Name ship: BERENT

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1931
Classification Register: Lloyd's Register of Shipping (LR)
IMO number:
Nat. Official Number: 5189 Z ROTT 1931
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: One mast
Rig:
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: N.V. Werf 'Vooruit', Enkhuizen, Netherlands
Yardnumber: 275
Date Laid Down:
Launch Date:
Delivery Date: 1931-08-27
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Netherlands
Engine Type: Motor, Oil, 2-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 150
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 5236 Type T (240x360)
Speed in knots: 8.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 298.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 211.00 Net tonnage
Deadweight: 345.00 tons deadweight (1016 kg)
Grain: 22000 Cubic Feet
Bale: 21013 Cubic Feet
 
Length 1:
Length 2: 39.41 Meters Registered
Beam: 7.11 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.88 Meters Depth, moulded
Draught:
 
Configuration Changes

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1931-08-27 BERENT
Manager: Harm Mulder BZn., Voorburg, Netherlands
Owner: N.V. Scheepvaart-Maatschappij 'Zeeuwsch-Vlaanderen', Terneuzen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Terneuzen / Netherlands
Callsign: NGVH
Additional info: callsign 1934 PDAT

Date/Name Ship 1937-12-07 NORA
Manager: C.A. Groeneveld, Rotterdam, Netherlands
Owner: N.V. Scheepvaart-Maatschappij 'Zeeuwsch-Vlaanderen', Terneuzen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Terneuzen / Netherlands
Callsign: PGJW
Additional info:

Ship Events Data

1931-00-00: Aanvankelijk 'Apollinaris VIII', besteld door P. Fauchey's Cargadoorskantoor N.V., Rotterdam (Harm Mulder en A.W. van der Heide). Uitgerust met hulpzeilen.

1931-07-18: Algemeen Handelsblad 18-07-1931: Scheepsbouw. Te Enkhuizen is van de werf “Vooruit" met gunstig gevolg te water gelaten het motorzeevrachtschip „Apollinaris VIII", groot 350 ton, overzee. De hoofdafmetingen zijn: 42 (0.a.) X 7.10, X 2.90 m. De voortstuwer zal bestaan uit een, 150—180 P.K. „Brons"—Appingedam motor, 3 cylinder, 2 tact. Het schip is gebouwd voor rekening van den heer H. Mulder te Voorburg, onder klasse Lloyds Register 100 A I en Scheepvaart- Inspectie en is een zusterschip van de „Apollinaris VII", die voor eenigen tijd met gunstig gevolg heeft geproefstoomd.

1931-08-27: Op 27-08-1931 als BERENT, zijnde een motorschip, groot 845.60 m3, liggende te Enkhuizen, door B. Bakker, scheepsmeter te Amsterdam, ten verzoeke van de N.V. Scheepvaart Maatschappij Zeeuwsch Vlaanderen te Voorburg, van haar brandmerk voorzien, door het inbeitelen van 5189 Z ROTT 1931 in achterkant luchtkap motorkamer (naast ingang) op het achterschip.

1931-11-13: Voorwaarts 13-11-1931: Berent. Yarmouth (Nor.), 11 Nov. Het Nederlandsche motorschlp Berent, van Denemarken naar Colchester met aarde, is hier hedenmorgen binnengeloopen met motorschade. Het is van Smith's Knoll naar de reede alhier gesleept door den drifter Ocean Swell, verder in de haven door de sleepboot Tactful.

1931-12-00: Het schip was nog slechts kort in de vaart toen ze ernstige motorschade opliep. Het was onder kapitein Geert Timmer onderweg van Bo’ness in Schotland naar het Deense Krik toen op 12 dec. 1931 de motor hevig begon te stoten. De oorzaak bleek het warmlopen van twee krukpenmetalen te zijn als gevolg van een gebrek in smering. De schade kon niet door de matroos motordrijver worden verholpen zodat de zeilen werden bijgezet om te proberen een noodhaven te bereiken. Volgens de kapitein waren deze zeilen echter te klein in verhouding tot de grootte van het schip, daardoor en wegens de geringe wind kon onvoldoende snelheid worden gemaakt om zelfs maar koers te houden. De volgende dag werd door middel van het hijsen van het vlaggesein XW de passerende trawler 'GY 1021' gepraaid. De schippers kwamen overeen dat er geen sleepcontract zou worden opgemaakt , maar dat het sleeploon in arbitrage zou worden vastgesteld. De 'Berent' werd naar de dichtstbijzijnde haven (South Shields ) gesleept waar de schade werd hersteld en hierna werd de reis naar Krik vervolgd.
Voorwaarts 15-12-1931: Berent. Londen, 15 Dec. Het Nederlandsche motorschip Berent van Boness naar Limfjord bestemd is met ontredderde machine de Tyne binnengebracht.
Voorwaarts 17-12-1931: Berent. Newcastle, 15 Dec. Het Nederl. motorschip Berent (meer gemeld) is op ongeveer 175 mijl Oost van de Tyne opgepikt door den Grimsby trawler GY 1021 (Corcyra) en hier binnengebracht. Met het herstellen der schade zullen ongeveer drie dagen gemoeid zijn.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Vrijdag 17 en Zaterdag 18 Juni 1932, no. 116. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart: No. 63. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de motoraverij aan boord van het motorschip Berent gedurende de reis op de Noordzee. Op 12 December 1931 is aan boord van het motorschip Berent, gedurende de reis op de Noordzee, ernstige schade aan den motor ontstaan, ten gevolge waarvan sleephulp moest worden ingeroepen. In overeenstemming met het voorstel van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart besliste de commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, bedoeld bij art. 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van dit ongeval zou instellen, welk onderzoek ter zitting van den Raad van 15 April 1932 in tegenwoordigheid van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart heeft plaats gehad. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der Scheepvaart-inspectie, waarbij rapporten van de deskundigen der inspectie, den expert M. Robaard en den adjunctinspecteur J. den Hollander, omtrent de schade en de vermoedelijke oorzaak. De kapitein van de Berent, Geert Timmer, was niet op de hem gezonden oproeping als getuige verschenen. Gemeld rapport van den expert Robaard is door den secretaris ter zitting voorgelezen. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het Nederlandsche motorschip Berent, kapitein Geert Timmer, metende 298,50 bruto-, 210,57 netto-registerton, toebehoorende aan de Naamlooze Vennootschap Scheepvaart Maatschappij „Zeeuwsch Vlaanderen" te Voorburg, was in de maand December 1931 op reis van Boness in Schotland naar Krik in Denemarken. Op 12 December 1931, des middags 12.45 uur, varende op de Noordzee, begon de motor, die volle kracht werkte, plotseling hevif te stooten. De motor bleek door het warmloopen van twee krukpenmetalen dusdanig te zijn beschadigd, dat de schade op zee niet kon worden hersteld. De zeilen werden bijgezet, doch hiermede was geen voldoende vaart in het schip te krijgen om te manoeuvreeren. Men bleef drijvende en is den volgenden dag door een Engelschen trawler naar de Tyne gesleept. Te South Shields is de schade nagezien en hersteld, waarop de reis naar Denemarken is ondernomen. Aan het rapport van den expert Robaard, die te Rotterdam, in opdracht van den inspecteur voor de scheepvaart aldaar, aan boord van de Berent, liggende in de Maashaven, een onderzoek heeft ingesteld, zij het volgende ontleend: ,,De voortstuwingsmotor bestaat uit een driecylinder enkelwerkenden niet omkeerbaren H.D. tweetact Bronsmotor, met keerkoppeling tusschen kruk en schroefas. De keerkoppeling is van uit het stuurhuis te bedienen. De werking van de koelwaterpomp is in het stuurhuis te controleeren door een koelwaterdrukmeter; de smeeroliepomp is, wat de werking aangaat, alleen in de motorkamer te beoordeelen. Hierbij zij nog opgemerkt, dat de smeerinrichting van den motor bestaat uit een smeeroliepompapparaat voor de cylindersmering, door den motor gedreven, en een eveneens door den motor gedreven smeeroliepompje, aangebracht tegen den voorkant van de krukkast; dit smeeroliepompje is een geheel gesloten tandradpompje voor de smering van de krukas- en drijfstangmetalen van den motor. Dit smeeroliepompje zuigt de in den krukkastbodem staande smeerolie door een eveneens in den krukkastbodem liggenden smeeroliefilter (bestaande uit een geperforeerde pijp) en verder door een buiten den motor aangebrachten smeeroliekoeler aan en perst de olie in een pijpje, uitmondende boven een open bakje. Van dit buiten de krukkast uitstekende bakje loopt een olieleiding in de krukkast, van waaruit de smeerolie vrij toeloopt door pijpjes naar de krukas- metalen en naar holle smeerringen, op de buitenzijde der krukwangen aangebracht, van uit welke smeerringen de olie door in de krukken geboorde oliekanalen de krukpenmetalen bereikt. Door de centrifugale werking van de olie in de op de krukwangen gemonteerde smeerolieringen wordt de smeerolie met eenige kracht in de krukpenmetalen gedreven. Zooals boven gezegd, is de werking van het smeeroliepompje buiten de krukkast te controleeren door den afvoer van olie in het open bakje, doch van buiten af is niet te controleeren, of naar elk metaal van de krukas in het bijzonder voldoende smeerolie toestroomt uit de pijpjes, welke van de gemeenschappelijke olieleiding in de gesloten krukkast zijn afgetakt. De schipper en de matroos-motordrijver hebben verklaard, dat het smeeroliepompje en de motor om 12 uur 's middags op 12 December goed werkten, terwijl reeds om 12.45 uur de motor door warmgeloopen krukpenmetalen van den voorsten en achtersten cylinder moest worden gestopt. Dat noch de schipper, noch de matroos-motordrijver de sterk beschadigde krukpenmetalen konden opzuiveren, komt mij begrijpelijk voor, hoewel ze het hebben beproefd, terwijl bovendien slechts één reserve krukpenmetaal aanwezig was, terwijl twee krukpenmetalen geheel waren uitgeloopen. Dergelijke werkzaamheden kunnen moeilijk door niet- vakmenschen worden uitgevoerd. Bij aankomst te Shields (Tyne) bleken, volgens verklaring van den schipper, de oliegaatjes in de krukpensmeerringen (waardoor de smeerolie uit die ringen naar de krukpenmetalen toeloopt) op de warmgeloopen krukken verstopt en moet dus de oorzaak van het warmloopen worden toegeschreven aan onvoldoende smering der bewuste krukpenmetalen. Volgens verklaring van den schipper zou hij elke reis den oliefilter in de krukkast schoonmaken; deze filter bleek bij aankomst te Shields vol met kleine stukjes witmetaal (Babbith) te zitten, wat veroorzaakt kan zijn door het in de krukkast gevallen, uit de krukpenmetalen gesmolten witmetaal. Hierbij zij verder nog opgemerkt, dat het aanbrengen van den smeeroliefilter in de krukkast niet aan te bevelen is, daar dergelijke filters buiten den werkenden motor dienen te worden schoongemaakt.'' Ook de deskundige den Hollander acht het ongeval te wijten aan de omstandig- heid, dat geen voldoende smeerolie is toegevoerd. Een fout in de constructie acht hij niet aannemelijk. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart heeft zich aan het oordeel van de deskundigen der scheepvaartinspectie gerefereerd. De Raad is van oordeel, dat dit ongeval is veroorzaakt door het warmloopen van twee krukpenmetalen, welk warmloopen is ontstaan door een gebrek in de smering. Ook de Raad kan in hoofdzaak verwijzen naar het hiervoren mede-gedeelde rapport van den deskundige Bobaard. Alleen moet nog worden gedacht aan de mogelijkheid, dat de afloopleiding van het open bakje, welke naar de smering loopt, verstopt is geraakt. Het thans voorgevallene toont weer eens aan, dat de stelling, dat voor de behandeling van dergelijke motoren geen vakkennis is vereischt, in haar algemeenheid niet juist kan worden geacht. Indien het personeel, al bestond het dan niet uit vakmenschen, eenige kennis van motoren en hun behandeling, in het bijzonder eenige kennis van de smering, had gehad, dan ware, bij voldoende oplettendheid, het warmloopen achterwege gebleven. Welk een groot ongerief een dergelijk ongeval kan veroorzaken, is hier duidelijk gebleken. Dat de motor op zee niet voor het bedrijf gereed kon worden gemaakt, is het aan boord aanwezige personeel geenszins kwalijk te nemen. Bij eenige vakkennis van het personeel ware echter, gelijk gezegd, het ongeval niet voorgekomen. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, plaatsvervangend voorzitter, C. J. Canters, G. J. Lap, A. L. Boeser, B. C. van Walraven, leden, J. M. Jansen, plaatsvervangend buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden plaatsvervangend voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 27 Mei 1932. (Get .) B. M. Taverne, C. J. Canters, G. J. Lap, A. L. Boeser, van Walraven, J. M. Jansen, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1937-11-25: De Telegraaf 25-11-1937: Berent. — Het Nederlandsche motorkustvaartuig “Berent", 350 ton d.w. gebouwd te Enkhuizen in 1931 en van nieuwe machines voorzien in 1937 is door de N.V. Scheepvaart Mij. Zeeuwsch- Vlaanderen te Rotterdam tegen een prijs iets beneden de f 65.000 aan Nederlandsche koopers verkocht.

1938-06-19: De Maasbode 19-06-1938: m.s.”Nora”. Londen, 18 Juni. Het Nederl.motorschip “Nora” van Burea naar Falmouth bestemd met een lading hout, is met machineschade door een bergiingsstoomschip te Oregrund binnen gesleept.

1938-07-01: NvhN 02-07-1938: Delfzijl, 1 Juli. -Het motorschip ”Nora”, kapitein Snoek, liep hier heden binnen met defecten motor. Het schip is beladen met gez. hout van Burea met bestemming Falmouth. Het zal de schade alhier herstellen.

1938-08-05: Nieuwsblad van het Noorden 05-08-1938: Aanvaring Eemskanaalbrug te Appingedam. Gistermiddag kwam de kustvaarder “NORA” in aanvaring met brug 11 over het Eemskanaal. Komende uit de richting Delfzijl botste het schip eerst tegen het remmingswerk van de afgedraaide brug om vervolgens met het brughoofd in aanraking te komen. Door een en ander was de brug ontwricht en kon aanvankelijk niet weer gesloten worden. Door deze stremming, welke ongeveer een uur duurde, ontstond een groote verkeersstagnatie terwijl het verkeer gedeeltelijk omgelegd werd.

1940-01-28: Met een lading karton onderweg van Harlingen (25 jan. vertrokken) naar Londen, bij de Downs (Goodwin Sands, 1 mijl ten oosten van Deal) ten anker gegaan. De volgende dag werd ze bij de achtersteven door een drijvende mijn geraakt. Het schip bleef drijven op de lading karton, werd naar de rede van Deal gesleept en ten zuiden van de pier aan de grond gezet. Door het tij weer vlotgekomen en beschadigde het achterste gedeelte van de pier over een lengte van 80 meter. Strandde op de stuurboordzijde op het strand, naast de pier. Op 12 april 1943 verkocht voor de sloop 'as lies'. De teboekstelling wordt pas op 28-03-1952 doorgehaald. (Zie hoofdstuk 28 van het boek “De schippers Mulder”)

1940-01-30: Eemsbode 30.01.1940 (bekort) Nederlandse m.s. 'NORA' op een mijn gelopen. Alle opvarenden gered, het schip op het strand gezet. Het Nederlandse motorschip 'Nora', kapitein de heer L.T. Brinkman van Groningen, is gisteren aan de Zuidoostkust van Engeland op een mijn gelopen. Het schip kreeg ernstige averij, doch men slaagde erin het op het strand te zetten. De zes opvarenden werden gereed. De bemanning werd in het zeemanshuis te Ramsgate opgenomen. Enkelen hunner, die kwetsuren hadden opgelopen, werden eerst in een ziekenhuis behandeld. De 'Nora' mat 299 br. Ton en behoorde toe aan de Scheepvaart Mij. Zeeuwsch-Vlaanderen. Het schip was donderdag middag met een lading carton van Harlingen naar Londen vertrokken.
Leeuwarder nieuwsblad 30-01-1940: Nederlandsch m.s.”Nora” op een mijn geloopen. Het vaartuig aan de grond gezet. Bemanning vermoedelijk in veiligheid.
Het 299 br. ton metende m.s. „Nora" is gisterochtend aan de Zuid-Oostkust van Engeland op een mijn geloopen. Hoewel het schip ernstige averij kreeg, slaagde men er in, het op het strand te zetten. Men gelooft, dat de bemanning in veiligheid is. De „Nora" werd in 1931 gebouwd en behoorde thuis te Voorburg. Nader wordt omtrent de „Nora" gemeld, dat, hoewel het achterschip bij de ontploffing werd weggeslagen, waardoor het vaartuig snel begon te zinken, een te hulp gesnelde sleepboot er in geslaagd is het schip naar de kust op sleeptouw te nemen en op het strand te zetten. Men gelooft, dat de geheele bemanning zich veilig aan boord van een ander reddingvaartuig bevindt. Bij de explosie zijn de opvarenden uit hun kooien geslingerd. De „Nora” is een stalen motorschip. Het motorschip „Nora" behoort toe aan de Scheepvaart Mij. „Zeeuwsen Vlaanderen," directeur de heer C. A. Groenevelt te Voorburg. De „Nora" was Donderdagavond van Harlingen met een lading' karton naar Londen vertrokken. Kapitein van de „Nora"" was de heer L. T. Brinkman uit Groningen. Verder waren er nog 5 opvarenden aan boord.
NvhN 30-01-1940: De „Nora" was reeds half gezonken. En kon toch nog worden gesleept. Over de ontploffing welke het Nederlandsche motorschip „Nora" gisteren trof, vernemen wij uit Londen nog de volgende bijzonderheden: Toen de te hulp geroepen sleepboot bij de „Nora” was gekomen, was het schip reeds zoover gezonken, dat slechts de boeg boven water uitstak. De bemanning van de „Nora" slaagde er in een tros aan den boeg vast te maken en aldus gelukte het de sleepboot een halfgezonken schip naar de kust te brengen en daar aan den grond te zetten. De „Nora" ligt nu ietwat ten Noorden van de pier, waarop het tij haar dreef en welke zij daarbij over een lengte van 80 m. beschadigde. Het schip ligt nu met stuurboordzijde op het strand. Op het oogenblik, dat de „Nora" snel zonk, nam een reddingboot de bemanning over. Een van de opvarenden, B. Abbas, ontkwam daarbij op merkwaardige wijze den verdrinkingsdood. De ontploffing slingerde hem in het water. Hij klampte zich vast aan een plank van het gangboord en dreef een half uur rond voordat hij werd opgepikt. De kok, Van Es, werd ernstig gewond, toen de sloep, waarin hij zijn toevlucht had gezocht, kapot sloeg. Hij werd in een ziekenhuis opgenomen, waarheen ook kapitein Brinkman en stuurman De Vries werden vervoerd om verbonden te worden. Beiden konden hierna huns weegs gaan.
Een Groninger kapitein. De „Nora" is een stalen motorschip en behoort toe aan de scheepvaart Mij. Zeeuwsch- Vlaanderen, directeur de heer C. A. Groenevelt te Voorburg. De „Nora" was Donderdagmiddag van Harlingen met een lading karton naar Londen vertrokken. Kapitein van de „Nora" was de heer L. T. Brinkman uit Groningen. Verder waren er nog 5 opvarenden aan boord.
De Maasbode 30-01-1940: De op 'n mijn geloopen „Nora”. Hoe de bemanning werd gered. Men seint ons uit Londen: Over de ontploffing welke het Nederlandsche motorschip „Nora" trof, vernemen wij nog de volgende bijzonderheden: Toen de te hulp geroepen sleepboot bij de „Nora" was gekomen, was het schip reeds zoover gezonken, dat slechts de boeg boven water uitstak. De bemanning van de „Nora" slaagde er in een tros aan den boeg vast te maken en aldus gelukte het de sleepboot een halfgezonkcn schip naar de kust te brengen en daar aan den grond te zetten. De „Nora" ligt nu ietwat ten Noorden van de pier, waarop het tij het schip dreef en welke het daarbij beschadigde. Op het oogenblik, dat de „Nora" snel zonk, nam een reddingboot de bemanning over. Een van de opvarenden, B. Abbas, ontkwam op merkwaardige wijze den verdrinkingsdood. De ontploffing slingerde hem in het water. Hij klampte zich vast aan een plank van het gangboord en dreef een half uur rond, voordat hij werd opgepikt. De kok, van Es, werd ernstig gewond, toen de sloep, waarin hij zijn toevlucht had gezocht, kapot sloeg. Hij werd in een ziekenhuis opgenomen, waarheen ook kapitein Brinkman en stuurman De Vries werden vervoerd om verbonden te worden. Beiden konden hierna huns weegs gaan. United Fress seint ons nog uit Londen: Na een half uur in open zee te hebben rondgezwommen werd de matroos B. Abbas van het Nederl. motorschip „Nora" opgepikt door een schip dat eveneens vijf andere leden der bemanning had gered. Tijdens de ontploffing die aan het achtergedeelte van het schip plaats vond werd de kok van Es ernstig gewond. De kapitein H. Brinkman geholpen door zijn broer, den machinist M. Brinkman wist den kok aan dek te brengen. De kapitein en de kajuitsjongen H. de Vries zijn door rondvliegende stukken gewond maar aleen de kok moest naar het ziekenhuis. Abbas verklaarde aan een onzer correspondenten dat hij door de explosie in het water werd geworpen maar dat hij erin slaagde een stuk hout vast te grijpen en zich drijvende te houden totdat hij werd gered. Vijf andere leden der bemanning konden het schip niet verlaten omdat de reddingsboot was vernield. Zij wisten echter via de boegspriet het schip te bereiken dat ook Abbas had gered.
De courant 30-01-1940: Alle opvarenden van de „Nora” gered. Een der mannen gewond. Knap staaltje bergingswerk. (Van onzen correspondent).
Londen, 29 Jan. — Het bergingsvaartuig, dat het Nederlandsche 299 ton metende kustvaartuig „Nora", dat heden aan de Zuidoostkust van Engeland op een mijn is geloopen, te hulp kwam, volbracht een schitterend stuk bergingswerk. Toen de „Nora" op de mijn was geloopen, werd de. achtersteven van het schip volkomen weggeslagen en begon het zoo snel te zinken, dat alleen de boeg boven water uitstak, toen het bergingsvaartuig ter plaatse kwam. Nadat een tros aan den boeg was vastgemaakt, sleepte het bergingsvaartuig het zinkende schip naar de kust en zette het aan den grond. Het rijzende getij bracht de „Nora" later verder landwaarts, doch daarna dreef het water het schip dwars voor de pier, die in tweeën werd geramd, waardoor een gat ontstond van 70 a 100 meter. De „Nora" ligt thans op het strand, iets ten Noorden van de beschadigde pier. Kapitein D. L. Brinkman vertelde ons nog: „Het zal vanmorgen zoowat kwart over zeven zijn geweest, toen de „Nora" plotseling door een mijnontploffing werd getroffen. Het was een hevige ontploffing. Het achterschip werd haast geheel vernield. Wij waren in de buurt van een haven aan de Zuidoostkust en gelukkig bevond zich een Britsch onderzoekingsvaartuig in de nabijheid. Wij maakten enkele hachelijke oogenblikken door, voordat wij gered werden, doch wi.j werden ten slotte nog vrij spoedig opgepikt. De geheele bemanning van zes man werd gered. Wij werden naar den wal gebracht en in het zeemanshuis te Ramsgate gastvrij opgenomen. Alleen de kok F. W. Hes, die brandwonden heeft opgeloopen, is in een ziekenhuis opgenomen. Wij mogen overigens van geluk spreken, dat wij er zoo betrekkelijk goed zijn afgekomen." Zeeman B. Abbas werd opgepikt na een halfuur in het water te hebben gelegen. Toen de ontploffing plaats vond, werd de kok uit het kombuis gesleept door kapitein Brinkman en diens broer M. Brinkman, den machinist. De kapitein en de stuurman H. Deuries waren licht gewond door scherven, maar behoefden niet in het ziekenhuis te blijven.

1940-11-16: De Tijd 16-11-1940: Verwarde stuurman op lichtschepen?. Raad voor de Scheepvaart behandelt stranding en vergaan van de „Nora”
De kapitein van het 298,50 bruto registerton metende motorschip „Nora", eigendom van de scheepvaartmaatschappij „Zeeland", had zich in twee zaken voor den Raad voor de Scheepvaart te verantwoorden. De eerste zaak betrof de stranding van dit schip nabij de boei van West Sunk op 7 Maart 1939. De tweede een ontploffing van een mijn, waardoor het schip zwaar beschadigd werd, toen dit op 29 Januari 1940 op de reede van Deal lag. De kapitein werd als getuige op schuldvraag gehoord. De stranding van het schip was gebeurd, toen het met een lading gerst van Londen een reis naar Yarmouth maakte. Op 6 Maart 1939 verliet het schip Londen. Er was geen loods aan boord. De kapitein gaf om 1 uur 's nachts de wacht aan den stuurman over. Anderhalf uur later strandde het schip op ongeveer een halve mijl ten W.N.W. van de boei van West Sunk. Uit de schriftelijke verklaring van den stuurman, die niet ter zitting aanwezig kon zijn, bleek, dat het schip slecht stuurde en de verlichting in de stuurhut veel te wenschen overliet. De batterij der verlichting was uitgeput. Volgens den stuurman had hij den kapitein hierop herhaalde malen gewezen. Ook de overige navigatiemiddelen lieten veel te wenschen over. Een deskundige van de schepeninspectie, die, nadat de „Nora" in Rotterdam was binnengeloopen, een onderzoek instelde, zeide in het door hem uitgebrachte rapport, dat gebleken was, dat de verlichting boven de kaartentafel en het kompas niet brandde. Er was daar ook geen petroleumlamp. De stuurman moest helpen bij het sturen en onderwijl met behulp van een zaklantaarn de kaart lezen. De koers was van tevoren niet vastgesteld, zoodat de stuurman de geheele navigatie moest verzorgen. Hij had reeds eerder op de Theems gevaren. Mogelijk is de stranding veroorzaakt, doordat de stuurman twee lichtschepen heeft verward. De stuurman heeft waarschijnlijk alleen op de lichten gevaren, doordat de verlichting op de brug zóó slecht was, dat hij het kompas niet kon zien. Gedetailleerde instructies omtrent den te varen koers had de kapitein niet achtergelaten. De stranding had aan het schip bodemschade veroorzaakt, welke later is geconstateerd. Bij de ontploffing, welke ter reede van Deal de „Nora" trof, is het schip geheel verloren gegaan. Het schip was met een lading karton op weg naar Londen. Het moest wachten in de Downs. De mijn was te voren door den uitkijk gezien. De kapitein riep de bemanning bijeen en enkele oogenblikken later dreef de mijn tegen het achterschip en volgde de ontploffing. De kok werd gewond en kon met moeite gered worden. De schepelingen zijn met een sleepboot van boord gehaald en in Ramsgate geland. De stuurman, die de mijn had zien naderen, zeide in zijn schriftelijke verklaring, dat alles zich zóó snel had afgespeeld, dat geen maatregelen konden worden genomen. In beide zaken zal de Raad later uitspraak doen.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Dinsdag 28 Januari 1941, no.19. Uitspraak voor den Raad voor de Scheepvaart: No.2. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de stranding van het motorschip Nova onder de Oostkust van Engeland. Betrokkene: kapitein Trienko Lammert Brinkman. Op 7 Maart 1939 is het motorschip Nora, op reis van Londen naar Great Yarmouth, nabij de boei van West Sunk aan den grond geloopen. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze stranding zou instellen. Bovendien besliste genoemde commissie, dat het onderzoek tevens zou loopen over de vraag, of niet het ongeval mede is te wijten aan schuld van den kapitein Trienko Lammert Brinkman, wonende te Noordbroek. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 15 November 1940 buiten tegenwoordigheid van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart, die verhinderd was de zitting bij te wonen. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der Scheepvaartinspectie en hoorde den kapitein, voornoemd, als betrokkene buiten eede. De voorzitter zette den betrokkene doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren, hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. De stuurman J. H. Meuldijk is door den Raad niet kunnen worden gehoord wegens onbekende verblijfplaats. Zijn destijds bij de Scheepvaartinspectie afgelegde verklaring is ter zitting voorgelezen, zoomede een rapport omtrent de verlichting aan boord van het m.s. Nora, opgemaakt te Rotterdam door den inspecteur voor de scheepvaart A. Wolkammer. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het motorschip Nora is een Nederlandsch vaartuig, metende -98,50 bruto-, 210,57 netto-registerton, roepnaam P G J W, van de Scheepvaart Maatschappij „Zeeuwsch Vlaanderen", te Voorburg. Op 6 Maart 1939 vertrok het motorschip Nora van Londen met bestemming Great Yarmouth, beladen met gerst. De bemanning bestond uit 6 personen. De diepgang was vóór 8 voet, achter 9 voet 11 duim. Om 1 uur 's nachts van 7 Maart ging de kapitein van dek, de wacht overlatende aan den stuurman. De voorgelezen verklaring van den stuurman J. H. Meuldijk, oud 47 jaar, houdt zakelijk in: Hij is in het bezit van een diploma als derde-stuurman groote handelsvaart. Nadat hij de wacht had overgenomen, heeft hij tusschen de boeien en lichtschepen door genavigeerd. Eenigen tijd nadat liet lichtschip van Middle Sunk was gepasseerd, liep het schip aan den grond, gelijk bij dagworden bleek ongeveer een halve mijl in peiling westnoordwest van de boei van West Sunk. Als oorzaak van het ongeval geeft hij op het slechte sturen van het schip en de slechte verlichting in de kaartenkamer, daar de batterij van de verlichting uitgebrand was, een omstandigheid, waarop hij den kapitein meermalen attent had gemaakt. De kapitein T. L. Brinkman verklaarde, dat de stuurman bij het overnemen van de wacht wel order kreeg hem te waarschuwen, wanneer het mistig zou worden, doch dat de stuurman overigens zelfstandig moest navigeeren; dat het, toen hij van dek ging, helder zicht was en het licht van het vuurschip Mid Barrow, waarop de koers aanliep, recht vooruit was; dat hij te 2.40 uur door den stuurman geroepen werd, omdat het schip aan den grond zat; dat de stuurman in zijn verklaring spreekt over het passeeren, kort vóór de stranding, van een lichtschip van Middle Sunk; dat hij daarmede vermoedelijk zal hebben bedoeld het lichtschip Barrow Deep, welk lichtschip althans na de stranding aan bakboord achteruit te zien was. De inspecteur voor de scheepvaart te liotterdam A. Wolkammer heeft op 12 Juni 1939 te Botterdam aan boord van de Nora een onderzoek ingesteld. Het is toen gebleken, dat de verlichting boven de kaartentafel en bij het kompas niet brandde, omdat de accu leeggebruikt was. De kapitein beweerde wel, dat dan een electrische zaklantaarn werd gebruikt, maar ook deze bleek uitgeput. Petroleumverlichting was boven de kaartentafel niet aanwezig. Na voorlezing van bovenstaande bevindingen gaf de kapitein toe, dat het zeer wel mogelijk was, dat de accu van het licht in het stuurhuis — door den stuurman in diens verklaring ,,kaartenkamer" genoemd — leeggebruikt was, doch dat in zoo'n geval de kaart in den salon kan worden geraadpleegd, waar petroleumverlichting aanwezig was. Voorts verklaarde hij nog, dat na het rapport, uitgebracht door den inspecteur Wolkammer, een petroleumlamp ter verlichting van het stuurhuis is aangebracht.
De Raad is van oordeel, dat de stranding van het motorschip Nora mede aan de schuld van den kapitein is te wijten. De stuurman, die de wacht had, zal zich hoogstwaarschijnlijk vergist hebben met de boei van N.E. Gunfleet en de Sunk-headboei. In elk geval was hij, wat de betrokkene, toen hij aan dek kwam, dadelijk zag, veel te ver van Barrow Deep af, op welk lichtschip hij had moeten aanhouden. Deze fout in de gevolgde navigatie komt dus ten laste van den stuurman. De betrokkene had echter geen enkele geldige reden om niet zelf de navigatie te leiden. Hij was, gelijk hij verklaarde, niet vermoeid en had niet den stuurman, die trouwens eerst een paar maanden aan boord was, van licht tot licht mogen laten varen, zonder zeer nauwkeurige instructies. De kapitein is de verantwoordelijke man en hij mag zich onder omstandigheden als zich hier voordeden alleen van de brug begeven, wanneer dit noodzakelijk is tot het bekomen van rust. Daartoe zou zich trouwens spoedig genoeg de gelegenheid voordoen. De kapitein heeft dus niet voldoende zorg gehad voor de navigatie. Ook overigens liet de toestand aan boord te wenschen over. De stuurman voerde tot zijn verontschuldiging aan, dat de verlichting alles te wenschen overliet. In het stuurhuis was geen licht en het kompas was niet verlicht. Zelfs het licht van een zaklantaarn stond niet te zijner beschikking. De kapitein, die oorspronkelijk anders verklaarde, heeft dit alles ten slotte moeten toegeven. Of hier echter een oorzakelijk verband tusschen dit gemis van verlichting en de stranding aanwezig is, staat, naar 's Raads oordeel, nu op de lichten werd gevaren en geen bepaalde kompaskoersen werden gestuurd, niet vast. Voor het raadplegen van de kaart had de stuurman echter naar beneden moeten gaan, waar, gelijk de kapitein verklaarde, wel een petroleumlicht brandde. Het was dus voor den stuurman wel moeilijk om zich van de al of niet juistheid der navigatie te vergewissen. Hoe dit achter ook zij, de Raad wil, nu door omstandigheden buiten den wil van den betrokkene deze zaak eerst meer dan anderhalf jaar na hét gebeurde kan worden behandeld, geen straf van schorsing opleggen, doch met een berisping volstaan. Mitsdien: Straft den betrokkene Trienko Lammert Brinkman, geboren 6 April 1908, wonende te Noordbroek, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eerstepiaatsvervaiigend-voorzitter, J. N. Egmond, lid, J. T. A. J. Bruinsnia, plaatsvervangend lid, G. Mulder, buitengewoon lid, m tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjecnk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 15 Januari 1. 41. (get.) B. M. Taverne. H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Dinsdag 28 Januari 1941, no. 19. Uitspraak voor den Raad voor de Scheepvaart:No. 3. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de mijnontploffing, waardoor liet ter reede van Deal ten anker liggende motorschip Nora is getroffen. Op 29 Januari 1940 is het motorschip Nora, terwijl het ter reede van Deal ten anker lag, door ontploffing van een tegen het achterschip gedreven mijn getroffen. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit (len Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van dit ongeval zou instellen. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 15 November 1940 buiten tegenwoordigheid van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart, die verhinderd was de zitting bij te wonen. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der Scheepvaartinspectie en hoorde als getuige Trienko Lammert Brinkman, kapitein op de Nora ten tijde van het ongeval. De verklaring door den stuurman H. W. J. de Vries, destijds afgelegd bij de Scheepvaartinspectie, is ter zitting voorgelezen, daar deze niet als getuige kon worden opgeroepen wegens onbekend adres. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het motorschip Nora was een Nederlandsch vaartuig, metende 298,50 bruto-, 210,57 netto register ton, roepnaam
PGJW, van de Scheepvaart Maatschappij Zeeuwsch Vlaanderen te Voorburg. Op 28 Januari 1940 ankerde de Nora in de Downs, ter reede van Deal. Het schip kwam van Harlingen, diepgang bij vertrek vóór 8 voet. achter 9 voet, en was beladen met karton, bestemd voor Londen. De ter zitting voorgelezen verklaring van den stuurman Hendricus Willem Johannes de Vries, oud 37 jaar, komt in hoofdzaak neer op het volgende: Op 29 Januari 1940, terwijl bet schip te midden van een groot aantal andere vaartuigen ter reede van Deal voor anker lag werd hij des morgens omstreeks te 7.10 uur door den wacht hebbenden matroos geroepen, omdat er een mijn op het schip af kwam drijven. Met den stroom dreef deze mijn tusschen de andere schepen door en was gezien op een afstand van ongeveer 25 m. Toen getuige aan dek kwam, was de mijn nog slechts ongeveer 4 m van het schip verwijderd. Het was een groen gekleurde mijn, met een middellijn van ruim 1 m, waaraan 8 voelhoorns en nog een langere in het midden. Deze mijn dreef tegen het schip en ontplofte, zoodat het geheele achterschip werd vernietigd. Het gelukte allen nog tijdig behouden aan dek te komen, behalve aan den kok, die zwaar gewond werd. Door een Engelsche sleepboot is de bemanning te Ramsgate aan land gebracht. De kapitein heeft verklaard, dat hij, in den morgen van 29 Januari te kooi liggende, werd gewaarschuwd, dat er een mijn op het schip aan kwam drijven; dat er ankerwacht werd geloopen; dat hij persoonlijk de mijn niet heeft gezien; dat de Nora, ten anker liggende, niet geheel op stroom lag, doch eenigszins scheef. De op 30 Januari 1940 te Dover afgelegde scheepsverklaring houdt o.m. in : dat b.b.-reddingboot bij het ongeval verloren is gegaan en de davits van s.b.-boot dusdanig beschadigd waren, dat deze boot niet dadelijk te water kon worden gelaten; dat een Engelsche sleepboot de opvarenden overnam, nadat eerst de matroos Abbas, die overboord was gesprongen, uit het water was gehaald; dat allen te Ramsgate zijn geland en de zwaar verwonde kok aldaar in een ziekenhuis is opgenomen; dat de kapitein niet met zekerheid weet te zeggen, wat er met zijn schip is gebeurd, doch dat hij heeft gehoord, dat een andere sleepboot het naar de pier te Deal heeft gebracht, waarvan het later is weggedreven en gestrand, terwijl de lading er uit is gespoeld. De Raad is van oordeel, dat het motorschip Nora, ten anker liggende op de reede van Deal, door een drijvende mijn is getroffen. Of door het werken met motor en roer de aanraking met de mijn nog had kunnen worden voorkomen, kan thans niet meer worden uitgemaakt. Het is in elk geval niet beproefd. De positie van het schip was zoodanig, dat het niet gestrekt op den stroom lag. De mijn heeft het schip dan ook aan b.b.-achterschip getroffen. De Raad heeft voorts nog de vraag onder de oogen gezien, of hier een zuiver geval van een drijvende mijn — een mijn, die dus niet geactiveerd behoort te zijn — aanwezig is, dan wel een mijn, die nog door krabbend anker of ankerketting geactiveerd was. Hoewel het ver boven water uitsteken van de mijn en het snel aandrijven wel op een drijvende mijn wijst, zoodat dus in dat geval de inrichting tot het inactief maken van de mijn niet goed zou hebben gewerkt, zijn de verkregen gegevens toch niet voldoende om op dit punt een bepaalde conclusie te wettigen. Wat na de redding der bemanning het verdere lot van het schip is geweest, daaromtrent kon de kapitein geen zekerheid verschaffen. Aldus gedaan door de heeren prof. mr, B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend-voorzitter, J. N. Egmond, lid, J. T. A J. Bruinsma, plaatsvervangend lid, G. Mulder, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's liaads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 15 Januari 1941. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

Ship Masters Data

Images


Description: Berent 1931
Image type: Photo

Description: Nora 1931 ex Berent.
Image type: Photo
Sources

General information regarding this ship

 

RN 100339
Great Yarmouth, 8 maart. Het Ned. motorschip NORA, geladen met gerst, is hier gisteravond van Londen aangekomen. Het schip heeft op de Little Sunk aan de grond gezeten, doch is later zonder assistentie vlot gekomen. De kapitein rapporteert dat het schip ogenschijnlijk onbeschadigd is.

RN 070939
Kopenhagen, 3 september. Het Nederlands motorschip NORA is gisteren kort na het vertrek van Frederikssund, gestrand. De kapitein riep de hulp in van twee lichters te Frederikssund. Nadat de ene was geladen en naar de haven wilde terugkeren is dit vaartuig gezonken. Gisteravond werd getracht de NORA op eigen kracht vlot te brengen, doch men verwachtte dat assistentie nodig zou blijken. Volgens een later bericht is het motorschip NORA, nadat de lading was gelost, vlot gekomen en te Frederikssund teruggekeerd. Omtrent schade is niets bekend. Het schip wacht thans instructies af in verband met de internationale toestand.