Name ship: EGMOND EN HOORNE

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1854
Classification Register:
IMO number:
Nat. Official Number:
Category: Cargo vessel
Propulsion: Sailing Vessel
Type: Barque
Standard Ship Type:
Type Deck:
Masts: Three masts
Rig:
Lift Capacity:
Material Hull: Wood
Decks:
Construction Data

Shipbuilder: firma J. & K. Smit, Kinderdijk, Netherlands
Yardnumber:
Date Laid Down: 1853-05-17
Launch Date: 1854-08-16
Delivery Date: 1854-10-10
Technical Data

Ship is not motorized.
 
Gross Tonnage:
Net Tonnage: 756.00 tons (oude meting)
Deadweight:
 
Length 1: 41.10 Meters Registered
Beam: 7.25 Meters Registered
Depth: 5.71 Meters Registered
Draught:
 
Passengers:
1st 2nd 3rd Steerage Deck Total
0 0 0 0 0 0
Configuration Changes

Certificate of Registry
Year registered 1854
Number in register 812
Name ship EGMOND EN HOORN
Type Bark
Lasts 399
Built province/country ,
Binnenland
Remarks
Date agenda 1854-10-20
Passport requested by Suermont & Zonen, E.
City Rotterdam
Master at time of request Glazenier, A.
Harbour
Other Remarks
Ship History Data

Date/Name Ship 1854-10-00 EGMOND EN HOORNE
Manager: E. Suermondt & Zn. & Co., Rotterdam, Netherlands
Owner: rederij van het betreffende schip, Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: NONE
Additional info:

Ship Events Data

1854-08-16: NRC 20.08.1854
Rotterdam, 19 augustus. Op de werf van de heren J. & K. Smit te Nieuw Lekkerland is eergisteren voormiddag met het beste gevolg te water gelaten een barkschip, groot ca. 400 lasten, genaamd EGMOND EN HOORNE. Gemelde bodem is gebouwd voor rekening der heren E. Suermondt & Zoonen & Co c.s, en zal gevoerd worden door kapt. A. Glazener.

1854-10-10: Aandeelhouders bij oplevering:
E. Suermondt & Zoonen & Co, reders te Rotterdam (3/10e part),
R. Mees & Zoonen, kassiers, Rotterdam (1/10e part),
Edward Twiss, particulier, s-Gravenhage (1/10e part),
H. de Heus & Zoon, fabrikanten te Utrecht (1/10e part),
Cornelis Johannes Wijnands, predikant te Warnsveld (1/10e part),
Anne Glazenier, particulier, Rotterdam (1/20e part),
Andries Glazenier, koopvaardijkapitein, Rotterdam (1/20e part),
Willem Samuel van den Bergh van Heinenoord, controleur der directe belastingen, Rotterdam (1/20e part),
Barthold Jacob Suermondt, cargadoor en Cornelis Suermondt Junior, particulier te s-Gravenhage (tezamen 1/20e part),
Gualtherus Suermondt, koopman te Rotterdam (1/10e part).
De meetbrief is gedateerd Rotterdam, 24 augustus 1854


1854-10-31: NRC 01.11.1854
Hellevoetsluis, 31 oktober. Heden vertrokken van hier de EGMOND EN HOORNE, kapt. Glazener, naar Londen. (opm: eerste reis)

1855-05-26: NRC 27.05.1855
Rotterdam, 26 mei. Door de Nederlandsche Handel Maatschappij zijn bevracht de navolgende 36 schepen, als:
Voor Rotterdam: COLUMBINE, kapt. A.J. Andresen; HUGO GROTIUS, kapt. J. Glazener; VIJF VRIENDEN, kapt. C. Johan; GOUVERNEUR-GENERAAL DUYMAER VAN TWIST, kapt. C.E. Hoeksma; KONING WILLEM II, kapt. L.R. Giesen; NEDERLAND, kapt. F. Ruiter; KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE YACHT-CLUB, kapt. M.C. van Noijen; KAREL AUGUST, kapt. A.G. Bouten; EGMOND EN HOORNE, kapt. A. Glazener; JACOB, kapt. J.F.C. Brger; MARIA DIDERIKA, kapt. A. van Marion; ZWERVER, kapt. D.A. Koekelis; GUURTJE EN MARIA, kapt. T.J. Boursse Wils; ZWARTE ZWAAN, kapt. J. Muller; S. VAN HEEL, kapt. A.H. van der Waal; BURGEMEESTER HOFFMAN, kapt. N.A. Dijkama.
(opm: bekort)

1855-07-15: NRC 25.10.1855
Sydney, 15 juli. De desertie van het scheepsvolk blijft hier voortdurend bestaan en brengt de kapiteins soms in grote ongelegenheid. Er is bijna niet n Nederlands schip in onze haven, waarvan niet het grootste gedeelte der equipage gedurende het verblijf hier weg loopt.
Ofschoon het aan de ijverige nasporingen van de politie hier dikwijls gelukt hen weder aan boord te brengen, zo gaat er soms een geruime tijd verloren, alvorens men alle op een schip behorende matrozen op het spoor is. Kapt. A. Glazener Jr. (opm: bark EGMOND EN HOORNE), welke zeilklaar ligt, kan niet uitzeilen, uit gebrek aan scheepsvolk. Wellicht dat de hoge gages, die men in dit land de matrozen aanbiedt, de hoofdoorzaak van die menigvuldige deserties is.

1855-10-02: 2 Oktober 1855 vertrokken van Cheribon (Java) en 5 oktober 1855 te Batavia rede, om af te laden voor Rotterdam. (L.C.H.)

1855-10-20: Final Fate: Verbrand op de rede van Batavia

1855-10-24: NRC 03.01.1856
Batavia, 10 november 1855. Men leest in de Javasche Courant van 24 oktober 1855: Ten 10.30 ure des voormiddags van 20 oktober bemerkte men van Zr.Ms. korvet BOREAS, ter rede van Batavia, dat er uit de kajuitspoorten van het Nederlandse koopvaardijschip EGMOND EN HOORNE (opm: bark, oktober 1854 opgeleverd, kapt. Andries Glazener Jr) rook opsteeg, welke snel toenam. Het genoemde schip had zijn vlag omgekeerd gehesen. Terstond werd de barkas met de brandspuit en twee sloepen van de korvet ter hulp gezonden, onder bevel van de luit. ter zee 2e kl. J.C. Oudraat, vergezeld van een wacht van mariniers, terwijl van de BOREAS en andere oorlogsvaartuigen (de BANDA en ARUBA), sein werd gedaan om insgelijks hulp te verlenen. Ook een menigte koopvaarders sloepen boden zich aan en werden onverwijld naar het brandende schip gezonden. Hoezeer dit laatste bijna op de grenzen van de rede lag, kwamen de ter hulp snellende vaartuigen spoedig in zijn nabijheid, zodat na een zeer kort verloop van tijd de brandspuiten aldaar in werking waren. Ook van het havendepartement waren twee grote brandspuiten gezonden.
Doordien de brand in het ruim ontstaan, en de luiken tot afwering van lucht dicht gespijkerd waren, bleek het water van de spuiten onvoldoende te zijn om de brand te blussen.
De luit. Oudraat, in overleg met de opperstuurman, besloot derhalve het vaartuig buiten de ter rede liggende schepen te brengen, en het op een geschikte plaats op droog te zetten, ten einde de overige schepen voor schade te behoeden, en zo mogelijk nog een gedeelte van lading en inventaris te redden. Dit werd op enige afstand bewesten de rivier met het beste gevolg ten uitvoer gebracht.
Ten 8 ure des avonds van die dag duurde het smeulen in het brandende schip nog voort, en was zelfs toenemend. De brandspuit van de BOREAS was intussen onbruikbaar geworden, weshalve men de barkas bezigde tot het overbrengen der geredde goederen naar de BOREAS.
In de morgen van de 21e, ten 7 ure was de brand nog aan het toenemen. Ofschoon door de genoemde oorlogsbodems en door een paar koopvaardijschepen de meest ijverige hulp werd betoond, bleek het echter dat het blussen van de brand niet mogelijk was. Het gelukte evenwel een groot gedeelte van de goederen, instrumenten, tuigage en inventaris, behouden op de BOREAS over te brengen, hetwelk niet weinig te danken was aan de voorbeeldige inspanning en stipte orde, met welke de bemanningen der oorlogsvaartuigen alles tot hulp en redding aanwendden.
Ten gevolge van het bovenstaande leest men nog in het nummer van 27 oktober 1855: In de morgen van de 21e bleef de brand nog steeds smeulende en dacht men ogenschijnlijk iets gewonnen te hebben, het geen deed besluiten een luik open te maken, om zodoende te trachten een gedeelte der lading te redden.
Spoedig was men echter door de opnieuw hevig opstijgende rook genoodzaakt het luik weer dicht te maken; intussen gelukte het enkele balen nagelen uit het ruim op te halen.
De van de wal gekomen brandspuiten werden als onbruikbaar teruggezonden, zodat die van de BANDA alleen het dek onder water bleef houden.
Aanhoudend bleven de sloepen der drie ter rede liggende oorlogschepen in werking, om de geredde goederen naar de BOREAS over te brengen.
Zo ging men voort tot 10 ure en 50 minuten in de voormiddag van zondag, toen boven de hut van de kapitein een gat gekapt werd, waardoor de vlam kort daarna het schip uitsloeg.
Van het waarloze (opm: reserve) rondhout was inmiddels een vlot gemaakt, waardoor men met de gezondene prauwen gemeenschap kreeg die het geredde staand en lopend tuig innamen.
Ten 1 ure nam de brand zodanig in hevigheid toe, dat het schip geheel verlaten moest worden, en ten 2 ure keerden de sloepen naar de schepen terug, aangezien verdere pogingen tot redden en blussen onmogelijk waren.
De equipage van het brandende schip, ten getale van 18 koppen, werd op de BOREAS genomen.
Intussen was men beducht dat het brandende wrak zou kunnen vlotten en gedurende de nacht de grootste ongelukken op de rede veroorzaken, doordien men niet zeker was of het anker van het schip grond had kunnen vatten.
Om dit mogelijk gevaar te voorkomen, achtte men het nodig het schip te doen zinken. Daartoe werden van Zr.Ms. schoenerbrik BANDA enige scherpe schoten op het wrak gelost, welk middel zeker aan het doel zoude hebben beantwoord, ware het niet dat het inkomen van prauwen uit de rivier belet had met het schieten voort te gaan.
Ten 8 ure des avonds werd de grote barkas van de BOREAS naar het wrak gezonden, ten einde voor de nacht de staat van het schip op te nemen. Ten 10 ure kwam de barkas terug met het bericht, dat de brand met de meeste hevigheid woedde en het wrak nog op dezelfde plaats lag; ook had men nu de overtuiging verkregen, dat het anker van zelf in de grond was gevallen.
Gedurende de nacht bleef het stil, zo dat in de morgen van de 22e het wrak nog op dezelfde plaats brandende was.
Gedurende de tijd, dat aan het verbrande schip hulp werd verleend, is door de officieren en equipages der oorlogschepen een onvermoeide arbeid aan de dag gelegd, en zijn door hen de beste diensten bewezen. Ongeregeldheden hebben niet plaats gevonden en het is voornamelijk aan de onvermoeide activiteit van de luits. ter zee J.C. Oudraat en D. Schuurman toe te schrijven, dat deze zijn voorgekomen.
Vooral verdienen het goed overleg en de ijver, bij deze gelegenheid aan de dag gelegd door de luitenant-ter-zee 2e klasse A. Grave van Limburg Stirum, met het bevel over de korvet BOREAS tijdelijk belast, de grootste lof.
De hulp verleend door de gedurende de brand ter rede liggende schepen INDIA, ANNA en ZWALUW is vooral ook van veel nut geweest.

1855-11-10: NRC 03.01.1856
Batavia, 10 november 1855. Aan een particulier schrijven ontlenen wij het volgende: De nieuwe bark EGMOND EN HOORNE, kapt. Glazener, die op de 20e oktober alhier op de rede geheel verbrand is, was geheel vol geladen met suiker en nagelen van het gouvernement en zou een paar dagen later vertrekken. De oorzaak van dat ongeval is niet met zekerheid bekend.

1855-11-10: NRC 06.01.1856
Batavia, 10 november. Wij deelden een uitvoerig verslag mede nopens het verbranden van het schip EGMOND VAN HOORNE. Ook het rapport van kapt. Glazener, hoewel veelal bekende bijzonderheden bevattende, willen wij onze lezers niet onthouden:
De ondergetekende, gezagvoerder van het Nederlands barkschip EGMOND VAN HOORNE, verklaart bij deze, dat hij, na alvorens op Tagal en Cheribon een gedeelte der lading te hebben ingenomen, de 5e oktober wederom te Batavia was aangekomen en aldaar de lading gekompleteerd had, zijnde op de 9e oktober (opm: 19 oktober, zie NRC 290156) de laatste lading aan boord gekomen. De gehele lading bestond uit 10.000 pikol suiker, 1531 pikol nagelen, 800 pikol tin, 400 pikol duiten en 130 pikol rotting.
Dat hij op de 20e oktober, bezig zijnde het schip uit te klaren, onverwachts tijding kreeg door een scheepsdokter, dat er brand in schip ontdekt was; dat hij zich zo spoedig mogelijk naar boord heeft begeven, doch buiten de rivier komende, het schip reeds zeilende zag naar de modderbank, alwaar het ook op vastgezet werd vr de gezagvoerder aan boord was.
Dat hij, aan boord komende, bevond dat twee officieren der op de rede liggende oorlogschepen het commando op zich hadden genomen en met hun sloepvolk, bijgestaan door de stuurlieden van de schepen INDIA, ANNA en WILLEM III, benevens de scheepsequipage, ijverig bezig waren en alle pogingen aanwendden tot blussing van de brand. De kappen en lantaarns waren allen reeds overdekt met zeilen, die gestadig nat werden gehouden.
Dat hij de kajuitslantaarn heeft laten openen en, nadat de rook een weinig opgetrokken was, in de kajuit is afgeklommen, om meer in de onmiddellijke nabijheid van de brand, pogingen tot blussen aan te wenden. Daar de brand echter in het ruim onder het vloerdek der campagne ontstaan was, barstte er bij het openen der kerkdeur zulk een verstikkende rook uit, dat het onmogelijk werd het langer in de kajuit uit te houden en zelfs een der matrozen, om niet te stikken, door de kajuitsramen moest ontsnappen.
De in de kajuit weggestuwde goederen en provisies waren er inmiddels uitgehaald en geborgen.
Dat hij de onmogelijkheid inziende, om beneden iets met vrucht tegen de verdere voortgang van de zich snel verspreidende brand aan te wenden, alle kappen en lantaarns, de ramen der voorkajuit en alle overige openingen en toegangen zorgvuldig liet dicht maken, om door afsluiting der buitenlucht het vuur te smoren. Door kleine openingen in de lantaarns gaven de spuiten overvloedig water omlaag.
Dat hij door de geweldige rook, die door alle naden en reten naar boven drong, bespeurende dat de brand nog niet in hevigheid verminderde, besloot het schip vol water te laten lopen en te dien einde in overleg met de aan boord zijnde zeeofficieren Oudraat en Schuurmans, naar het wachtschip zond, om een sloep of barkas met een kanon, ten einde een gat in het schip te schieten, doch ten antwoord kreeg, dat het kanon niet bruikbaar was, en daarom besloot een gat in het schip te hakken, het geen door de hoge zee zeer moeilijk ging en door dat het niet diep genoeg gemaakt kon worden, zeer onvoldoende bleek te zijn. De zeilen waren in tussen allen afgeslagen en geborgen, en zoveel van de tuigage neergenomen als mogelijk was; de waarloze (opm: reserve) spieren en brandstengen en ra's werden overboord gezet totdat de invallende duisternis het werk deed staken.
Van de goederen der equipage was alles behouden gebleven, alleen van de gezagvoerder was niets gered; onder diens hut in het ruim was de brand het eerst aangekomen en maakte de verstikkende rook het al dadelijk onmogelijk iets uit de hut te kunnen redden.
Dat de spuiten van het havenkantoor en van Zr.Ms. wachtschip BOREAS, onbruikbaar zijnde, werden weggezonden en de gehele nacht gebruik gemaakt van de brandspuit van Zr.Ms. schoener BANDA.
Dat ogenschijnlijk gedurende de nacht de hevigheid van het vuur verminderde, zodat met algemeen overleg besloten werd, in de vroege morgen van 21 oktober de grote luiken te openen en zoveel mogelijk van de lading te lossen in de daartoe aan boord gezonden prauwen.
Dat de rook echter spoedig zodanig toenam, dat men verplicht was de luiken weer te sluiten en men als toen overging het schip geheel af te tuigen. De brand was nu sterk toegenomen, zodat omstreeks half 10 uur de vlammen zich door de kajuitslantaarn en kajuitspoorten een uitweg baanden en weldra de gehele campagne in lichtelaaie vlam stond. Omstreeks half 12 uur nam de hitte zo geweldig toe, dat wij genoodzaakt waren het schip te verlaten en aan de vlammen prijs te geven, die zich reeds om 2 uur over het gehele schip verspreid hadden.
Wijders verklaart de ondergetekende, veel hulp te hebben ondervonden van de officieren Oudraat en Schuurmans, die op de eerste aanvraag om hulp onmiddellijk toesnelden, en waarvan de laatste de gehele nacht en de volgende morgen, tot het laatst toe, aan boord bleef. De stuurlieden van de Nederlandse schepen INDIA, WILLEM III en voornamelijk de tweede stuurman Cramer, van de Nederlandse bark ANNA, verdienen allen lof wegens hun ijverige bemoeiingen tot berging van tuig en inventaris.
Het schip bleef de gehele dag doorbranden en was op maandagavond de 22e oktober tot op het water verteerd, waarna het zonk.
A. Glazener Jr.

1856-01-28: NRC 29.01.1856
Rotterdam, 28 januari. In het door ons in de NRC van de 6e dezer medegedeelde rapport van kapitein A. Glazener Jr. nopens het verbranden van het door hem gevoerd zijnde schip EGMOND EN HOORNE is een fout ingeslopen, die wij om de verkeerde opvattingen, die daaruit zouden kunnen gemaakt worden, gaarne verbeteren.
In dat stuk staat namelijk, dat de EGMOND EN HOORNE, na een gedeelte der lading op Tagal en Cheribon te hebben ingenomen, de 5e oktober wederom te Batavia was gearriveerd en aldaar de lading gecompleteerd had, zijnde het laatste gedeelte de 9e oktober aan boord gekomen. Deze laatste datum is foutief, want het is ons heden uit de officile verklaring van kapitein Glazener gebleken, dat de laatste lading de 19e en niet de 9e oktober in de EGMOND EN HOORNE gescheept is.

Ship Masters Data

Date from: 1854
Captain: Glazenier Jr., Andries
College:
Flagnumber: 0
Other information: 0

Images

Sources


Year: 1854-00-00
Source: NA-Den Haag
Description: NA-Den Haag, Archiefnummer Rott.3.03.17.01.3675. ? No. 305