Name ship: ARRAN

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1944
Classification Register: Lloyd's Register of Shipping (LR)
IMO number: 5025251
Nat. Official Number: 7481 Z ROTT 1950
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type: LCT(3)(R)
Type Deck: Flush deck
Masts: One mast
Rig: 2 derricks, 2 winches
Lift Capacity: 2 ton each
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: Redpath, Brown & Co. Ltd, Meadowside (Glasgow), Great Britain
Yardnumber:
Date Laid Down:
Launch Date:
Delivery Date: 1944-00-00
Technical Data

Engine Manufacturer: Davey Paxman & Co. Ltd, Colchester, Great Britain
Engine Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 24
Power: 750
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Twee 12-cyl., 18x195
Speed in knots: 9.50
Number of screws: 2
 
Gross Tonnage: 499.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 307.00 Net tonnage
Deadweight: 800.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 35000 Cubic Feet
Bale: 31000 Cubic Feet
 
Length 1: 54.67 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 49.04 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 9.20 Meters Breadth, moulded
Depth: 3.40 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

1955-04-00: Van nieuwe motoren voorzien: 2x4tew 2x6 cyl. 2x320 PK MWM Type (x) (Bouwjaar 1943), 9 Kn., bij Scheepswerf Welgelegen in Harlingen

1968-06-00: Bij Scheepswerf J.G. Bijlholt te Foxhol omgebouwd tot onderzoekingsvaartuig.

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1944-00-00 LCT (3) (R) 450
Manager: Royal Navy, London, Great Britain
Owner: Royal Navy, London, Great Britain
Shareholder:
Homeport / Flag: Glasgow / Great Britain
Callsign:
Additional info:

Date/Name Ship 1950-08-16 ARRAN
Manager: Carebeka N.V., Groningen, Netherlands
Owner: Mees Cremer Sr., Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PCUR
Additional info:

Date/Name Ship 1958-03-00 ARRAN
Manager: Carebeka N.V., Groningen, Netherlands
Owner: Rederij Ruben & Cremer (Harm Ruben, Jan Cremer en Mees Cremer Sr.), Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PCUR
Additional info:

Ship Events Data

1944-00-00: Als Landing Craft Rocket MK 3 voor de Royal Navy. Op 15 mei 1948 in Harlingen gesleept aangekomen, gekocht door Inspecteur H.J. Mellema als compensatie voor het verlies van Nederlandse coasters. 1949 Toegewezen aan Mees Cremer.
Extra informatie van Ian Buxton d.d. 04-04-2016: He tells me he has found a notation on an Admiralty sales list showing the LCT 440 (blt. Arrol, Meadowside) was sold to N.V. m.s. Arran, Willemstad, with delivery at Rosneath, Gareloch on 23 April 1948, so this would seem like a rather "hot" prospect to be the landing craft which emerged as the Carebeka managed ARRAN.

1948-05-19: De Heerenveensche Koerier 19-05-1948: Scheepsbouw te Harlingen. Harlingen, 18 Mei. Arriveerde enige maanden geleden een Amerikaans landingsvaartuig te Harlingen dat op de scheepswerf tot moderne coaster moest worden omgebouwd,' thans zijn opnieuw een tweetal landingscrafts gearriveerd. Deze zullen voor rekening van de reders Cremer, Ruben en Bolhuis eveneens tot moderne coasters worden omgebouwd. Met de komst van deze vaartuigen is er voor geruime tijd volop werk op de scheepswerf.

1950-01-13: Op 13-01-1950 als ARRAN, zijnde een stalen motorschip, groot 1416.37 bruto inhoud volgens meetbrief afgegeven te 's Gravenhage no. 7918 d.d. 05-12-1949, liggende te Harlingen, door A. Kraaijema, scheepsmeter te Groningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 7481 Z ROTT 1950 op het achterschip aan B.B. zijde in achterkant dekhuis op verhoogd achterdek, 7.05 m. uit hekplaat, 1.35 m. uit lengteas en 1.60 m. boven dek.

1950-04-19: Proefvaart na verbouwing.

1952-04-24: 19-06-1953 Nederlandse Staatcourant: Nederlandse Staatcourant: No 47 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip „Arran" met het Poolse stoomschip „Torun" in het Kattegat. Op 24 April 1952 is het motorschip „Arran", op de reis van Gothenburg naar Leith, tijdens dikke mist, in aanvaring gekomen met het tegenkomende Poolse stoomschip „Torun" en is daarbij licht beschadigd. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze aanvaring. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 27 April 1953, in tegenwoordigheid van de inspecteur voor de scheepvaart J. Metz. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein, de stuurman, de roerganger en de uitkijk van de „Arran", zomede van een te Edinburgh afgelegde scheepsverklaring en het scheepsdagboek, benevens een brief van het Poolse consulaat-generaal te Amsterdam en het antwoord daarop van de inspecteur- generaal voor de Scheepvaart, en hoorde de kapitein van de „Arran" als getuige. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip „Arran" is een Nederlands schip, toebehorende aan M. Cremer, te Groningen. Het meet 500 bruto-registerton en wordt voortbewogen door twee schroeven, aangedreven door twee Paxman-motoren van samen 750 pk. Op 24 April 1952 te 17.30 uur vertrok de „Arran", beladen met hout, van Gothenburg met bestemming Leith. De diepgang was vóór 2,77 m, achter 3,06 m. De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit 12 personen. Te 19.07 uur werd de loods ontscheept bij Buskar. Te 19.30 uur werd Gummen-baken dichtbij aan stuurboord gepasseerd. Hierna werd het heiig met ongeveer 2 a 3 mijl zicht. Het was goed weer, windstil. Men voer met 8 mijl vaart. De koers werd na Gummen 305° r.w., liep naar de N.O.hoek van Danger Area no. 10. Te 20.00 uur kwam de stuurman op wacht. De kapitein ging gedurende 10 minuten naar beneden, maar kwam daarna weer op de brug. Te 20.25 uur werd het dik van mist, de vaart werd geminderd tot langzaam en de voorgeschreven mistseinen werden gegeven. De uitkijk werd op de bak gesteld. Na enige tijd stuurde de kapitein de stuurman eveneens naar voren, daar men de kruisende route van het Kattegat naar de Oslofjord naderde. Er was inmiddels enige wind gekomen, Z.O. 3, dus schuin aan bakboord van achter in. Te 20.38 uur riep de stuurman, dat hij aan stuurboord vooruit een mistsein hoorde; de kapitein stopte beide motoren. Direct daarop zag hij op 1 streek aan stuurboord twee toplichten en het rode zijlicht van een koerskruisend stoomschip. De kapitein gaf order hard s.b.-roer en zette beide motoren op vollekracht achteruit. De kop draaide iets naar stuurboord. De tegenkomer liep met grote snelheid vóór de boeg van de „Arran" langs en te 20.41 uur kwam de voorsteven van de „Arran" in aanraking met b.b.-zijde achterschip van het andere schip, dat later bleek het Poolse stoomschip „Torun" te zijn. De „Torun" schuurde langs de voorsteven; van dit schip werd in onverstaanbare taal iets geroepen. De kapitein van de „Arran" riep twee keer „stop", maar de „Torun" verdween in de mist, zonder enig mistsein te geven. De „Arran" bleef tot 20.45 uur gestopt liggen; zij bleek slechts lichte schade aan de steven te hebben en maakte geen water. Te 20.45 uur vervolgde de „Arran" haar reis. De kapitein schatte de koers van de „Torun" op Z.O. De stuurman en de uitkijk verklaarden, dat zij geen mistsein van de „Torun" hebben gehoord, maar dat zij gesis hoorden, alsof er stoom ontsnapte. De stuurman, praaide dit naar de brug. Zij hebben verder geen enkel sein van het Poolse schip gehoord. De stuurman had de indruk, dat het andere schip s.b.-roer gaf en volle kracht
vooruitsloeg. Toen de reis werd voortgezet, wist men op de „Arran" niet met welk schip men in aanvaring was geweest. Uit een brief van het consulaat-generaal van Polen te Amsterdam van 19 Juli 1952 blijkt, dat de „Arran" in aanvaring is geweest met het Poolse stoomschip „Torun". In deze brief wordt de „Arran" verweten te zijn doorgevaren en geen hulp te hebben aangeboden, noch naam en thuishaven te hebben gegeven. Ter zitting verklaarde de kapitein gelijkluidend aan het voorgaande. Hij voegde daaraan toe, dat de vaart van de „Arran" vier mijl was, toen de stuurman meldde, dat hij iets hoorde. De kapitein stopte onmiddellijk. Zelf heeft hij niets van het andere schip gehoord, maar dan zag hij het plotseling met veel vaart vóór langslopen; het werd licht geraakt door de boeg. Getuige is tot 20.45 uur blijven wachten, maar ondanks zijn roepen heeft hij niets meer van het Poolse schip bemerkt; het gaf ook geen fluitseinen. De inspecteur voor de scheepvaart voerde aan, dat de „Arran" met slecht zicht in het Kattegat voer. Zij minderde vaart tot langzaam en stelde een uitkijk voorop. Toen deze een geluid hoorde, is de machine gestopt en bij in zicht komen van de „Torun" werd volle kracht achteruitgeslagen. Er had toch een aanvaring plaats; de „Arran" werd licht beschadigd. Het Poolse schip is blijkbaar iets meer beschadigd. De „Arran" heeft na de aanvaring nog enige tijd gewacht, maar hoorde niets meer van de ander. De „Torun" bleek in de mist verdwenen. De vaart van de „Arran" kan niet groot zijn geweest. Ook al zou de vaart van de „Torun" niet groot zijn geweest, kan men elkaar in de mist gemakkelijk missen. De klacht van de Poolse consul-generaal kan dan ook niet als bewezen worden beschouwd. De kapitein van de „Arran" is niet te kort geschoten. Het oordeel van de Raad luidt als volgt: De aanvaring in het Kattegat op 24 April 1952 van het motorschip „Arran" met een onbekend schip, dat, naar wel moet worden aangenomen, het Poolse stoomschip „Torun" is geweest, moet allereerst worden toegeschreven aan de destijds heersende dichte mist. Van het Poolse schip zijn geen verklaringen ontvangen. De „Arran" heeft volgens de voorschriften met voorzichtigheid gevaren. De mistseinen van de „Torun" waren onvoldoende; dit schip heeft niet gestopt, toen het de mistseinen van de „Arran" vooruit hoorde. De kapitein van de „Arran" heeft na de aanvaring gewacht, maar niets meer bemerkt van de „Torun". De kapitein mocht aannemen, dat, daar de aanvaring zeer licht was geweest, daaruit geen gevaar voor het andere schip kon voortkomen. De Raad neemt niet aan, dat de kapitein van de „Arran" zich bewust heeft onttrokken aan zijn plicht gegevens uit te wisselen met het andere schip, maar is overtuigd, dat de schepen door de mist het contact met elkaar hebben verloren. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, tweede plv. voorzitter, C. H. Brouwer, K. Visser en L. Meulman, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris, mr. A. Boosman, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van 12 Juni 1953. (Get.) A. Dirkzwager, A. Boosman.

1954-12-28: Leeuwarder Courant 28-12-1954: Coasters worden van nieuwe motoren voorzien in Harlingen. Bij de scheepswerf „Welgelegen" te Harlingen liggen momenteel twee coasters, die van nieuwe motoren zullen worden voorzien, o. a. het 800 ton metende s.s. „ARRAN". De „Arran" Is een voormalig landingsvaartuig van de Royal Navy, dat op genoemde werf tot coaster werd omgebouwd. Het andere schip, het 225 ton metende m.s. „Antje" krijgt een nieuwe 230 pk dieselmotor.

1958-03-01: NvhN 01-07-1958. Groninger m.s. ARRAN strandde in Grote Belt . Kapitein wel schuld maar geen straf. Hoewel de Raad voor de Scheepvaart de 35-jarige J. T. uit Groningen, kapitein van het 499 brt. metende m.s. Arran van de rederij M. Cremer uit Groningen, schuldig achtte aan de stranding van zijn schip, dat op 1 maart j.l. op reis naar Antwerpen met een lading gerst tijdens slecht zicht op een bank in de Grote Belt vast liep, hield de Raad overeenkomstig het voorstel van de hoofdinspecteur voor de Scheepvaart rekening met de lange ervaring van de kapitein en paste op hem geen strafmaatregel toe. De Arran was uitgerust met een radiorichtingzoeker, maar had geen andere moderne nautische instrumenten aan boord. De kapitein voer ter zitting van de Raad aan veel in de Oostzee te hebben gevaren en te weten, dat de stroom, vooral in de Grote Belt, zeer veranderlijk kan zijn en dat men op de richting daarvan nooit staat kan maken. Hij weet de stranding van zijn schip aan wegzetting door deze stroom. Daar er ter plaatse geen radiobakens zijn, was het, gezien de dikke mist, niet mogelijk de plaats van het schip vast te stellen. De Raad was van oordeel, dat de kapitein onder deze omstandigheden zeker vaker van zijn handlood gebruik had moeten maken om daarmede nog de enige controle op zijn navigatie uit te oefenen, die hem restte. Bovendien kwam een bepaalde boei, die hij verwachtte, niet in zicht. Op dat moment had hij voor anker moeten gaan, maar hij is door blijven varen totdat het schip vastliep. De Arran liep bij deze stranding slechts lichte schade op. Het kwam de volgende avond op eigen kracht weer vlot en vervolgde de reis naar Antwerpen.
Algemeen Handelsblad 01-07-1958: Kustvaarders slachtoffers van onjuiste navigatie. (Van een onzer verslaggevers) De Raad voor de scheepvaart heeft uitspraak gedaan in een aantal scheepsongevallen, kustvaarders betreffende, waarbij gezagvoerders of stuurlieden als betrokkenen waren gehoord. Een 35-jarige kapitein uit Groningen, gezagvoerder van het 449 ton metende m.s. Arran, had zich te verantwoorden gehad omdat zijn schip op een bank in de grote Belt tijdens mist was vastgelopen. De Raad legde hem geen straf op, doch was van oordeel, dat meer had moeten worden gelood.
Nederlandse Staatscourant 07-07-1958: Nr. 63 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart inzake de stranding van het motorschip „Arran" in de Grote Belt op een bank voor de noordwestkust van Lolland. Betrokkene: de kapitein J. Timmer. Op 1 maart 1958 is het motorschip „Arran" op de reis van Korsor naar Antwerpen in de Grote Belt tijdens slecht zicht gestrand op een bank voor de noordwestkust van Lolland. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze stranding en dat het onderzoek tevens zou lopen over de vraag of niet het ongeval mede te wijten is aan de schuld van de kapitein van de „Arran", lan Timmer, wonende te Groningen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 april 1958, in tegenwoordigheid van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart J. Metz. De raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij een proces-verbaal van het verhoor van de kapitein, zomede van de te Antwerpen afgelegde scheepsverklaring, benevens het scheepsdagboek en de Deense kaart nr. 140: Store Baelt, en hoorde de kapitein, voornoemd, als betrokkene buiten ede. De voorzitter zette de betrokkene, aan wie voormelde beslissing was meegedeeld, doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit de verklaringen en bescheiden is de raad het volgende gebleken: Het motorschip „Arran" is een Nederlands schip, toebehorende aan Rederij M. Cremer, te Groningen. Het meet 499 brutoregisterton en wordt voortbewogen door 2 schroeven, aangedreven door 2 motoren van samen 480 pk. Het schip is uitgerust met een radiorichtingzoeker, maar had geen andere moderne nautische instrumenten. Na te Korsor een lading van 600 ton gerst te hebben ingenomen, vertrok de „Arran" op 1 maart 1958, te 18.15 uur, onder aanwijzing van de kapitein vandaar, met bestemming Antwerpen. De diepgang was voor 9'03", achter 10'09". De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit 11 personen. Ballasttank IV was vol, de andere dubbele bodemtanks waren leeg. Nadat de kompassen waren gecontroleerd, verliet de kapitein de lichtenlijn van de haven van Korsor en zette koers naar routeboei nr. 12. De wind was N.W. 2/3, het was heiig met een zicht van 1 tot 3 mijl. Te 19.35 uur werd boei nr. 11 op korte afstand aan bakboord gepasseerd. De kapitein stelde vast, op grond van de behouden vaart tussen de boeien nrs. 12 en 11, dat er stroom om de noord liep. Het schip liep volle kracht, 73-/ mijl per uur. Te 19.55 uur werd boei nr. 10 dichtbij gepasseerd. Vanhier werd 188° (k.) of 186° r.w. gestuurd. Daar het zicht nu minder werd, is de vaart geminderd tot halve kracht, ongeveer 5 mijl per uur. Te 20.30 uur werd het dikker van mist; nu werden de voorgeschreven mistseinen gegeven en de vaart geminderd tot langzaam. Er stond een uitkijk op de bak. Te 21.20 uur is de koers gewijzigd in 208° r.w. Na het passeren van boei nr. 10, te 19.55 uur, had men geen verkenning gehad. De kapitein besloot te 21.40 uur met het handlood een loding te laten doen; op hetzelfde moment liep de „Arran" aan de grond. Het gelukte niet door achteruitslaan of hieuwen op een uitgebracht anker vlot te komen. Het schip maakte nergens water. Toen het dag was geworden, slaagde de kapitein erin de positie van zijn schip te bepalen; deze was 54° 55'30" N. en 11° 02'50" O., op een bank voor de noordwestkust van Lolland. In de namiddag draaide de wind naar het noorden. Hierdoor rees het water meer en te 22.30 uur kwam de „Arran" door achteruitslaan en hieuwen op een anker vlot. De kapitein zocht de route weer op en vervolgde de reis. Tanks en ruim werden geregeld gecontroleerd, maar maakten geen water. Er was enige trilling in het schip en het draaien van het stuurrad kostte meer moeite. Op 5 maart arriveerde de „Arran" te Antwerpen. Na lossing werd toestemming verkregen naar Rotterdam te stomen. Op 12 maart is het schip in Alblasserdam drooggezet. Hier bleek enige schade aan een steun van een schroef en een kimplaat, terwijl ook een schroef werd beschadigd.De kapitein wijt de stranding aan wegzetting door stroom; deze stroom is daar niet te bepalen. Daar er ter plaatse geen radiobakens zijn, was het niet mogelijk door middel van de richtingzoeker de plaats van het schip vast te stellen. De „Arran" wordt nu uitgerust met een nieuwe richtingzoeker, radiotelefoon en een echolood. Ter zitting verklaarde de kapitein geheel overeenkomstig het hiervoor aangegevene. Hij voegde daaraan toe, dat de „Arran", nadat vaart geminderd was, 5 mijl per uur liep. Het schip stuurde heel goed en er stond een zeer goede roerganger aan het roer. Bij het passeren van boei nr. 10 had betrokkene opgemerkt, dat de stroom om de noord liep, en uit het behoud vanaf boei nr. 12 was dat ook gebleken. Betrokkene zegt veel in de Oostzee te hebben gevaren en te weten, dat de stroom, vooral in de Grote Belt, zeer veranderlijk kan zijn en dat geen staat is te maken op da richting daarvan. Betrokkene had te 21.20 uur koers laten veranderen tot 208° r.w.; hij wilde te 21.40 uur laten loden, maar op hetzelfde moment liep het schip aan de grond. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart voerde aan, dat de kapitein, die sinds 1950 als zodanig vaart, veel ervaring heeft in de Oostzee. Hij heeft verklaard te weten, dat de stroom in de Grote Belt iets onbestemds is. Indien hij dat wist, had hij niet gedurende 1% uur in den blinde mogen doorvaren. De „Arran" is door de stroom om de oost verzet en aan de grond gelopen. Het schip was niet uitgerust met een echolood. Indien men in den blinde moet varen in een vaarwater, waar een niet bekende stroom loopt, moet men ten anker gaan. De kapitein had zeker zolang hij voer geregeld moeten laten loden met het handlood. De kapitein is te lang doorgevaren zonder verkenning te hebben. Door niet eerder ten anker te gaan en tijdig te hebben laten loden, is de kapitein medeschuldig aan het stoten van zijn schip. Daar het ongeval geen ernstige gevolgen heeft gehad, stelt de hoofdinspecteur de raad voor, ook rekening houdende met zijn lange ervaring als zodanig, de kapitein wel schuldig te verklaren, maar geen strafmaatregel op hem toe te passen. Het oordeel van de raad luidt als volgt: Het aan de grond lopen van het motorschip „Arran" in de Grote Belt op 1 maart 1958 moet worden geweten aan het feit, dat de kapitein, die toen de wacht had, te lang is doorgevaren, hoewel hij geen goed bestek had, het zicht slecht was en hij wist, dat de stroom daar aan grote veranderingen in kracht en richting onderhevig is. De kapitein had het laatst een bestek gehad te 19.55 uur, toen boei nr. 10 op korte afstand werd gepasseerd. Spoedig daarna werd het zicht zo slecht, dat de vaart moest worden geminderd. Daar boei nr. 9 slechts van zeer geringe sterkte is, verontrustte het hem niet, dat hij deze boei niet heeft gezien. Hij heeft echter niets gedaan om de enige controle op zijn navigatie uit te oefenen, die hem mogelijk was; hij liet na geregeld met het handlood te loden. Dit was zeker nodig, toen hij, volgens de gis, bij boei nr. 8 moest zijn en hij ook deze boei niet zag. Toen had hij zijn voornemen om zonder verkenningverder te gaan zeker moeten opgeven en had hij ten anker moeten gaan. Betrokkene is doorgelopen totdat zijn schip vastliep. Vooral een kapitein, die veel in de Oostzee heeft gevaren en die weet, dat op de richting en de sterkte van de stromen aldaar niet kan worden gerekend, had moeten begrijpen, dat hij moest gaan ankeren. De raad acht kapitein Jan Timmer, geboren 26 mei 1923, wonende te Groningen, schuldig aan het stranden van de „Arran", maar beslist, dat geen maatregel van straf wordt opgelegd. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, 1ste plv. voorzitter, C.H. Brouwer, H. A. Broere en F. v. d. Laan, leden, in tegenwoordigheid van 's raads secretaris, mr. A. Boosman, en uitgesproken door de voorzitter ter openbare zitting van de raad van 30 juni 1958. (Get.) A. Dirkzwager, A. Boosman.

1966-01-15: Het Vrije Volk 15-01-1966: Duizendste is er. Zaterdagmorgen is het duizendste schip in Rotterdam aangekomen. Het was de 499 ton grote Arran, komende van Montrosse, die ligplaats genomen heeft in de Persoonshaven. De cargadoor is Carabeka. In 1965 kwam het duizendste schip op dezelfde dag binnen.

1966-12-25: NvhN 20-07-1967: Groninger stuurman gestraft voor stoten van coaster ARRAN. De Raad voor de Scheepvaart heeft de 47-jarige stuurman R. K. uit Groningen voor de tijd van 2 1/2 maanden de bevoegdheid ontnomen om als stuurman op zeeschepen te varen. De raad acht hem schuldig aan het aan de grond stoten van de Groninger kustvaarder Arran aan de oostkust van Engeland op 25 december van 't vorige jaar. Het schip liep bij het stoten slechts zeer geringe schade op. De stuurman wordt verweten dat hij in zijn navigatie ernstig te kort is geschoten. De hoofdfout moet volgens de raad gezocht worden in de omstandigheid dat de stuurman geen rekening heeft gehouden met het kenteren van de stroom. De raad acht de kapitein van het schip niet schuldig.

1968-06-25: NvhN 25-06-1968: Motorschip „ARRAN" verkocht. Het motorschip Arran van de rederij Carebeka NV te Groningen werd door bemiddeling van het Maritiem Bureau Mellema te Amsterdam, verkocht naar Panama.

1968-07-00: Verkocht aan Comex International Corporation, Geneve en verbouwd tot onderzoekingsvaartuig. Onder Panamese vlag als VULCAN.

1976-04-21: Final Fate: In een zware storm gekapseisd en gezonken op de rede van Port Gentil, Gabon. Ze lag daar al bijna een jaar opgelegd met een gebroken krukas. Juli 1976 wrak opgeblazen.

Ship Masters Data

Images


Description: Na de verbouwing van landingsvaartuig tot coaster bij Scheepswerf 'Welgelegen' te Harlingen, vond de oplevering van de 'Arran' plaats in januari 1950 te Harlingen.
Image type: Photo

Description: De gepavoiseerde 'Arran' bij de oplevering in januari 1950 te Harlingen.
Image type: Photo

Description: Arran 1944
Image type: Photo

Description: Arran 1944
Image type: Photo

Description: Arran 1944
Image type: Photo

Description: Arran 1944 at Harlingen.
Image type: Photo

Description: De 'Arran' eind 60er jaren opgelegd in het Oosterhamrikkanaal te Groningen.
Image type: Photo
Sources