vergaan van de Constant. Schip ging plotseling „op de kop” staan. De stuurman van de in de Duitse Bocht zo plotseling gezonken coaster Constant, de 22-jarige J. Bakker, is, nadat hij gisteren de gehele dag in Delfzijl is verhoord door verzekeringsexperts en politie, vanmorgen in alle vroegte naar België vertrokken, waar zijn ouders op een schip varen. Aan familieleden in Groningen heeft hij verteld, dat de Constant, die zoals men weet uit Harlingen was vertrokken met een lading graan, op weg naar Norrköping in Zweden, Woensdagmorgen om zes uur plotseling „op de kop" ging staan. Ramp geschiedde in volslagen duisternis. Het was nog volslagen donker en er waren zeer hoge koppige zeëen. De oorzaak van het plotseling zinken is hem een volkomen raadsel. Eerst had de stuurman de indruk, dat het schip zich als het ware in de golven boorde, hetgeen wel meer gebeurde bij zware zeëen, maar de kop van het schip bleef hellen en de stuurman snelde naar beneden om te zien of het schip water maakte. Dat bleek niet het geval. Nauwelijks was hij evenwel weer boven, of een van de andere opvarenden, die vooronder sliep, kwam naar boven gerend. De kustvaarder maakte toen sterk water. In allerijl werd alarm gemaakt. De kop van het schip dook dieper en dieper. Er volgde een schok, vermoedelijk doordat de voorsteven de bodem raakte, en het schip begon snel te zinken. De reddingboot van het schip was door de sterk hellende stand niet los te krijgen maar sloeg door de schok los. Alle opvarenden sprongen overboord. De kapitein sprong het laatst met zijn 3-jarig dochtertje. De vier overlevenden wisten de reddingboot te bereiken en konden het zeil, dat over de boot gespannen was, er af halen. Het koude water en de angstige spanning deden zich gelden. Het was volslagen donker om hen heen. In de verte hebben ze nog even de kapitein horen roepen, maar ze zagen hem niet en konden hem niet bereiken. Ook zou er, zo had de stuurman verteld, nog een schip gepasseerd zijn, toen zij uitgeput in de reddingboot zaten, zonder hen echter te zien.
NvhN 19-10-1955: Scheepsramp bij Duitse Waddeneilanden. Delfzijlster coaster Constant vergaan. Kapitein W.v.d. Meulen en 3-jarig dochtertje vermist.
Door tot nu toe onopgehelderde oorzaak — wel was het naar gemeld werd slecht weer — is hedenmorgen vroeg het te Delfzijl thuisbehorende motorkustvaartuig Constant tussen Norderney en Juist in moeilijkheden geraakt en gezonken. De Constant (de ex Arbo) is een coaster van 250 ton, die in 1933 op de werf van de Gebroeders Van Diepen te Waterhuizen werd gebouwd. Het schip was met een lading haver op weg van Emmeloord naar Norrköping (Zweden). Gistermorgen vertrok het uit Harlingen. Ongeveer bij de boei J. E 7 is de Constant op tot nu toe onverklaarbare wijze in moeilijkheden geraakt. Het bleek noodzakelijk, dat de opvarenden het schip verlieten. De Constant zonk zo snel, dat men niet meer in de gelegenheid was om de sloepen te strijken. Alle opvarenden geraakten te water. Toen later een der sloepen vrij kwam, slaagde de echtgenote van de kapitein-eigenaar W. van der Meulen uit Delfzijl, er in om in deze boot te klimmen, evenals de bestman Joh. Bakker, Lissabonstraat 52 te Groningen, de matroos Gerrit Kroon uit Maarssen (Utrecht) en de lichtmatroos Willem Adolf Hoogland uit Hilversum. Zij werden later alle vier aan boord van het Duitse s.s. Dusseldorf — een schip van de Hamburg—Amerika-lijn — genomen. De 33-jarige kapitein-eigenaar van de Constant, de heer W. v. d. Meulen, uit Delfzijl, en zijn driejarig dochtertje slaagden er niet in om de sloep te bereiken.Hoewel verschillende Duitse reddingboten — o.a. uit Norderney, Juist en Borkum — en later op de morgen ook de Insulinde uit Oostmahorn, die zich reeds buitengaats bevond, naar de plaats van de ramp zijn vertrokken, bestaat er weinig kans dat zij er in zullen slagen om de heer Van der Meulen en zijn kind nog tijdig te bereiken. Er moet daarom helaas ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid, dat deze scheepsramp twee mensenlevens heeft geëist. Momenteel zijn er niet minder dan zes schepen bezig met het nasporingswerk, doch, zoals gezegd, de kans dat de hulp nog tijdig komt, is zeer gering. De geredde opvarenden zullen door de Dusseldorf naar Brunsbuttel worden gebracht en vandaar per auto naar ons land reizen.
Het Vrije Volk 19-10-1955: Coaster zinkt - twee opvarenden vermist. Vanmorgen om zeven uur is de 225 ton metende kustvaarder „Constant" van de firma Wagenborg in Delfzijl ter hoogte van het Duitse eiland Juist plotseling gezonken. Het Duitse stoomschip Düsseldorf van de Hamburg-Amerika-Lijn heeft vier opvarenden, te weten de bemanningsleden Bakker, Kroon en Hoogland en de vrouw van kapitein W. van der Meulen aan boord genomen De kapitein zelf en diens driejarig dochtertje worden vermist.
De „Constant", de vroegere kustvaarder „Arbo", was met een lading haver op weg van Kampen naar Norköping. Op de „Düsseldorf" heeft een van de opvarenden van de „Constant", de bestman Bakker, zijn kantoor telefonisch verteld, dat het schip dichtbij het eiland Juist plotseling de kop diep in het water had gestoken en zich niet weer had opgericht. In een oogwenk was de „Constant" gezonken. Allen te water; „Wij raakten allemaal in het water," zo vertelde de bestman. „Gelukkig slaagden we er met zijn vieren in om ons vast te klampen aan een losgeslagen sloep." Deze vier waren Bakker, Hoogkamp, Kroon en de vrouw van de kapitein. Zij werden al spoedig opgepikt door de „Düsseldorf". Op het ogenblik zoeken zes boten naar de vermiste kapitein en zijn dochtertje. De „Düsseldorf.' stoomt op naar Brunsbuttel en kan daar vanavond om ongeveer tien uur aankomen. De geredden zullen zo spoedig mogelijk naar Delfzijl worden overgebracht. „Voor de beide vermisten vrezen wij thans het ergste," deelde ons vanmiddag de rederij mee.
Algemeen Handelsblad 19-10-1955: Groninger Coaster Constant bij Borkum gezonken. Twee personen vermist.(Van onze correspondent) Groningen, 19 Oct. De 250 ton dw (199 brt) metende coaster Constant van de heren W. van der Meulen en E. R. Engelsman te Delfzijl, is vanmorgen omstreeks zes uur door tot dusver onbekende oorzaak gezonken benoorden het Duitse waddeneiland. Juist, tussen route boei 5 en 6 op plus minus 15 mijl afstand van Borkum. De ramp moet plotseling zijn geschied; alle opvarenden zijn in zee terechtgekomen. Drie leden van de bemanning en de vrouw van de kapitein zagen daarna kans zich te bergen in de enige reddingbout van het schip. De 36-jarige kapitein-eigenaar W. van der Meulen en zijn dochtertje Nellie, drie jaar, worden vermist. De reddingboot met de vier overlevenden is korte tijd later opgepikt door het Duitse s.s. Dusseldorf. De kapitein van dit schip maakte vervolgens van het zinken van de Constant het eerst melding via Radio Nordeich. De geredden zijn, behalve mevr. Van der Meulen uit Delfzijl, de bemannings-leden, Bakker uit Groningen, Kroon uit Maarssen (Utr.) en W. A. Hoogland uit Hilversum. Waarschijnlijk zullen zij in Brunsbuttelkoog, waarheen de Dusseldorf op weg is, aan wal gaan. Inmiddels is de Duitse reddingboot Hans Hartman van Borkum uitgevaren om naar de vermiste kapitein en zijn dochtertje te zoeken. De Constant was met haver op weg van Emmeloord (N.O.P.) naar Norköping (Zweden) en had gisteren de haven van Harlingen verlaten. Het verloren gegane schip droeg tot voor enkele maanden nog de naam Arbo en was toen eigendom van de heer J. de Boer te Delfzijl. De coaster werd in Juni jl. verkocht aan de heren Van der Meulen en Engelsman. Het schip is in 1933 gebouwd bij de scheepswerf Gebr. Van Diepen te Waterhuizen bij Groningen en is van het gladdektype. De Constant is verzekerd bij de Onderlinge Verzekeringsmaatschappij Oranje te Groningen. Naar wij nog vernemen heeft de Dusseldorf ruim drie uren de plek van het ongeluk afgezocht evenwel zonder resultaat. Aangenomen wordt dat de twee vermisten zijn verdronken.

1955-10-20: NvhNn 20-10-1955 (bekort): Hulp kwam te laat. De ramp met de Constant. Zoeken naar kapitein Van der Meulen en dochtertje gestaakt. De doorgestane ellende was de geredden van het gezicht te lezen. Het gevoel van vreugde om het behoud van hun leven is overschaduwd door het verschrikkelijke dat zich voor hun ogen heeft afgespeeld. Zij zagen kapitein W. v. d. Meulen met zijn driejarig dochtertje Nellie in zijn armen geklemd, op een meter of zeven van de sloep van de Constant in de diepte verdwijnen. En dat beeld vergeten zij nooit meer. Geen wonder, dat de vrouw van de kapitein haast geen woord kon uitbrengen, toen zij te Brunsbuttelkoog het stoomschip Düsseldorf verliet. De geredden waren volkomen verstijfd van de koude, toen zij door opvarenden van de Düsseldorf aan boord werden genomen. De 22-jarige matroos Herbert Reitz sprong gekleed van de Düsseldorf in zee om mevrouw Van der Meulen aan dek te kunnen helpen. De kok Günther Eckhardt bracht de andere geredden van de Constant via een jakobsladder aan boord van de Düsseldorf. Daar werden zij van droge kleren voorzien. Vanmorgen om 6 uur arriveerden de overlevenden van de ramp met het kustvaartuig Constant in Delfzijl. Nadat het Duitse stoomschip Düsseldorf hen gisteravond te Brunsbuttelkoog aan land had gezet, waren mevrouw Van der Meulen, Johannes Bakker uit Groningen, Gerrit Kroon uit Maarssen en W. A. Hoogland uit Hilversum per auto via Hamburg, waar pasformaliteiten moesten worden vervuld, naar ons land gebracht.
Leeuwarder courant 20-10-1955: Na ondergang coaster „Constant". Kapiteinsvrouw zag haar man met 't dochtertje verdrinken.
Sprakeloos van ontzetting en verdriet ging gisteravond de 30-jarige Willempje van der Meulen, vrouw van de op zee gebleven kapitein Wiepke van der Meulen (35) van de gezonken coaster „Constant", in Brunsbiittelkoog aan land. Voor haar ogen heeft zij haar man en kind zien verdrinken. Toen zij het Hamburgse schip „Düsseldorf" verliet, dat haar en de drie geredde beman- ningsleden in Brünsbuttelkoog afzette, droeg zij een geleend blauw hemd en een blauwe matrozen- broek. In haar ogen weerspiegelde zich de nog onoverzichtelijke ellende van de eerste uren van die dag toen zij haar man op zeven meter afstand van de sloep waarin zij zat, zag wegzinken terwijl hij hun drie-jarige dochtertje Nelly in zijn armen klemde. Kapitein waarschuwde; De kapitein stond op de brug toen de „Constant", het schip, dat hij pas kort in zijn bezit had en dat vroeger voer onder de naam „Arbo", plotseling een zwenking maakte en begon te zinken. Kapitein Van der Meulen zag nog kans zijn vrouw en de anderen te waarschuwen terwijl de coaster elk ogenblik dieper ging liggen. In twee minuten was de „Constant onder de oppervlakte verdwenen. Matroos Kroon maakte, reeds in het water liggend, de reddingboot los. Het ding verdween eerst in de diepte maar dook op. Hij stond toen half vol water doch bleef drijven. Mevrouw van der Meulen, Bakker, Kroon en Hoogland zwommen naar de sloep toe, die evenwel bedekt was door een pressenning. De mannen hielpen de vrouw in de sloep en moesten er zelf buiten blijven hangen. Op dat ogenblilg zagen zij dat de kapitein, die Nelly in zijn armen hield, onder water verdween en niet meer boven kwam. Hij droeg geen zwemvest. Van twintig minuten over vijf tot vijf over zeven zwalkte de sloep, met de vrouw er in en de mannen buiten boord slepend, rond. Toen pikte de „Düsseldorf" de schipbreukelingen op. Terwijl zij gisteravond wachtten in een hotel van Brunsbüttelkoog vertelden de mannen hun verhaal. Zij waren sterk onder de indruk. Met een auto van het Nederlandse consulaat te Hamburg zijn de geredden naar Nederland teruggebracht.
De waarheid 20-10-1955: „Constant" zonk bij mijnenveld. Hamburg, 20 Oct. — De overlevenden van de tragische scheepsramp van de coaster „Constant" zijn door het Hamburgse vrachtschip „Düsseldorf" in Brunsbüttelkoog aan land gezet. Onder hen bevindt zich ook de 30-jarige vrouw van de kapitein, mevr. W. v. d. Meulen, die haar man en driejarig dochtertje Nelly, verloor. De oorzaak van de ondergang van de „Constant" is nog steeds onbekend. Men weet nu, dat het schip tussen Norderney en Borkum in de nabijheid van een mijnenveld, dat nog niet volledig is opgeruimd, in de diepte ie verdwenen. Daar men echter geen explosie heeft waargenomen, acht men het niet waarschijnlijk, dat een mijn de oorzaak van de ramp is geweest.


1956-01-13: NvhN 13-01-1956: Stoffelijk overschot gevonden van kapitein Van der Meulen. Het vergaan van de Delfzijlster kustvaarder Constant. Dochtertje nog steeds zoek. Het stoffelijk overschot van een zeeman, die op 24 november van het vorig jaar op het strand van het Duitse eilandje Spiekeroog is aangespoeld, is thans door de Duitse en internationale politie geïdentificeerd. Het blijkt de Nederlandse kapitein W. van der Meulen uit Delfzijl te zijn. In de vroege morgen van 19 oktober van het vorige jaar is ongeveer 15 mijl ten noorden van het Duitse Waddeneilandje Borkum de Nederlandse kustvaarder Constant, die 225 ton mat, tijdens storm vergaan. Op het in 1933 gebouwde schip bevonden zich kapitein Van der Meulen met echtgenote en driejarig dochtertje, de stuurman en twee matrozen. Drie reddingboten, de Insulinde uit Oostmahorn, de Hans Hartman uit Borkum en de Norderney uit Norderney hebben zich direct na de melding naar de plaats van het ongeluk begeven. Vier opvarenden, mevrouw Van der Meulen, de stuurman en de beide matrozen, die zich in de reddingsloep hadden begeven, waren voordat een der reddingboten ter plaatse aankwam, reeds door het Duitse schip de Duesseldorf aan boord genomen. De Duesseldorf is nog geruime tijd in de omgeving aan het zoeken geweest, doch heeft zijn reis in de loop van de morgen voortgezet, het zoeken aan de drie reddingboten overlatende. Wel heeft men van de Duesseldorf af de kapitein kort na het ongeval nog gezien. Hij dreef zonder zwemvest in zee en had zijn dochtertje in de armen. Aan het einde van de middag, toen bovendien de Duitse tankboot Eberhart Essberger een lege sloep van de Constant aantrof, die op sleeptouw werd genomen, hebben ook de reddingboten het zoeken gestaakt. De Constant was sedert juni van het vorig jaar eigendom van kapitein Van der Meulen. Hij was daags voor het ongeluk met een lading graan uit Harlingen naar Norrkoping vertrokken. Het stoffelijk overschot van de kapitein zal naar Nederland worden overgebracht. Tot nu toe is het lijkje van het dochtertje nog niet gevonden.
Friese koerier 13-01-1956: Ramp met de Constant . Stoffelijk overschot geïdentificeerd. Spiekeroog (DPA) — Het stoffelijk overschot van een zeeman, die op 24 november van het vorige jaar op het strand van het Duitse eilandje Spiekeroog is aangespoeld, is thans door de Duitse en internationale politie geïdentificeerd. Het blijkt de Nederlandse kapitein W. van der Meulen uit Delfzijl te zijn. In de vroege morgen van 19 oktober van het vorige jaar is ongeveer 15 mijl ten noorden van 't Duitse weddeneilandje Borkum der Nederlandse kustvaarder „Constant", die 225 ton mat, tijdens storm vergaan. Op het in 1933 gebouwde schip bevonden zich kapitein Van der Meulen met echtgenote en driejarig dochtertje, de stuurman en twee matrozen. Drie reddingboten hebben zich direct na de melding naar de plaats van het ongeluk begeven. Vier opvarenden, mevrouw Van der Meulen, de stuurman en de beide matrozen, die zich in de reddingsloep hadden begeven, waren voordat een der reddingboten ter plaatse aankwam, reeds door het Duitse schip de Düsseldorf aan boord genomen. De Constant was sedert juni van het vorige jaar eigendom van kapitein Van der Meulen. Hij was daags voor het ongeluk met een lading graan uit Harlingen naar Norrköping vertrokken. Het stoffelijk overschot van de kapitein zal naar Nederland worden overgebracht. Tot nu toe is het lijkje van het dochtertje nog niet gevonden.
Leeuwarder Courant 13-04-1956: „Constant" lek gestoten in het Stortemelk? De hoofdinspecteur voor de Scheepvaart, de heer J. Metz, heeft vrijdagmiddag ter zitting van de Raad voor de Scheepvaart zijn conclusie uitgesproken inzake de ramp met het 199 brt metende kustvaartuig „Constant". De „Constant" is op 19 october van het vorige jaar bij het eiland Juist — tussen Borkum en Norderney — gezonken. Kapitein Vermeulen en zijn dochtertje kwamen bij deze ramp om het leven. Het schip was in Emmeloord met haver geladen en van voor tot achter getrimd. De ramp is niet te wijten aan het naar dwarszijde overgaan van de haver, aldus de heer Metz. Misschien is het schip al slingerend en stampend in de Stortemelk gestoten en is toen of in de voorpiek of bij het voorpiekschot een lek ontstaan, aldus de heer Metz; dit kan ook zijn gebeurd door trillingen. De Raad voor de Scheepvaart zal zijn mening over deze scheepsramp nader schriftelijk bekend maken.

1956-05-19: NvhN 19-05-1956: De ramp met de Constant. Situatie niet ernstig genoeg ingezien; De Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam heeft schriftelijk zijn oordeel uitgesproken over de ramp met het kustvaartuig Constant, dat op 19 oktober van het vorige jaar nabij Borkum is vergaan en waarbij de kapitein en zijn dochtertje zijn verdronken. De vrouw van de kapitein, de bestman en de twee matrozen konden zwemmend een reddingboot bereiken. De Raad is van mening dat het niet is komen vast te staan hoe het mogelijk was dat zoveel water in het schip is gelopen dat het is gezonken. De gehoorde overlevenden hebben verklaard dat het schip nergens tegenaan is gestoten. Blijkbaar heeft niemand aan boord de ernst van de toestand tijdig ingezien. Voordat het schip begon te zinken, zijn geen maatregelen genomen om het schip toch te behouden, noch is iets gedaan om de opvarenden te redden ingeval het schip zou zinken. Gelukkig is men er nog in geslaagd de reddingboot te water te gooien. De Raad spreekt zijn waardering uit voor de hulpverlening van Borkum uit.
Algemeen Handelsblad 22-05-1956: Oorzaak ramp Constant onopgehelderd. Overwegingen Raad v.d. Scheepvaart. (Van een onzer verslaggevers) Op 19 oktober van het vorige jaar is het m.s, Constant, een Delfzijlse kustvaarder van 199 brt. op de reis van Emmeloord naar Norköping in de geveegde route vergaan. Bij dit tragische ongeluk zijn de kapitein en zijn dochtertje verdronken. De drie overige opvarenden en de vrouw van de gezagvoerder konden zich in de sloep redden. De Constant was beladen met haver. De lading was goed getrimd en het schip lag niet over zijn merk, Plotseling maakte de Constant echter water - zonder dat ergens was gestoten. De kapitein besloot zijn schip op tegenkoers te leggen om minder water over te krijgen. De voorpiek liep echter geheel vol zodat de Constant meer en meer voorover ging liggen. De kapitein, aldus overwoog de Raad voor de Scheepvaart in zijn uitspraak, heeft geen ondieper water opgezocht. Ook heeft hij de reddingboot niet laten klaarmaken of zwemvesten aan laten trekken. Hij heeft geen noodseinen laten geven en de motor draaide nog, toen de Constant zonk. De gehoorde overlevenden hebben verklaard dat het schip nergens heeft gestoten. Het is desondanks mogelijk, dat de Constant voordat zij op 18 oktober buiten kwam, toch ergens heeft gestoten en daardoor is beschadigd. Ook is het mogelijk dat de bodem ter hoogte van het voorpiekschot een slechte plek heeft gehad en dat daar een lek is ontstaan. Vast is hieromtrent echter niets komen te staan. Het gaan liggen op tegenkoers had niet veel zin. Gelukkig ls men er nog in geslaagd de reddingboot te water te laten. Helaas is het de kapitein, die met zijn dochtertje in de armen overboord sprong, niet gelukt de boot te bereiken, zodat beiden verdronken.
Bijvoegsel tot de Nederlandse Staatscourant van Donderdag 24 Mei 1956. no. 99. Uitspraak voor de Raad van de Scheepvaart: No.35 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart inzake het vergaan van motorschip „Constant" ter hoogte van Borkum bij boei JE 6. Op 19 oktober 1955 is het motorschip „Constant" op de reis van Emmeloord naar Norrköping in de geveegde route nabij boei JE 6 vergaan. In overeen- stemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van dit vergaan. Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 en 12 april 1956, in tegenwoordigheid van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart. De raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de bestman, de matroos o/g en de lichtmatroos, zomede afschrift van twee brieven van Hr. Ms. ambassade te Bonn, en hoorde op 6 april 1956 de bestman J. Bakker als getuige. Op 15 februari 1956 hoorde, op grond van artikel 12 van het Koninklijk besluit van 17 december 1932. Stb. 621, het lid van de raad H. A. Broere, in tegenwoordigheid van de secretaris, de lichtmatroos W. A. Hoogland. Uit de verklaringen en bescheiden is de raad het volgende gebleken: Het motorschip „Constant" was een Nederlands schip, toebehorende aan W. van der Meulen en E. R. Engelsman, te Delfzijl. Het schip mat 199,7 brutoregisterton en werd voortbewogen door een 120 pk bronsmotor. Op 14 oktober 1955 werd de „Constant" te Emmeloord, in de Noordoostpolder, beladen met haver. De bestman was niet aan boord tijdens de belading. Hij weet, dat vóór het laden de pompflessen zijn nagezien, maar niet of de lensleiding is beproefd. Een reis tevoren zijn enige buikdenningplanken opgelicht om de bodem te inspecteren; het schip heeft geen dubbele bodem. De matrozen hebben verklaard, dat, voordat met laden is aangevangen, de naden van de buikdenningplanken zijn dichtgemaakt en dat daarover dun blik is gespijkerd. Er is geen graanschot geplaatst. Bij het overnemen werd het graan uit zakken in het ruim gestort. Dit is goed vol getrimd, ook onderdeks en onder de gangboorden. Vervolgens is de lading vlak getrimd en is hier bovenop, zonder eerst planken of kleden te leggen, 10 % der lading in zakken gestuwd, zodat ook de luikhoofden geheel vol waren. Hierna zijn de luiken dichtgelegd, met twee kleden afgedekt en geschalkt. Er was totaal 190 ton geladen; het schip lag niet over zijn merk; de diepgang was vóór 22, achter 24 dm. De luchtkokers van het ruim zijn afgedekt met stalen deksels; de voorpiek was leeg. De „Constant" vertrok op 14 oktober van Emmeloord en kwam op 15 oktober te Harlingen. De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit 4 personen; verder waren de vrouw van de kapitein en diens 3½-jarig dochtertje aan boord. Wegens slecht weer bleef de „Constant" te Harlingen wachten tot 18 oktober en vertrok die dag te 11 uur via het Stortemelk naar zee. De diepgang was nog dezelfde als bij vertrek van Emmeloord. Te 14.30 uur was de „Constant" buitengaats. In het Stortemelk stond nog veel zee, waardoor het schip nog slingerde en stampte, maar op zee was het goed weer. De wind was W. tot N.W. 2/3; men ondervond regenbuien. De stuurman had met de lichtmatroos de wacht tot 18 uur. Men voer in de boeienroute, er deed zich niets bijzonder voor en het schip stuurde goed. Te 0 uur van 19 oktober kwam de bestman weer op wacht met de lichtmatroos. Bij het overgeven van de wacht deelde de kapitein mee, dat niets bijzonders was voorgevallen. De kapitein bleef ook hierna op de brug; de bestman nam het roer. Het weer was hetzelfde gebleven. De zee kwam van bakboord in en liep geregeld in b.b.-gangboord. De kapitein en de bestman spraken erover, dat het schip wel 5° over bakboord lag; zij schreven dit toe aan het water in b.b.-gangboord, maar de kapitein was er niet gerust over en achtte het mogelijk, dat de lading over zou gaan. Hij liet daarom het schip over stuurboord ronddraaien tot op tegenkoers, waarna het met de kop op wind en zee lag. Bij het rondgaan had de kapitein tevens vaart geminderd. De kapitein en de bestman meenden, dat het schip vóór dieper was gaan liggen; er stond nu water vóór in het gangboord, hetgeen anders niet het geval was. De bestman ging naar voren en peilde het ruim; er stond geen water in. Alles was dicht aan dek. Vervolgens peilde de bestman de voorpiek; deze bleek half vol water te staan; het vooronder was droog. De kapitein ging, zodra hij rapport had gekregen van de bestman, naar de machinekamer en zette de ballastpomp bij op de voorpiek. Het was toen ongeveer 2.15 uur. Het schip bevond zich bij boei JE 7; de kapitein wilde naar de Ooster Eems gaan om daar de oorzaak van het oplopen van de voorpiek op te sporen. Het viel op, dat het schip, ondanks het pompen, vóór steeds dieper ging liggen. Met langzaam werkende machine voer men in de route terug. Daar er geregeld water over de bak kwam, was het niet meer mogelijk het ruim of de voorpiek te peilen. Buitenboord kon men zien, dat de pompen water gaven. Toen, na de normale tijd, waarin de voorpiek leeggepompt kan worden, een uur, deze voorpiek nog niet lens was, heeft de kapitein de pompen overgezet op het ruim om te kijken of dit soms water maakte. De bestman weet niet of op de voorkant of de achterkant werd gepompt; de pompen brachten water op. Noch de kapitein noch de bestman dacht eraan, dat het schip in gevaar kon verkeren. Men bleef met langzaam werkende motor doorvaren. Het water stond nu gelijk met het gangboord vóór. De kapitein besloot zijn vrouw te waarschuwen; hij achtte het nog niet nodig de matroos o/g, die in het vooronder sliep, te roepen. De kapitein zou, na het roepen van zijn vrouw, het roer nemen, waarna de bestman de reddingboot zou klaarmaken om te vieren. Voordat de kapitein weer op de brug kwam, brak een zee over de bak en kwam het voorschip niet meer op. De matroos o/g werd door deze zee gewekt en kwam aan dek. De bestman ging direct naar achter, naar de reddingboot, maar door de helling voorover kan hij deze niet losmaken. Alle opvarenden waren nu bij de boot. Het voorschip zonk geheel onder water; er was geen tijd om noodseinen te geven, noch om zwemvesten uit te delen en aan te trekken. Eerst zonk de „Constant" rechtstandig, maar dan sloeg zij over bakboord om. Hierdoor raakte de reddingboot vrij van het schip. Alle opvarenden geraakten te water. De kapitein sprong met zijn dochtertje in zijn armen overboord. Hij heeft de boot niet kunnen halen en is met zijn dochtertje verdronken. Zijn vrouw slaagde er, evenals de bestman, de matroos o/g en de lichtmatroos, in de boot te bereiken. Daar deze vol water stond, is zij enige keren omgeslagen, maar de schipbreukelingen wisten zich ten slotte in de boot te werken. Na ongeveer 1½ uur, toen het licht was geworden, werden de overlevenden opgepikt door het Duitse schip „Düsseldorf". Alle opvarenden hebben verklaard, dat in de tijd, dat zij aan boord waren, het schip niet aan de grond heeft gezeten. De lichtmatroos heeft nog verklaard, dat de „Constant" een gladdekschip was met een bak. Geheel vóór was de voorpiek met daarboven de kettingbak; daarachter bevond zich het vooronder, waar de twee matrozen sliepen. De voorpiek heeft geen vlakkraan; de pijpleiding erheen liep onder de vloer van het vooronder. De kettingkoker was op de bak door middel van een kleedje afgesloten. De lichtmatroos heeft nog opgegeven, dat te circa 3 uur de lenspomp is bijgezet en dat te 5.20 uur het voorschip erg diep 1 ging liggen en dat toen de kapitein zijn vrouw ging roepen. De boot stond langsscheeps onder een kraantje. Alleen de vrouw van de kapitein had een zwemvest aan. De matroos o/g heeft verklaard, dat hij wakker werd doordat het plafond van zijn hut begon te lekken. Toen hij het licht aanstak, zag hij overal water vandaan komen, ook over de 40 cm hoge drempel. Hij verliet het verblijf en zag toen het voorschip onder water. Langs de geien zich voorttrekkende, kon hij het achterschip bereiken. Op 15 februari 1956 verklaarde de lichtmatroos W. A. Hoogland voor een commissie, als bedoeld in artikel 12 van he! Koninklijk besluit van 17 december 1932, Stb. 621, dat hij sinds 1 september 1955 voer. Hij was aan boord van de „Constant" tijdens de belading in Emmeloord. Tevoren was het ruim goed schoongemaakt en de buikdenning graandicht gemaakt. De pompflessen zijn toen niet nagezien. Het ruim is goed volgemaakt, eerst met gestort graan, daar bovenop met graan in zakken. Alle merkels zijn ingelegd en vervolgens de luikplanken opgelegd; hierna zijn de luiken afgedekt met twee presennings en geschalkt. Voorop het schip, bovenop het voorlogies, bevond zich een ruimkoker. Deze was afgenomen en de pot afgedekt; de kettingkokers waren ook afgesloten. Het logies bevond zich boven het ruim, was daarin verzonken. De lensleiding van de voorpiek liep onder de vloer van het logies door en liep dan aan b.b.-zij aan dek langs de luikhoofden naar de machinekamer. Het ruim had vóór luik I een peilpijp en een vóór het stuurhuis; beide waren afgesloten. Getuige ontkent, dat het schip in de sluis te Kornwerdsrzand of te Harlingen zou hebben gestoten. Men ging op 18 oktober 1955 onder loodsaanwijzing van Harlingen naar zee. De loods verliet te 14.20 uur het schip met een roeiboot. Het was toen goed weer; de windsterkte was niet meer dan 4; het schip werkte een beejje op de deining. Het stuurde maar matig en liep nogal eens uit het roer. Getuige kwam op 19 oktober, te 0 uur, op wacht met de bestman, maar de kapitein bleef bij de hand. Het schip lag toen normaal, maar tegen 3 uur kreeg het enige koplast; het had geen noemenswaardige slagzij. De bestman heeft te 3 en te 4 uur het ruim gepeild, maar geen van beide keren water daarin bevonden. Te 3 uur is de lenspomp op de voorpiek bijgezet; deze gaf water. Om 4 uur viel het op, dat het schip flink voorover lag, en het stuurde moeilijk. Getuige is tegen 5 uur naar de motorkamer gegaan om te smeren; de bestman nam toen het roer over. Toen getuige te omstreeks 5.15 uur weer op de brug kwam, bleek, dat het schip op tegenkoers lag. De kapitein meende, dat er water gelopen was in de kettingbak en vandaar in de voorpiek. de normale lozing. Te 5.20 uur lag het voorschip zo diep, dat geregeld zeeën over het voorluik liepen. De kapitein riep toen zijn vrouw en kind en gaf order de sloep klaar te maken. Getuige wlde juist de matroos o/g roepen, die sliep in het voorlogies, toen deze door het water naar het achterschip kwam. Het gelukte door de grote koplast niet de sloep gewoon te strijken; de opvarenden gooiden ze te water met nog het bootskleed erop. Er waren 4 zwemvesten in het voorlogies, 2 op de brug en 1 in de kombuis, maar alles speelde zich nu zo snel af, dat men geen tijd meer had een zwemvest om te doen. Allen moesten te water springen; de kapitein had zijn dochtertje en een zwemvest in de armen. De drenkelingen wisten het bootskleed van de sloep te trekken en de sloep, die ondersteboven dreef, te rechten. Behalve de kapitein en zijn dochtertje wisten allen in de boot te komen. Het schip was snel gezonken; er was geen tijd meer de motor te stoppen. Er is tot het laatst op de voorpiek gepompt en de pomp gaf flink water. Ter zitting van 6 april 1956 verklaarde de bestman J. Bakker geheel overeenkomstig het hiervóór vermelde. Hij voegde daaraan toe, dat hij 8 maanden op de „Constant" heeft gevaren. Het schip maakte nooit water; het was vrijwel nimmer nodig lens te pompen, tenzij voor binnen- gekomen regenwater. Zover getuige bekend, heeft de „Constant" nooit gestoten. Het ruim was te Emmeloord goed gevuld en getrimd; ook aan de voorkant was het vol. De luiken zijn goed gesloten en waren bij het zinken nog dicht. Nadat de „Constant" op 18 oktober, te 14.30 uur, buitengaats was gekomen, heeft zij niet zwaar gestampt. Getuige kreeg weer de wacht op 19 oktober, te 0 uur. In de loop van de wacht viel het op, dat het schip voorover ging liggen. Getuige heeft te 3 en te 4 uur het ruim aan de voorkant gepeild. Hij kon de peilstok goed aflezen; er bevond zich toen geen water in het ruim. Er bleek wel water in de voorpiek te staan. Direct is de pomp daarop gezet. Doordat het schip kort voor het zinken erg voorover lag, was het niet mogelijk de sloep normaal te strijken. De opvarenden hebben daarom de sloep te water moeten gooien; vervolgens zijn zij naar de sloep gezwommen, hebben het kleed eraf getrokken en de sloep gerecht en zijn erin gekropen. Men heeft de kapitein met zijn dochtertje niet kunnen redden. De voorzitter schorste hierop de zitting tot 12 april 1956 om dan de hoofdinspecteur voor de scheepvaart gelegenheid te geven een conclusie uit te spreken. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart voerde aan, dat de „Constant" een kleine kuster was, van 199 brutoregisterton, en gebouwd was in 1933. Van dit type varen nog vele schepen. De „Constant" heeft nooit iets bijzonders gehad. In juli 1955 is het schip nog geheel nagezien en ook toen was er niets bijzonders. De bestman, die 8 maanden op de „Constant" heeft gevaren, heeft ook verklaard, dat er geen klachten over het schip waren; het was niet nodig om periodiek lens te pompen, omdat ergens water in het schip zou dringen. Op 13 oktober 1955 is het schip te Emmeloord beladen met een volle lading haver. Deze lading is gestort in het ruim; het is duidelijk, dat door dit storten geen beschadiging van het schip mogelijk was. De lading is goed getrimd, afgedekt met haver in zakken; een graanschot was op de „Constant" voor deze lading niet nodig. Het staat ook vast, dat de lading niet is overgegaan en dat deze ramp niet te wijten is aan een gebrek in de stabiliteit. Voordat de belading aanving, is de bodem onder de buikdenning nagezien. Het schip is eerst naar Harlingen gegaan en heeft daar enige dagen gewacht wegens slecht weer. Toen het door het Stortemelk naar zee ging, was het aanvankelijk wel wat ruw, maar er heerste geen stormweer. Het is mogelijk, dat de „Constant" bij het varen in het Stortemelk, toen er vrij veel zee stond, iets heeft geraakt; misschien is getracht een hoek af te steken, maar niets daarvan staat vast. Op 10 oktober, te 0 uur, kwam de bestman op wacht; de kapitein is toen boven gebleven; misschien was hij toen al ongerust over het een en ander. De „Constant" had enige slagzij over bakboord; de kapitein sprak hierover met de bestman. Het is niet duidelijk waarom de kapitein besloot het schip op tegenkoers te leggen. Indien hij enige angst had voor zijn schip, zou het begrijpelijk zijn geweest, indien de kapitein had besloten naar ondiep water te gaan, om zo nodig zijn schip aan de grond te kunnen zetten. Toen de „Constant" te 2.15 uur bij boei JE 7 was, bleek duidelijk, dat het schip voorover ging liggen. Deze koplast nam geregeld toe en ten slotte is het schip gezonken. Blijkbaar heeft de kapitein niet de ernst van de toestand ingezien. Hij heeft niet ondieper water opgezocht, heeft niet de reddingboot klaar laten maken of zwemvesten aan laten trekken. Ook heeft hij geen noodseinen laten geven en de motor draaide nog, toen de „Constant" zonk. De opvarenden hebben nog kans gezien de boot te water te gooien en de meesten zijn er in weten te komen. De kapitein, die met zijn dochtertje te water was gesprongen, is daarin niet geslaagd en beiden zijn omgekomen. Dit zou niet zijn gebeurd, indien de kapitein eerder de toestand had onderkend. De oorzaak van het lek worden is niet vast komen te staan. Misschien is het schip lek geworden door trillen of stoten op een plek bij het voorpiekschot. De „Constant" is bij boei JE 6 gezonken. De reddingboot van Borkum is nog uitgegaan en heeft gezocht naar de kapitein en zijn dochtertje, maar heeft niets gevonden. De hoofdinspecteur merkt op. dat hier een woord van dank op zijn plaats is voor de Duitse instanties, die zo snel mogelijk maatregelen hebben genomen om hulp te verlenen. Het oordeel van de raad luidt als volgt: De „Constant", die te Emmeloord was beladen met een volle lading haver, vertrok op 18 oktober 1955 van Harlingen met bestemming Norrköping. Het schip was op de normale wijze beladen geworden; het was niet nodig een graanschot aan te brengen. De lading is gestort, daarna getrimd en afgedekt met graan in zakken. Hierna was het ruim geheel vol. De luiken zijn goed afgesloten. Voor zover bekend, had het schip geen gebreken; het was slechts enige maanden tevoren geheel nagezien en vóór aanvang der belading waren ruim en vullings nagekeken. Het schip heeft na vertrek van Harlingen wel enigszins ruw weer gehad, maar daardoor kan het schip onmogelijk schade hebben gekregen. Hoewel na 0 uur van 19 oktober werd bemerkt, dat de „Constant" enige slagzij had, kan niet worden aangenomen, dat de lading in het geheel volle ruim kan zijn overgegaan. Weldra bleek trouwens, dat water was binnengedrongen, aanvankelijk alleen in de voorpiek, later ook in het ruim. Ondanks pompen op voorpiek en ruim kwam steeds meer water in het schip. Nog onverwacht is de „Constant" gezonken. Het is niet vast komen te staan hoe het mogelijk was, dat zoveel water in het schip is gelopen. De gehoorde overlevenden hebben verklaard, dat het schip nergens heeft gestoten. Het is desondanks mogelijk, dat het schip, voordat het op 18 oktober buitenkwam, ergens heeft gestoten en daardoor is beschadigd; ook is het mogelijk, dat de bodem toch ergens ter hoogte van het voorpiekschot een slechte plek heeft gehad en dat daar op de H.W. van 19 oktober een lek is ontstaan. Niets daaromtrent is echter komen vast te staan. Blijkbaar heeft niemand aan boord de ernst van de toestand tijdig ingezien. Nu aangenomen mocht worden, dat niet door hevig weiicen de lading kon zijn overgegaan, had het niet veel zin het schip op tegenkoers te leggen. Voordat het schip begon te zinken, zijn geen maatregelen genomen om het schip toch te behouden, zoals het stomen naar ondiep water, noch is iets gedaan om de opvarenden te redden, ingeval het schip zou zinken. Gelukkig is men er nog in geslaagd de reddingboot te water te gooien en, hoewei deze omgekeerd en met het bootskleed er nog over te water kwam, te rechten en erin te kruipen. Helaas is hel de kapitein, die met zijn dochtertje in de armen overboord sprong, niet gelukt de boot te bereiken en zijn beiden verdronken. Zodra het ongeval te Borkum bekend werd, zijn vandaar pogingen gedaan om de drenkelingen te redden. Deze hulp mocht niet meer baten. De raad spreekt evenwel zijn waardering uit voor deze hulpverlening en spreekt jegens de nabestaanden zijn medeleven uit met het verlies van kapitein Van der Meulen en diens dochtertje. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, 1ste plv. voorzitter, C. H. Brouwer, H. A. Broere en A. Kunst, leden, in tegenwoordigheid van 's raads secretaris, mr. A. Boosman, en uitgesproken door voornoemde voorzitter ter openbare zitting van de raad van 18 mei 1956. (Get.) A. Dirkzwager, A. Boosman.

Ship Masters Data

Images


Description: Arbo 1933 on her day of delivery 04.09.1933.
Image type: Photo

Description: Arbo 1933
Image type: Photo

Description: 1943-1945, als peilschip ÖSEL in Duitse dienst.
Image type: Photo
Sources