Name ship: AEGIR

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1939
Classification Register: Lloyd's Register of Shipping (LR)
IMO number:
Nat. Official Number: 1951 Z GRON 1939
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: One mast
Rig: 2 derricks
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: Bodewes Scheepswerven N.V., Martenshoek, Netherlands
Yardnumber: 310
Date Laid Down:
Launch Date: 1939-10-26
Delivery Date: 1939-12-12
Technical Data

Engine Manufacturer: D. & Joh. Boot N.V., Motorenfabriek 'De Industrie', Alphen aan den Rijn, Netherlands
Engine Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 180
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Industrie Nr. 3167 Type (305x450 )
Speed in knots: 9.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 277.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 124.00 Net tonnage
Deadweight: 330.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 17000 Cubic Feet
Bale: 16000 Cubic Feet
 
Length 1: 40.00 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 38.15 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 7.04 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.40 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1939-12-06 AEGIR
Manager: Firma J.J. Onnes, Cargadoors-, Scheepvaart- en Bevrachtingsbedrijf, Groningen, Netherlands
Owner: Roelof de Winter, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PCEB
Additional info: Aanv. ANNE GYBE

Date/Name Ship 1951-12-12 AEGIR
Manager: Firma J.J. Onnes, Cargadoors-, Scheepvaart- en Bevrachtingsbedrijf, Groningen, Netherlands
Owner: Erven Roelof de Winter (Rikstje de Winter-Brouwer en Jan de Winter), Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PCEB
Additional info:

Date/Name Ship 1955-12-06 RIA
Manager: Kamp's Scheepvaart- en Handelmaatschappij N.V., Groningen, Netherlands
Owner: Jurrien Roossien & Essel Klugkist (Rotterdam), Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PHAS
Additional info:

Date/Name Ship 1957-12-30 MARTINA
Manager: Caspar Wessels, Haren, Germany
Owner: Caspar Wessels, Haren, Germany
Shareholder:
Homeport / Flag: Haren / Germany
Callsign: DCJE
Additional info:

Date/Name Ship 1958-01-00 MARTINA
Manager: J. Schoning, Haren, Germany
Owner: Reinhard Wessels, Haren, Germany
Shareholder:
Homeport / Flag: Haren / Germany
Callsign: DCJE
Additional info:

Ship Events Data

1939-00-00: Aanvankelijke naam 'Anne Gybe', in aanbouw voor J. Wiegman te Groningen, broer van de heer Wiegman van de 'Nisi Deo', volgens contract van 15 febr. 1939 voor fl. 75.000,-. De verloving van de heer Wiegman met mej. Wildeboer van Slochteren, waarvan het geld moest komen, is uitgeraakt! Daarna contract door Wiegman geannuleerd. Op 30 oktober 1939 is het schip verkocht aan R. de Winter voor fl. 82.500,-. Proefvaart op 12 december, maar schip niet afgenomen aangezien er trillingen werden waargenomen. Drooggezet bij scheepswerf J. Vos in Groningen. Door de lange strenge winter kon het schip pas proefvaren op 8 maart 1940 en de volgende dag werd de acte van overdracht gepasseerd

1939-10-16: NvhN 16-10-1939: Te koop voor levering met 4 weken. Moderne nieuwbouw Coaster, ca. 340 ton D.W. 3 cyl. 195 P.K. Industrie dieselmotor, dubbele bodem. Bevragen bij Bodewes' Scheepswerven Martenshoek.

1939-10-26: Algemeen Handelsblad 27-10-1939: Scheepsbouw. Van Bodewes' Scheepswerven te Martenshoek is gisteren met goed gevolg te water gelaten een stalen motorschip, bouwnummer 310, groot plm. 340 ton d.w., onder Klasse British Corporation en Scheepvaartinspectie in aanbouw voor Holl. rekening. Het zal worden voorzien van een 3 cyl 195 pk. Industrie-Dieselmotor. De kiel is gelegd voor een motorkustschip van plm. 550 ton, eveneens voor Nederl. rekening, dat een 300 p-k. Deutz-Dieselmotor krijgt.

1939-12-07: Op 07-12-1939 als AEGIR, zijnde een motorvrachtschip, groot 784.35 m3 bruto inhoud volgens meetbrief 's Gravenhage d.d. 21-11-1939 no. 6135, liggende te Martenshoek, door A. Kraaijema, scheepsmeter te Groningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1951 Z GRON 1939 op het achterschip aan B.B. zijde in achterkant dekhuis op verhoogd acherdek, 5.80 m. uit hekplaat, 1.10 m. uit lengteas en 1.65 m. boven het dek.

1940-05-00: Nam deel aan de operatie 'Dynamo' (Evacuatie van Duinkerken van 26 mei tot 1 juni 1940) en redde 825 personen.

1952-03-12: NvhN 12-03-1952: Groninger kapitein in Engeland veroordeeld. Schip zou te zwaar beladen geweest. Gisteren is te Londen kapitein J. Buitenkamp uit Groningen, wegens te zwaar beladen van zijn schip veroordeeld tot een boete van 275 pond sterling (2750 gld.) en betaling van de proceskosten (ruim 150 gld.). Kapitein B. verklaarde niet schuldig te zijn. Bij vertrek uit Zweden was zijn schip, de 277 ton metende “Aegir”, niet overladen geweest, aldus de kapitein, doch op weg naar Portsmouth was het schip in een storm gekomen en door buiswater had het een slagzij van 20 graden over stuurboord opgelopen. Hierdoor was hij gedwongen geweest enige ballasttanks vol te laten lopen om het schip grotere stabiliteit te geven. Een functionaris van het Britse ministerie van vervoer had verklaard dat de “Aegir” bij aankomst in Portsmouth in November j.l. bijna dertig cm dieper dan zijn waterlijn lag.
NvhN 25-03-1952: Wat anderen er van zeggen. Te zwaar beladen coaster. Op 11 Maart j.l. is te Londen de Groninger kapitein J. Buitenkamp veroordeeld tot 215 pond sterling boete en betaling der proceskosten (15 pond) wegens te zwaar beladen van zijn coaster, de Aegir. Bij aankomst in November te Portsmouth lag het schip bijna 30 cm dieper dan de waterlijn. De heer Buitenkamp voelde zich niet schuldig. Hij verklaarde dat hij — in een storm gekomen met de Aegir, die door buiswater slagzij van 20 graden over stuurboord maakte — gedwongen was geweest enige ballasttanks vol te laten lopen om het schip grotere stabiliteit te geven. In het Alg. Handelsblad schrijft een oud-zeeofficier en oudrederij-inspecteur hierover: „Voor een ieder die studie heeft gemaakt van de stabiliteit van schepen — en elke stuurman of gezagvoerder behoort dit te doen, zie o.m. het illustere voorbeeld van kapitein Carlsen van de Flying Enterprise — is het duidelijk dat de Groningse gezagvoerder de beste maatregel heeft genomen om schip, bemanning en lading te beveiligen. Het alternatief „werpen van deklading" is als regel gevaarlijker of bij ruwe zee zelfs niet uitvoerbaar. Dat de kapitein de moed had over zijn Plimsoll-merk binnen te komen te Portsmouth, als onvermijdelijk gevolg van zijn goede maatregel, strekt hem tot eer. In gevallen als het onderhavige is dikwijls de grote fout begaan — door onbekendheid met de stabiliteitsleer als regel — water over boord te pompen van de lage kant van het schip, met gevolg dat het schip oversloeg naar de andere zijde, met veel groter slagzij ofwel kapseisde".
19-12-1952 No. 124 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart inzake de klacht van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen ]. Buitenkamp, kapitein van het motorschip „Aegir", wegens overlading. Op 1 Juli 1952 is door de inspecteur-generaal voor de scheepvaart bij de Raad voor de Scheepvaart een klacht ingediend van de volgende inhoud: „De Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart, Verwijzende naar de hierbijgaande stukken, t.w.: a. het proces-verbaal van vooronderzoek, b. het scheepsdagboek; Overwegende, dat kapitein Jantienus Buitenkamp van het Nederlandse m.s. „Aegir", geboren 16 Februari 1920 te Delfzijl, wonende Baanstraat 12 te Groningen, zijn schip te Söderhamn met hout in de ruimen en aan dek heeft beladen; dat op 15 December 1951, na afloop van de reis naar Gosport, bij aankomst aldaar bleek, dat de diepgang van het schip 30 cm meer bedroeg dan de maximum toegestane diepgang; dat zulks geweten moet worden aan het nat en daardoor zwaarder worden van de deklast hout; dat de kapitein bij het beladen van het schip, vóór het ondernemen van de reis, niet voldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen, welke het mogelijk nat worden van de deklast hout op de uitwatering van het schip zou kunnen hebben; dat zijn schip daardoor gedurende een gedeelte der reis en bij aankomst in de haven van bestemming niet heeft voldaan aan de eis van minimumuitwatering, als bedoeld in artikel 89 van het Schepenbesluit; dat laatstgenoemd feit een overtreding oplevert van artikel 9, punt 1 (b), van de Schepenwet; Van oordeel, dat bovengenoemd verzuim een misdraging vormt, als bedoeld in artikel 48(1) van de Schepenwet; Gelet op de artikelen 48 en 49 van de Schepenwet, stelt aan de Raad voor de Scheepvaart voor, een onderzoek in te stellen en kapitein Jantienus Buitenkamp te horen.". Een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 49 der Schepenwet, besliste, dat naar de gegrondheid van voorschreven klacht een onderzoek door de Raad zou worden ingesteld. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 5 November 1952, in tegenwoordigheid van de inspecteur voor de scheepvaart }. Metz. De Raad nam kennis van de ten deze door de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart overgelegde stukken, waaronder een door de expert van de Scheepvaartinspectie J. de Vries in het 2de district op de ambtseed opgemaakt procesverbaal dd. 29 Mei 1952, inhoudende een verhoor van aangeklaagde J. Buitenkamp, wonende te Groningen, en hoorde de kapitein, voornoemd, als aangeklaagde buiten ede. Na voorlezing van de klacht zette de voorzitter de aangeklaagde de betekenis daarvan uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip ,,Aegir" is een Nederlands schip, toebeherende aan Erven R. de Winter, te Groningen. Het meet 277 bruto-reqisterton en wordt voortbewogen door een 180 pk motor. Na te Söderhamn een volle lading gezaagd hout te hebben geladen, vertrok de „Aegir" op 5 December 1951 vandaar met bestemming Gosport. De diepgang was bij vertrek vóór 24 dm, achter 26 dm in zoet water. Het schip, dat niet in het bezit is van een speciaal Certificaat voor de Houtvaart, mag in de winter in zoet water tot een diepgang van 26,8 dm afladen. De deklasthoogte was 23 dm. De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit zeven personen, verder voer de echtgenote van de kapitein mee. Behalve tank 2 was de gehele dubbele bodem bij vertrek leeg. Gedurende de reis door de Oostzee werd steeds slecht weer ondervonden; de deklast nam daardoor zoveel water op, dat het schip tenslotte 20° slagzij kreeg. De kapitein heeft tanks 1 en 3 laten vullen. Te 0.00 uur van 11 December arriveerde de „Aegir" te Holtenau. Hier trachtte men het schip recht te werken met een takel in de mast, maar het viel toen over naar bakboord tot 25°. Hierop heeft men zeven standaard hout gelost en acht ton brandstofolie en vijf ton drinkwater geladen. De dubbele bodemtanks 1 en 3 werden weer leeggepompt. De kapitein rekent, dat hij, daar het hout nat was, 28 ton deklast heeft ontscheept. De kapitein heeft vöór vertrek de diepgang niet opgenomen, maar is overtuigd, dat de „Aegir" toen niet te diep lag. Op 12 December 1951 werd de reis vervolgd. Het was gedurende de vaart over de Noordzee en het Kanaal steeds vrij goed weer, maar voortdurend kwam water over. Nabij Dungeness kreeg de „Aegir" 10 a 12° slagzij; bij Royal Sovereign-vuurschip werden tanks 1 en 3 weer gevuld. De slagzij nam niet af, maar het schip lag vaster. Toen de „Aegir" voor Portsmouth kwam, liet de kapitein vóór- en achterpiek vullen om zoveel mogelijk stabiliteit te verkrijgen. Onder loodsaanwijzing werd naar binnen gevaren. Eerst werd aan een kade vastgemaakt om ongeveer twaalf standaard te lossen, ten einde het schip recht te werken, en hierna zou de eigenlijke losplaats worden opgezocht. Juist was men begonnen genoemde twaalf standaard te lossen en de dubbele bodemtanks en vóór- en achterpiek leeg te pompen, toen een ambtenaar van de Board of Trade aan boord kwam en de diepgang opnam. Hierbij werd vastgesteld, dat de „Aegir" 30 cm over haar merk lag. Wegens deze overlading is de kapitein beboet in Londen met £ 300. De kapitein ontkent de juistheid van de overlading door aan te voeren, dat de tanks, die omstreeks 86 ton ballastwater bevatten, eerst kort vóór het binnenlopen van Portsmouth zijn gevuld. Daar het schip op 1,9 ton 1 cm inzinkt, moet het schip op zee ongeveer 15 cm onder zijn wintermerk hebben gelegen en was het dus op zee niet overladen. Ter zitting verklaarde de kapitein geheel overeenkomstig het hiervóór vermelde. Hij voegde daaraan toe, dat er water in het ruim was gelopen. In de Oostzee was een poort in het vóórlogies, waarvan de stormklep gescheurd was, ingeslagen. Te Hoitenau bemerkte men, dat er veel water in het logies stond. De kapitein wilde dit water in tank 1 laten lopen; hij heeft echter niet de dop van de peilpijp van deze tank in het logies losgedraaid, maar die van een peilpijp van het ruim, zodat het water in het ruim liep. Aangeklaagde deelt mee, dat hij niet voldoende kleden aan boord had om de deklast af te dekken. De kapitein verklaart, dat het rechttrekken te Hoitenau door middel van een takel op de mast niet de bedoeling had om het schip recht te werken, maar om gedurende de nacht beter te kunnen slapen dan bij een slagzij van meer dan 20°. Eerst de volgende morgen kon men beginnen zeven standaard hout te lossen. De ingeslagen poort is te Kiel voorzien. Te Gosport bleek het schip 30 cm te diep te liggen. De inspecteur voor de scheepvaart voerde aan, dat vaststaat, dat de „Aegir" bij aankomst 30 cm over haar merk lag, hetgeen overeenkomt met een te veel aan gewicht aan boord van 55 ton. Ook al is water in het ruim gekomen door een ingeslagen poort, dan zal dit toch zeker geen 55 ton zijn geweest. De inspecteur wijst de kapitein op het bepaalde in artikel 4, sub a en h, en artikel 9, sub d, der Schepenwet en zegt, dat de kapitein, die reeds twee jaar op dit schip voer, had moeten weten waar de peilpijpen van tanks en vullings zich bevinden. De inspecteur acht de klacht bewezen. De kapitein heeft zich schuldig gemaakt aan overlading van zijn schip. Daar hij reeds zwaar gestraft is in Engeland, stelt de inspecteur voor de kapitein dit keer slechts te straffen door het uitspreken van een berisping. Het oordeel van de Raad luidt als volgt: De Raad acht bewezen, dat de ,,Aegir" in zwaar overladen toestand te Gosport is binnengekomen. De kapitein heeft het bepaalde in artikel 96, sub 2, van het Schepenbesluit niet in acht genomen door zoveel deklast te vervoeren, dat, toen deze nat werd, de stabiliteit in gevaar werd gebracht en enige bodemtanks moesten worden gevuld om het schip weer recht te krijgen. De kapitein had het gevaar voor ranker worden goeddeels kunnen afwenden door de deklast met goede kleden af te dekken. Nu bleek, zelfs nadat te Holtenau zeven standaard hout van de deklast waren gelost, na enige tijd de deklast nog zo zwaar, dat het schip over zijn merk kwam te liggen. Hoewel artikel 9, sub d, de kapitein verplicht telkens na het innemen van lading of brandstof de diepgang af te lezen, liet hij dit te Holtenau na. Het komt de Raad zeer onwaarschijnlijk voor, dat hij dit na de reeds ondervonden wederwaardigheden zou hebben nagelaten; waarschijnlijk lag het schip toen reeds te diep. De Raad acht het een tekortkoming van de kapitein, dat hij, na reeds twee jaar op de „Aegir" te hebben gevaren, blijk gaf nog niet de peilpijpen van zijn schip te kennen. Bij een andere lading zou door dit gebrek aan kennis grote schade aan deze lading hebben kunnen ontstaan. De Raad is van oordeel, dat de kapitein schuld heeft aan de overlading van zijn schip. Hoewel de Raad deze overtreding ernstig opvat, wil de Raad bij de bepaling van de straf rekening houden met de omstandigheid, dat de kapitein in Engeland reeds zwaar is beboet. De Raad straft mitsdien kapitein Jantienus Buitenkamp, geboren 16 Februari 1920, wonende te Groningen, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, tweede plv. voorzitter, C. H. Brouwer, K. Visser en K. R. Bosma, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van 5 November 1952. (Get.) A. Dirkzwager; A. Boosman.

1955-12-07: NvhN 07-12-1955: Kustvaarder AEGIR verkocht. Door de rederij Erven De Winter te Groningen is het 325 ton metende m.s. Aegir verkocht aan de rederij Roossien en Klugkist te Rotterdam. De Aegir zal onder de nieuwe naam RIA met als thuishaven Rotterdam in de vaart worden gebracht. Het schip werd in 1939 gebouwd bij G. en H. Bodewes te Marfenshoek en wordt voortgestuwd door een 180 p.k. motor.

1958-03-22: Final Fate: Op 22.03.1958 onderweg met een lading cellulose van Uddevalla naar Düsseldorf. Ten gevolge van het verschuiven van de lading twee mijl ten westen van het E.R. lichtschip ter hoogte van Esbjerg omgeslagen en gezonken in positie: 55°23'NB en 06°53'OL. Geen slachtoffers.

Ship Masters Data

Images


Description: Aegir 1939
Image type: Photo

Description: 'Aegir' (bj 1939)
Image type: Photo

Description: 'Aegir' (bj 1939)
Image type: Photo

Description: 'Ria' (ex 'Aegir')
Image type: Photo

Description: Ria 1939 ex Aegir.
Image type: Photo
Sources