Name ship: BERNINA

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1936
Classification Register: Germanischer Lloyd (GL)
IMO number: 5044398
Nat. Official Number: 5700 Z ROTT 1936
Category: Cargo vessel
Propulsion: Motor Vessel
Type: General Cargo
Standard Ship Type:
Type Deck: Flush deck
Masts: One mast
Rig: 2 derricks
Lift Capacity:
Material Hull: Steel
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: Gutehoffnungshütte-Oberhausen A.G., Rheinwerft 'Walsum', Walsum, Germany
Yardnumber: 792
Date Laid Down:
Launch Date: 1935-12-04
Delivery Date: 1936-01-16
Technical Data

Engine Manufacturer: Gebr. Sulzer A.G., Winterthur, Switzerland
Engine Type: Motor, Oil, 2-stroke single-acting
Number of Cylinders: 4
Power: 195
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Sulzer (1914) Type (x), 10 1/4-13 3/4
Speed in knots: 8.00
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 329.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 150.00 Net tonnage
Deadweight: 413.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 19071 Cubic Feet
Bale: 17800 Cubic Feet
 
Length 1:
Length 2: 41.44 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 7.33 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.65 Meters Depth, moulded
Draught: 2.75 Meters Draught, maximum
 
Configuration Changes

1936-00-00: De motoren die werden ingebouwd in 1936 waren zeker een koopje want ze stamden uit 1914 waren weliswaar gereviseerd in 1935, maar het blijkt wel dat ze niet voldeden want werden al vervangen in 1938.

1938-00-00: 1938 gehermotoriseerd: 2tew 6 cil 325 PK Sulzer no's 23167 en 23172 Type (250x330) 9,5 Kn.

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1936-01-31 BERNINA
Manager: Schellen Scheepvaart en Bevrachting N.V., Rotterdam, Netherlands
Owner: Schellen Scheepvaart en Bevrachting N.V., Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PDBC
Additional info:

Date/Name Ship 1954-08-18 ROTTUM
Manager: Kamp's Scheepvaart- en Handelmaatschappij N.V., Groningen, Netherlands
Owner: Rederij Motorkustvaartuig 'Rottum', Groningen, Netherlands
Shareholder: Harm Pieter Veling, Klaas Kamp, V.o.F. Gebr. Barkmeijer (Popko, Tammo en Gerrit Barkmeijer), Groningen
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PHEQ
Additional info:

Date/Name Ship 1956-04-26 BIESBOSCH
Manager: N.V. Scheepvaartbedrijf "Gruno", Groningen, Netherlands
Owner: Kustvaartrederij 'Biesbosch', Rotterdam, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PDCU
Additional info: Abel Koopman & Marten Buitenkamp.

Ship Events Data

1936-02-10: Op 10-02-1936 als BERNINA, zijnde een schroefmotorschip, metende 329.41 ton, liggende te Rotterdam, door B. Klop, scheepsmeter te Rotterdam, ten verzoeke van Schellen Scheepvaart & Bevrachting N.V. te Rotterdam, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 5700 Z ROTT 1936 op het achterschip midscheeps bij den roerkoning.

1936-04-08: De Tijd 08-04-1936: Scheepvaartverbinding Bazel—Londen. Goederenverkeer via Rotterdam. Het in opdracht van een Nederlandsch—Zwitsersche scheepvaartonderneming op een werf in Oberhausen gebouwde motorschip „Albula" heeft kortelings zijn eerste vaart naar Rotterdam gemaakt, om voor een geregelden dienst van Bazel over den Rijn via Rotterdam naar Londen in dienst gesteld te worden. Een zusterschip, dat den naam „BERNINA" zal dragen, is nog in aanbouw. De nieuwe Bazel-Londen-lijn zal in de eerste plaats dienen voor het goederenverkeer tusschen Zwitserland en Engeland, doch daarbij tegelijkertijd de verbinding met Nederland via den Rijn tot stand brengen. Het ligt in het voornemen in de toekomst de vaart over de Noordzee ook tot andere havens dan Londen uit te breiden.

1936-04-24: De Bernina kwam op 24 juni 1936 binnen te Basel met een lading suiker direct van London, een kunststukje dat nog niet eerder was vertoond met een zeeschip. Het was een hele gebeurtenis, er werd veel reclame gemaakt en bij de intocht werd het schip dan ook feestelijk begroet door duizenden mensen die zich aan de oevers van de Rhein een plaatsje hadden weten te veroveren. Er voer ook een salonboot met vertegenwoordigers van regering en bedrijfsleven op de rivier om op gepaste wijze deze gebeurtenis te markeren. Het is dan ook de dag die wordt gezien als het ontstaan en de bemoeingen van de Schweizerischen Reederei AG van de Zwitserse vlag ter zee.

1936-07-25: De Sumatra post 25-07-1936: Zwitsersche zeevaarders. De zeehaven van Bazel is kortelings officieel ingewijd door de aankomst van het 500 ton metende vrachtschip „Bernina" uit Londen — het eerste zeeschip, dat ooit de Zwitsersche wateren bereikte, en ook het eerste aan een Zwitsersche redery behoorende schip, dat de wateren der Noordzee heeft gekliefd. Met haar zusterschip de „Albula" zal de „Bernina" voortaan een geregelden dienst onderhouden tusschen Bazel Londen en Gotenburg, via Rijn en Noordzee.

1936-09-02: Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van Dinsdag 8 Juni 1937, no. 107. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart: No. 53. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de klacht van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen Kommer Pieter Kwak, kapitein van het motorschip Bernina, wegens het ondernemen van een reis met zijn schip in overladen toestand. Op 16 October 1936 is door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart bij den Raad voor de Scheepvaart een klacht ingediend van den volgenden inhoud: De waarnemend inspecteur-generaal voor de scheepvaart, verwijzende naar de hierbijgaande stukken betreffende het in overladen toestand aantreffen van het motorschip Bernina in de haven van Antwerpen op 2 September 1936; overwegende, dat daaruit blijkt, dat kapitein Kommer Pieter Kwak, nadat zijn schip op 31 Augustus 1936 te Tynemouth beladen was met klei, waarbij bleek, dat het schip in overladen toestand was geraakt, desondanks met zijn schip in dezen toestand toch naar zee is vertrokken met bestemming Antwerpen; overwegende, dat deze handelwijze bij kapitein Kommer Pieter Kwak getuigt van een zorgelooze navigatie en tot ernstig gevaar voor schip en opvarenden aanleiding had kunnen geven; overwegende, dat de in voorgaande alinea's weergegeven feiten geacht moeten worden een misdraging op te leveren jegens de reederij en de schepelingen. Gelet op de artt. 48 en 49 der Schepenwet; stelt aan den Raad voor de Scheepvaart voor, en onderzoek in te stellen en den kapitein Kommer Pieter Kwak, voornoemd, te hooren. Een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 49 der Schepenwet, besliste, dat naar de gegrondheid van deze klacht een onderzoek door den Raad voor de Scheepvaart zou worden ingesteld. Dit onderzoek heeft plaats gehad ter zitting van 19 Februari 1937, in tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart. De Raad nam kennis van de ten deze door den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart overgelegde bescheiden, waarbij een proces-verbaal, opgemaakt door den consul-generaal der Nederlanden te Antwerpen op 8 September 1936, met bijlage, welke beide laatste door den secretaris ter zitting zijn voorgelezen. Kapitein Kommer Pieter Kwak, voornoemd, werd, als aangeklaagde, buiten eede gehoord. De voorzitter zette hem de beteekenis van de klacht uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren, hetgeen, hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Bernina is een Nederlandsch motorschip, metende 329,41 bruto-, 149,54 netto-registerton, roepnaam PDBC, eigendom van de N. V. Nederlandsch Zwitsersche Scheepvaart Maatschappij, te Rotterdam. Door den administrateur-inspecteur-generaal van de zeevaart te Antwerpen is op 4 September 1936 aan den consul-generaal der Nederlanden daar ter plaatse een brief gericht, waarin aan deze autoriteit kennis wordt gegeven, dat de zeevaartinspectiedienst te Antwerpen op 2 September 1936 het Nederlandsche motorschip Bernina, dat van Tynemouth was gekomen, in de haven op no. 29 der dokken heeft aangetroffen met een overlading van 2 duim. Door den consul-generaal is daarvan procesverbaal opgemaakt. De verklaring van aangeklaagde komt neer op het volgende: De Bernina is op 31 Augustus 1936 te Tynemouth beladen met klei bestemd voor Antwerpen; het schip zat tijdens het afladen aan den grond. Er was 410 ton lading besteld voor het schip, dat 415 ton laden kan. Deze lading werd gedeeltelijk met auto's, gedeeltelijk met lichters aangevoerd. De hoeveelheid, welke uit deze lichters werd geladen, was niet te controleeren. Omstreeks te 5.30 uur namiddags kwam het schip vlot; daar het ongeveer te 6 uur hoogwater zou zijn, moest de kapitein zich haasten om de haven te verlaten. De barges waren reeds vertrokken. Te Antwerpen aangekomen, bleek het schip dieper te liggen dan het certificaat van uitwatering toeliet. Tot zeewater gereduceerd lag het schip 2 duim te diep. Nadat de lading was gelost en gewogen, bleek het gewicht 421 ton te zijn. Aangeklaagde meent dit te moeten toeschrijven aan de omstandigheid, dat de barges te Tynemouth ongeveer vier dagen lang in den regen hebben gelegen, alvorens de lading werd overnomen, zoodat het gewicht daardoor grooter moet zijn geworden. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat uit het gehouden onderzoek duidelijk is gebleken, dat de Bernina te Tynemouth te diep was geladen, toen de aangeklaagde met het schip zee koos; dat immers te Antwerpen is geconstateerd, dat het schip te diep lag en wel, gereduceerd tot zeewater, twee duim; dat onderweg nog olie is verbruikt en het van de natte klei afkomstige water uit het ruim is gepompt, zoodat het vaartuig bij vertrek uit Tynemouth nog dieper moet hebben gelegen; dat de aangeklaagde, toen het schip vlot kwam, zeer goed had kunnen zien, dat het vaartuig 2 a 3 duim te diep lag; dat de klacht derhalve gehandhaafd blijft; dat de aangeklaagde nog heeft aangevoerd, dat hij zeer tegen overlading gekant is en hij het altijd heeft afgekeurd, wanneer andere kapiteins zulks deden, doch hij dan in de eerste plaats zelf er voor moet zorgen, de bepaling omtrent de toegestane minimum uitwatering niet te overtreden; dat zich in Engeland nog iets bijzonders voordoet en daar een soort campagne schijnt te worden gevoerd, vooral tegen de kapiteins-eigenaars, wegens de concurrentie, welke dezen de Engelsche zeevaart aandoen; dat nu echter juist in dit te diep laden wel een zeer onbillijk soort concurrentie kan zijn gelegen en dat dit juist een van de Engelsche klachten is; dat men in Tynemouth, zonder controle in een sluis, naar zee kan vertrekken; dat het te diep laden den goeden naam van de Nederlandsche zeevaart schaadt, zoodat daartegen streng moet worden opgetreden; dat een overlading als hier is geconstateerd zeker niet weinig is, wanneer rekening wordt gehouden met de weinige uitwatering van schepen als het onderhavige. De Raad is van oordeel, dat de klacht gegrond moet worden verklaard, met dien verstande echter, dat niet bewezen is, dat reeds te Tynemouth bleek, dat het schip in overladen toestand was geraakt, waarvoor moet worden in de plaats gesteld het objectieve feit, dat het vaartuig in overladen toestand was geraakt. Immers, niet bewezen is, dat dit den aangeklaagde reeds in Tynemouth was gebleken. Aan de gegrondverklaring van de klacht staat dit geenszins in den weg, daar de aangeklaagde zich van den diepgang van zijn schip had moeten overtuigen alvorens naar zee te vertrekken en hij er voor had moeten zorgen niet in overladen toestand zee te kiezen. De aangeklaagde heeft er zich op beroepen, dat het zoo moeilijk was, het te diep geladen zijn te constateeren, daar het schip met de eene zijde vlak tegen den steiger aan lag, terwijl aan de andere zijde een kabbelend zeetje een juiste waarneming belette. Naar s Raads oordeel is de kapitein daardoor geenszins verontschuldigd. Immers, na het vlot komen moest wel, reeds zonder opzettelijke waarneming buiten boord, bij den aangeklaagde, met het oog op de geringe uitwatering van dit schip, twijfel opkomen, of het vaartuig niet te diep geladen was, daar immers in Tynemouth de geoorloofde diepgang, zooals later is geconstateerd, met ten minste twee duim moet zijn overschreden. De kapitein heeft echter niets gedaan om er achter te komen, of zulks inderdaad had plaats gehad. Hij heeft, zooals hij verklaarde, geen cognossementen en zelfs geen „captains copy" gezien. Nu overlading niet gemakkelijk te constateeren is en in Engeland daarop scherp wordt toegezien — hetgeen echter in dit geval niet is geschied, vermoedelijk in verband met de omstandigheid, dat geen sluis moest worden gepasseerd —, is de Raad van oordeel, dat deze overtreding, waardoor de naam van de Nederlandsche zeevaart in den vreemde wordt geschaad, niet met een berisping kan worden afgedaan. Mitsdien: Straft den aangeklaagde Kommer Pieter Kwak, kapitein, geboren 13 Juli 1895, wonende te Rotterdam, door hem de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein te varen op een schip, als bedoeld bij art. 2 der Schepenwet, voor den tijd van acht dagen. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend voorzitter, G. J. Lap, A. L. Boeser en J. X. Egmond, leden, H. Th. de Booy, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 22 Mei 1937. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink, Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

1937-02-04: De Telegraaf 04-02-1937: Bernina. Londen. 3 Febr. — Het Nederlandsche m.s. „Bernina", dat op weg was van Koningsbergen naar Bremen, is aan de Zuidkust van Bornholm gestrand, doch later met assistentie en nadat een gedeelte van de lading overboord was gezet, wederom vlotgebracht. Het schip, dat slechts lichte lekkage heeft, is te Nexo aangekomen.

1938-01-11: De Maasbode 12-01-1938: m.s. Bernina. Hansweert 11 Januari. De motorschoener Bernina, op reis van Rotterdam naar Antwerpen, kreeg ter hoogte van Dintel machineschade. Het schip kon op eigen kracht de haven van Dintel binnenloopen en zal aldaar eerst de schade herstellen.

1938-11-25: Haagsche courant 25-11-1938: Haring naar Polen. Gistermiddag is te Scheveningen binnengekomen de vrachtboot “Bernina”, om haring te laden voor Polen. De verscheping geschiedt door de Visscherij Maatschappij 'Newa” en de maatschappij “Delfing” en is aangevoerd door de hier binnengekomen motorloggers van genoemde maatschappijen.

1939-12-05: De Telegraaf 05-12-1939: Bermina en Niagara. IJmuiden, 4 Dec.- De Nederlandsche motorschepen “Bernina” en “Niagara” zijn wegens het slechte weer te IJmuiden binnen geloopen.

1940-00-00: Ligt tijdens het uitbreken van WO II met een lading cokes te Rouen. Uitgeweken naar Engeland en op 16 mei 1940 overgenomen door de Netherlands Shipping & Trading Committee, Londen. 1 juni 1945 terug aan de eigenaar.

1940-04-03: Algemeen Handelsblad 03-04-1940: Bernina. (Antwerpen, 30 Maart.) Het Ned. m.d. „Bernina", van Kopenhagen te Antwerpen aangekomen, had in het Kattegat meerdere malen last van het ijs. Het is aan den voorsteven beschadigd. Toen het schip in Rotterdam lag, werd een barst in de kiel vastgesteld.

1948-03-31: Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van Woensdag 23 Juni 1948, no.120 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart: No.127 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake het verzoek van Schellen Scheepvaart en Bevrachting N.V., te Rotterdam, tot inhouding van het monsterboekje van D. de Uyl, destijds als matroos gemonsterd op het m.s. „Bernina". Op 31 Maart 1948 heeft voornoemde rederij bij de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart een schriftelijk verzoek ingediend tot inhouding van het monsterboekje van Dirk de Uyl, geboren 21 Mei 22, wonende te Vlaardinger-Ambacht, wegens het onrechtmatig doen eindigen van de arbeidsovereenkomst omstreeks begin Maart te Brunsbüttel. De behandeling van dit verzoek door de Raad voor de Scheepvaart heeft plaats gevonden ter zitting van 24 Mei 1948, in tegenwoordigheid van de inspecteur voor de scheepvaart J. H. Th. Eerman, de Raad nam kennis van de door de inspecteur-generaal overgelegde stukken van het vooronderzoek. Aangeklaagde, hoewel behoorlijk gedagvaard, is niet verschenen. Tegen hem wordt verstek verleend en de zaak buiten zijn tegenwoordigheid behandeld. De rederij heeft haar verzoek voor de Raad niet nader doen toelichten. Uit een en ander is de Raad het volgende gebleken: Genoemde schepeling heeft op 24 Februari 1948 te Rotterdam een arbeidsovereenkomst, als bedoeld in artikel 398 van het Wetboek van Koophandel, aangegaan met voormelde rederij en is vervolgens als matroos gemonsterd op het m.s. „Bernina" voor gepaalde tijd. Toen begin Maart 1948 het m.s. „Bernina" wegens slecht weer te Brunsbüttel moest wachten, ging aangeklaagde zonder toestemming te vragen de wal op. Hij meende, dat het schip de volgende morgen te 7 uur zou vertrekken, maar kwam zelfs pas na dit tijdstip aan de kade. De „Bernina" was inmiddels vertrokken. De Engelse autoriteiten hebben hem eerst gedurende een maand in de gevangenis opgesloten, waarna hij door de Nederlandse consul te Hamburg naar Nederland is gestuurd. De inspecteur voor de scheepvaart voert aan, dat aangeklaagde de arbeids onrechtmatig heeft verbroken. Een inhouding van 3 maanden wordt voorgesteld. De Raad is met de inspecteur voor de scheepvaart van oordeel, dat aangeklaagde de arbeidsovereenkomst onrechtmatig heeft doen eindigen. De Raad wil rekening houden met de straf, die aangeklaagde reeds in Duitsland heeft ondergaan. Inhouding van het monsterboekje voor na te noemen tijd acht de Raad gerechtvaardigd. Mitsdien, recht doende bij verstek: Houdt het monsterboekje van Dirk de Uyl, geboren 21 Mei 1922, wonende te Vlaardinger- Ambacht, in voor de tijd van 1 maand, ingaande op de dag der beslissing (24 Mei 1948). Aldus gedaan door de heren mr. W. A. Vos, eerste plv. voorzitter, C. H. Brouwer en J. J. A. Oepkes, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman en uitgesproken door voornoemde voorzitter ter openbare zitting van de Raad van 24 Mei 1948. (Get.:) Vos; A. Boosman.

1948-06-21: Uitspraak Raad voor de Scheepvaart naar aanleiding van het aan de grond lopen op 21-06-1948 van het gedeeltelijk beladen m.s. Bernina op reis van Middelfort naar Odense na het passeren van boei no. 10 nabij de hoek Aebelö. Het schip kwam later met behulp van een sleepboot vlot. Oordeel van de Raad is dat het vastlopen van de Bernina veroorzaakt is door onvoorzichtige en onoordeelkundige navigatie van kapitein Diederik. De Raad straft kapitein B. Diederik te Amsterdam door het uitspreken van een berisping. Gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant op 27 juli 1949.
Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van Woensdag 27 Juli 1949, no.144. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart: No. 195 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake het aan de grond lopen van het motorschip „Bernina" nabij de hoek Aebelö op Fünen. Betrokkene: de kapitein B. Diederik. Op 21 Juni 1948 is het motorschip „Bernina", op reis van Middelfort naar Odense, na het passeren van boei no. 10 nabij de hoek Aebelö aan de grond gelopen en is later met behulp van een sleepboo weer vlot gekomen. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van dit vastlopen. Bovendien besliste genoemde commissie, eveneens in overeenstemming met het desbetreffende voorstel van de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart, dat het onderzoek tevens zou lopen over de vraag of niet het ongeval mede is te wijten aan de schuld van de kapitein van de „Bernina" B. Diederik, wonende te Amsterdam. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 12 Mei 1949, in tegenwoordigheid van de inspecteur voor de scheepvaart L. Korstanje. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein en de roerganger van het schip, een te Odense afgelegde scheeps- verklaring, een rapport van de expert van de Scheepvaartinspectie L. Mulder en het scheepsdag- boek, en hoorde de kapitein voornoemd als betrokkene buiten ede. Als getuige werd gehoord de roerganger S. du Chatinier. De door de kapitein gebezigde Deense zeekaart no. 125 was ter tafel. De voorzitter zette de betrokkene, aan wie voormelde beslissing bij deurwaardersexploot was betekend, doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip „Bernina" is een Nederlands schip en behoort toe aan Schellen Scheepvaart en Bevrachting Maatschappij N.V., te Rotterdam. Het meet 329 bruto-registerton en wordt voortbewogen door een 400 pk. Sulzer-motor. Op 21 Juni 1948 vertrok de „Bernina" te 12 uur van Middelfort naar Odense. Het schip was nog gedeeltelijk beladen. De diepgang was vóór 7' 1", achter 8' 6". De bemanning bestond uit 10 personen. Daar de kapitein het vaarwater goed kent, nam hij geen loods. Het weer was goed, doch enigszins nevelig. De wind was N.W. 4 a 5. Het schip voer langs de voorgeschreven route; te 13.40 uur werd route-boei no. 10 op korte afstand aan bakboord gepasseerd. Vanhier werd koers gesteld op de 5½ mijl verder liggende boei no. 11. Deze was niet te zien. Bij het koersstellen was rekening gehouden met een deviatie op oostelijke koersen van 3/8 streek west. De kapitein bevond zich met een roerganger op de brug. Omdat er iets haperde aan de keerkoppeling, werd met verminderde, vaart gevaren; deze was vier tot vijf mijl. Boei no. 11 is niet gezien, maar de prik met topteken, die tussen deze boei en de hoek van Aebelö ligt, werd dichtbij aan stuurboord gepasseerd; het tijdstip is niet bekend. De log was niet uit. De kapitein achtte het niet nodig eerst boei no. 12 aan te lopen en vandaar naar Odense te varen, maar zette koers naar de vijftien mijl verder liggende betrekkelijk hoge landhoek Fyens Haved. De koers, die aan de roerganger werd opgegeven, kan hij zich niet meer herinneren. Te 14.55 uur liep het schip, zonder dat iets werd gezien, aan de grond; het zicht werd geschat op 1 mijl. Het schip was vastgelopen in zachte modder en bleek geen water te maken. Men slaagde er niet in door middel van de motor en uitgebracht werpanker vlot te komen. Toen het wat opklaarde, kon men de positie bepalen en men stelde vast, dat het schip aan de grond was gelopen op N.Br. 55 -38', O.L. 10 -14.7'. In de nacht heeft een sleepboot getracht de ..Bernina" vlot te trekken, maar dit gelukte pas op 22 Juni te 14.30 uur nadat lading was verwerkt van vóór naar achter. Te 15.30 uur ankerde de „Bernina" in dieper water. Hier onderzocht een duiker de bodem, maar vond geen schade. Te 20.20 uur kwam het schip te Odense. Betrokkene heeft nog verklaard, dat hij op het afgelegde traject geen rekening had gehouden met de stroom en dat hij bemerkte, toen het schip vastzat, dat er zuid-westelijke stroom liep. Ter zitting heeft betrokkene verklaard, dat hij van het land niets zag, totdat hij vastliep. Het schip zou wel is waar goed sturen, maar een neiging hebben naar stuurboord te lopen. De roerganger is geregeld gecontroleerd. Daar het af te leggen traject maar kort was, achtte betrokkene het niet nodig de reis in het zeejournaal in te schrijven of verdere bijzonderheden daarin te vermelden. De koers is wel uit de kaart genomen, maar niet daarin gezet. De inspecteur voor de scheepvaart voert aan, dat betrokkene in verschillende opzichten in zijn plicht te kort is geschoten. Het journaal is slecht bijgehouden, koersen en tijden zijn niet vermeld. Het was onverantwoordelijk om vanaf de prik bij boei 11 koers te zetten naar Fyens Haved. Betrokkene heeft geen rekening gehouden met stroom en wind, die bij de geringe vaart van veel invloed waren. Na boei 11 is op gevaarlijke wijze gevaren en daardoor is het schip vastgelopen. De log was niet uit. Daar het schip graag bakboord uitliep, had de kapitein verder van de ondiepten moeten blijven. De inspecteur voor de scheepvaart vraagt zich af of de prik bij boei 11 wel is gezien. Hij stelt de Raad voor, op betrokkene een correctie toe te passen. De Raad is van oordeel, dat het vastlopen van het motorschip ,,Bernina" is veroorzaakt door onvoorzichtige en onoordeelkundige navigatie van de kapitein. Deze heeft dit traject zo vaak bevaren, dat hij blijkbaar de navigatie te licht heeft opgevat. Dit blijkt ook hieruit, dat betrokkene het niet nodig achtte het zeejournaal in te vullen en dat hij slechts enige aantekeningen in het havenjournaal heeft gedaan, echter geheel onvoldoende om te kunnen aangeven hoe hij heeft gevaren. De omstandigheden waren niet gunstig. Het schip kon slechts halve kracht varen; het moet vrij mistig zijn geweest, maar betrokkene voer zonder uitkijk, zonder log en heeft geen enkele keer gelood. Hij heeft geen rekening gehouden met het feit, dat het schip neiging had naar stuurboord te gaan, en heeft slechts een kwart streek drift in rekening gebracht. De kapitein heeft de officiële route losgelaten, doch kan niet aangeven welke koers hij is vóór gaan liggen. De Raad komt tot de conclusie, dat kapitein Diederik zorgeloos heeft genavigeerd en is van oordeel, dat een correctie hier op haar plaats is. Mitsdien: Straft Bastiaan Diederik, geboren 11 Maart 1892, wonende te Amsterdam, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heren mr A. Dirkzwager, tweede plv. voorzitter, C. H. Brouwer, G. J. Barendse en K. R. Bosma, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad. (Get.) A. Dirkzwager; A. Boosman.

1951-12-17: Bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van Dinsdag 3 Juni1952, no. 105. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart: No. 59. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip „Bernina" met het motorschip „Limfjord" tijdens mist op de Elbe nabij Cuxhaven. Betrokkenen: P. Spuij, kapitein van de „Bernina", en A. Doornbos, kapitein motorschip „Limfjord". Op 17 December 1951 is het motorschip „Bernina", dat op de reis van Malmö naar Parijs onder loodsaanwijzing de Elbe afvoer, tijdens slecht zicht nabij Cuxhaven in aanvaring gekomen met het motorschip „Limfjord", dat op de reis van Vlaardingen naar Aalborg zonder loods de Elbe opvoer. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld in artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze aanvaring en dat het onderzoek tevens zou lopen over de vraag of niet het ongeval mede te wijten is aan de schuld van de kapitein van de „Bernina", P. Spuij, wonende te Vlissingen, en de kapitein van de „Limfjord", A. Doornbos, wonende te Delfzijl. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 14 Maart en 1 Mei 1952, in tegenwoordigheid van de inspecteur v oor de scheepvaart J. Metz. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek, der Scheepvaartinspectie, waarbij processen-verbaal van de verhoren van de kapitein en de stuurman van de Bernina" en van de kapitein en de bestman van de „Limfjord", het scheepsdagboek van de „Limfjord" en het scheeps en machinekamerdagboek van de „Bernina", benevens de door beide schepen afgelegde scheepsverklaringen, zomede van de Engelse zeekaart no. 3261 Elbe River—Outer Light vessel to Brunsbuttelkoog en een verklaring van de loods van de „Bernina", en hoorde ter zitting van 14 Maart de kapitein van de „Limfjord", A. Doornbos, en ter zitting van 1 Mei kapitein P. Spuij van de „Bernina". De voorzitter zette de betrokkenen, aan wie voormelde beslissing was medegedeeld, doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hun gelegenheid tot hun verdediging aan te voeren hetgeen zij daartoe dienstig achtten, hun daarbij het laatste woord latende. Betrokkene P. Spuij had zijn verdediging opgedragen aan mr. A. Blussé van Oud Alblas, advocaat te Rotterdam, die zich bereid verklaarde deze taak te aanvaarden. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip „Bernina" is een Nederlands schip, toebehorende aan Schellen's Scheepvaart en Bevrachtingskantoor, te Rotterdam. Het meet 329 bruto-registerton en wordt voortbewogen door een 325 pk motor. Het motorschip „Limfjord" is eveneens een Nederlands schip en behoort toe aan J. R. Eissens, te Delfzijl. Het meet 178 bruto-registerton en wordt voortbewogen door een 120 pk motor. De „Bernina" vertrok op 15 December 1951, beladen met stukgoed, van Malmö met bestemming Parijs. De diepgang was vóór 8'8", achter 9'6". De bemanning bestond, inclusief de kapitein, uit 9 personen. Nadat men wegens mist te Brunsbuttel had gewacht, vertrok de „Bernina" op 17 December te 10.45 uur uit de sluis en voer onder loodsaanwijzing de Elbe af. Het zicht was toen ongeveer 2 mijl, zodat volle kracht gevaren kon worden. Toen men te 12.30 uur dwars van Cuxhaven was, werd het zicht slechter. De vaart werd geminderd en er werden mistseinen gegeven. Men voer tegen stroom. Te 12.35 uur werd zeer nabij aan stuurboord de zwarte ton no. 14 aan de Oostkant van het vaarwater gepasseerd. Op de brug bevonden zich de kapitein, de loods, de stuurman en een roerganger, vóórop stond een matroos als uitkijk. Even na boei no. 14 praaide de uitkijk, dat hij vóóruit een mistsein hoorde. De motor werd direct gestopt. Even later kwam aan s.b.-boeg op ongeveer 100 m afstand een tegenligger in zicht, welke later bleek het motorschip „Limfjord" te zijn. Beide schepen lagen zo, dat zij zonder koersverandering elkaar groen op groen zouden zijn gepasseerd. De ,,Limfjord" gaf echter 1 korte stoot en begon naar stuurboord te draaien. De „Bernina" gaf hierop direct volle kracht achteruit en 3 korte stoten. Toen de „Bernina' gestopt lag, bevond de „Limfjord' zich dicht vóór de boeg en gaf toen twee korte stoten en draaide met hard b.b.-roer volle kracht vóóruit. Het b.b.-achterschip kwam echter in aanraking met de steven van de „Bernina". Van de zijde van de „Limfjord" is verklaard, dat dit schip, beladen met 220 ton fosfaat, op 15 December 1951 van Vlaardingen was vertrokken met bestemming Aalborg. De diepgang was vóór en achter 23 dm. Inclusief de kapitein bestond de bemanning uit 5 personen. Nadat de „Limfjord” enige tijd bij „Elbe I" ten anker had gelegen wegens mist, werd de reis op 17 December te 9.00 uur voortgezet. Daar dit schip niet loodsplichtig is en de kapitein ter plaatse goed bekend, nam hij geen loods. Bij „Elbe II" werd het weer dik van mist en werd vaart geminderd en werden mistseinen gegeven. Men voer vóór stroom. De kapitein wilde Cuxhaven binnenlopen, indien het mistig bleef. De kapitein stond met een uitkijk en de roerganger op de brug, de bestman stond als uitkijk vóórop. Te 12.04 uur werd de rode gasboei M op 10 m afstand aan stuurboord gepasseerd. Hoewel hierna de koers 158° (m) is, werd 153° (m) gestuurd, omdat de kapitein met het oog op ondiepten aan stuurboord meer middenvaarwaters wilde houden, ook omdat aan b.b.- zijde van het vaarwater meer ruimte was. Te 12.20 uur hoorde men op ongeveer een streek aan stuurboord het mistsein van Cuxhaven. Te 12.35 uur werd aan bakboord een tegenligger gepasseerd. Te 12.38 uur hoorde men even aan bakboord vóóruit het mistsein van een varend schip. Direct hierop gaf de kapitein 5° stuurboord om de koers van het vaarwater te sturen en stopte de motor. Op het moment, dat het schip 158° (m) vóórlag, zag men op 200 a 300 m afstand vrijwel recht vóóruit een tegenligger, welke later bleek het motorschip „Bernina'' te zijn. Daarop gaf de kapitein 20° s.b.-roer en 1 korte stoot, de motor was nog gestopt. Men hoorde geen antwoord van de “Bernina" en meende op te merken, dat dit schip naar bakboord draaide. Daar de schepen elkaar dicht naderden, gaf de ,,Limfjord" volle kracht achteruit met 3 korte stoten. De vaart van de „Bernina" werd door haar boeggolf op wel 5 mijl geschat. De „Bernina" gaf toen ook 3 korte stoten en sloeg volle kracht achteruit. Terwijl de „Limfjord' 225° voorlag en geen vaart maakte door het water, werd zij te 12.40 uur in b.b.-zijde midscheeps aangevaren door de boeg van de „Bernina". De kapitein van de „Limfjord" wilde langs de „Bernina" vastmaken, maar dit werd door de loods verboden. Besloten werd de reis te vervolgen. De „Limfjord", welke een zware deuk had, liep Cuxhaven binnen. De kapitein van de „Limfjord' verklaart nog, dat beide schepen tot 10 minuten na de aanvaring hebben gemanoeuvreerd om bij elkaar te komen en door de stroom de rivier opdreven. De loods van de „Bernina" wees hem toen boei zwart 14 aan, waar de „Limfjord dichtbij was. De kapitein en de bestman van de „Limfjord" zeggen, dat de fluit van de „Bernina" slecht werkte. Ter zitting van 14 Maart verklaarde kapitein Doornbos, dat te 12.04 uur van 17 December gasboei M werd gepasseerd en dat toen zeer langzaam werd gevaren. Het lid van de Raad de heer Vlietstra toont hem aan, dat de ,,Limfjord de 13 a 14 mijl van „Elbe II" tot de plaats van aanvaring in 1 uur 50 minuten heeft afgelegd en de drie mijl na boei M in ongeveer 30 minuten, zulks terwijl de stroom kenterde van eb tot vloed. Na boei M werd 153° (m) gestuurd om meer middenvaar- waters te komen. Toen het mistsein te 12.38 uur werd gehoord, werd veranderd tot 158° en gestopt en toen de „Bernina" recht vóóruit in zicht kwam, werd 20° naar stuurboord veranderd en 1 korte stoot gegeven. Omdat het leek alsof de „Bernina" bakboorduit ging en snel naderde, werd volle kracht achteruitgeslagen en werden 3 korte stoten gegeven. Pas op 50 m afstand hoorde men 3 korte stoten van de „Bernina . Het bleek, dat de luchtfluit van dit schip een zeer onvoldoende geluid gaf. Betrokkene ontkent, dat de schepen elkaar vrij zouden hebben gevaren, indien zij elk koers en vaart hadden gehouden. Betrokkene geeft nog te kennen, dat hij door de mist niet kon controleren waar hij zich bevond; hij is echter van mening, dat, ook al bevond hij zich in de b.b.-helft van het vaarwater, de schuld van de aanvaring ligt bij de „Bernina", daar deze te snel voer en geen goede fluit had. Betrokkene heeft na de aanvaring boei no. 14 gezien. Ter zitting van 1 Mei verklaarde kapitein P. Spuij, dat het zicht bij het verlaten van Brunsbuttel 2 mijl was, maar ter hoogte van Cuxhaven veel minder werd. De „Bernina” minderde vaart tot langzaam 3 a 3½ mijl en gaf geregeld mistseinen. Even vóór het passeren van boei no. 14 is de motor enige tijd gestopt geweest om langs een ten anker liggend schip te varen. Toen te 12.35 uur boei no. 14 werd gepasseerd, praaide de uitkijk een mistsein vóóruit. De motor werd gestopt. Even later zag men aan s.b.-boeg op 150 m afstand de „Limfjord" naderen. De „Limfjord" gaf 1 korte stoot en week naar stuurboord uit. De „Bernina" gaf 3 korte stoten en sloeg volle kracht achteruit. De „Bernina" lag vrijwel gestopt in het water, toen de steven in aanraking kwam met b.b.-zij van de „Limfjord". De „Limfjord" heeft op het laatst nog volle kracht vóóruit gegeven met hard b.b.-roer. De “Bernina" voer tegen stroom. Betrokkene verklaarde nog, dat de „Bernina" zeker geen te grote vaart liep en dat de luchtfluit een voldoende krachtig geluid gaf. Er was weinig wind. De inspecteur voor de scheepvaart voerde aan, dat het op 17 December 1951 slecht zicht was, toen de „Bernina" en de „Limfjord" elkaar in zicht kregen; het zicht was 100 a 200 m. Het was beter geweest bij zulk slecht zicht ten anker te gaan. In de praktijk zetten vele schepen echter de reis voort. Beide betrokken schepen namen de vereiste maatregelen, zij liepen met matige vaart, gaven mistseinen en hadden een extra-uitkijk. Beide schepen verklaren, dat ze op het moment van aanvaring stillagen. De „Limfjord" is na het passeren van boei M 5° te veel naar bakboord gaan sturen en kwam zo in de verkeerde helft van het vaarwater. Vooral in geval van mist was dit een geheel verkeerde beslissing van de kapitein, daar afkomende schepen hun s.b.-zij zouden houden. Beter was het geweest, als de vóór stroom varende “Limfjord" ten anker was gegaan. Toen de schepen elkaar zagen, meende de „Limfjord", dat de ander recht vóóruit was, en gaf s.b.-roer. De „Bernina” meende, dat de „Limfjord" aan stuurboord was en de schepen zonder roermanoeuvre vrij van elkaar zouden lopen. Beide kapiteins manoeuvreerden overeenkomstig hun waarnemingen. Beide schepen moeten op het moment van aanvaring nog enige vaart hebben gehad. De manoeuvre van de „Bernina" door volle kracht achteruit te slaan was goed; de aanvaring was niet geheel te vermijden, maar dit schip heeft geen schuld. De kapitein van de „Limfjord" heeft de verkeerde kant van het vaarwater opgezocht en is daarom schuldig aan de aanvaring. De inspecteur voor de scheepvaart stelt voor de kapitein van de „Bernina" niet te straffen en de kapitein van de ..Limfjord" te straffen door het uitspreken van een berisping. De raadsman merkte, hierna het woord krijgende, op, dat hij accoord gaat met de conclusie van de inspecteur voor de scheepvaart, maar dat hij hieraan nog wilde toevoegen, dat de „Limfjord" met volle stroom mee naar binnen liep en, vooral waar zij niet zeker was boei M of boei N te hebben gepasseerd, dat het onbegrijpelijk is, dat dit schip niet ten anker is gegaan. Het zou verder voor de slechts 23 dm diep liggende „Limfjord" helemaal niet bezwaarlijk zijn geweest s.b.- wal te houden. Nu ging zij naar b.b.-zij en wist niet meer waar zij was. De loods van de „Bernina" moest haar attent maken op boei 14. De „Limfjord blijkt flink vaart te hebben gelopen; de „Bernina" had voor boei 14 gestopt gelegen en kan niet veel vaart hebben gehad. Het was ook verkeerd van de ,,Limfjord" om op het horen van een mistsein vóóruit 5° koers te veranderen naar stuurboord. Het oordeel van de Raad luidt als volgt: De aanvaring tussen de „Bernina" en de „Limfjord" bij Cuxhaven op 17 December 1951 moet allereerst worden geweten aan de heersende mist. Beide schepen hadden de door de wet voor mist geëiste maatregelen genomen. De grote fout van de kapitein van de „Limfjord" is geweest zijn besluit om na het passeren van boei M de b.b.- zijde van het vaarwater te gaan opzoeken. Hiervoor bestond voor hem geen enkele aannemelijke reden. Hij had moeten begrijpen, dat hij op deze wijze in de weg zou komen van tegenkomers, en dat nog wel bij mist. Indien hij het varen aan s.b.-zij niet vertrouwde, had hij ten anker moeten gaan. Toen de 'schepen elkaar hoorden en spoedig daarna zagen, hebben zij de manoeuvres uitgevoerd, die zij onder de omstandigheden het best oordeelden. De Raad wil daar geen aanmerking op maken. Ondanks deze manoeuvres kwamen beide schepen met elkaar in aanvaring. De Raad is van oordeel, dat de „Bernina" hierin geen schuld treft, maar dat de „Limfjord" schuld daaraan heeft door de verkeerde wijze van varen in de voor haar b.b.-zijde van het vaarwater. Op grond hiervan spreekt de Raad de kapitein van de ..Bernina", Piet Spuij, geboren 15 November 1906, wonende te Vlissingen, vrij van schuld en straft de kapitein van de „Limfjord", Auko Doornbos, geboren 13 November 1918, wonende te Delfzijl, door hem de bevoegdheid om als kapitein te varen op zeeschepen te ontnemen voor de tijd van twee weken. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, tweede plv. voorzitter, C. H. Brouwer en C. B. Nachenius, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris, mr. A. Boosman, en uitqesproken ter openbare zittinq van de Raad van 1 Mei 1952. (Get.) A. Dirkzwager; A. Boosman.

1956-12-05: Met machine problemen, veroorzaakt door het koelsysteem, te Penzance. Het was met een lading onderweg van Parijs naar Garston. Vertrok op 8 december weer naar Garston.

1959-01-03: Op de reis van Northwich (North Cheshire) naar Varberg en Kopenhagen, op de river Weaver tegen de Acton Bridge gevaren.

1959-12-10: NvhN 14-12-1959: Lading van boord gehaald. Groninger coaster Biesbosch door Fransen opgebracht. Explosieve stoffen zouden voor opstandelingen zijn. Het Franse militair commando in Algerije heeft donderdag de Groninger coaster Biesbosch (329 ton) laten aanhouden. De beschuldiging was dat dit schip 250 ton explosiemiddelen aan boord had die voor de rebellen in Algerije bestemd waren. Schepen van de Franse vloot hebben het Nederlandse schip ter hoogte van de Algerijnse kust aangehouden in de nacht van de tiende december. Het werd naar de kleine havenplaats Arzew, 40 km ten oosten van Oran, geëscorteerd door de Franse torpedobootjager Etourdi en de lading werd geïnspecteerd. Tot dit doel waren deskundigen naar Arzew gestuurd. Na onderzoek vrijgelaten; In Oran werd vanmorgen meegedeeld, dat de Biesbosch vandaag weer uit Arzew zal kunnen vertrekken. Bij het onderzoeken van de scheepspapieren zou n.l. gebleken zijn dat deze in orde waren, waardoor het schip krachtens het zeerecht niet als kaperschip kan worden beschouwd en niet in beslag kan worden genomen. Niettemin zou vastgesteld zijn dat de lading springstof bestemd was voor het Algerijnse bevrijdingsfront. In de toarinebasis Arzew werden 262 kisten springstof van boord gehaald. De ondervraging van de bemanning zou slechts een formaliteit zijn geweest. Na het eerste onderzoek had het militair commando in Algiers dit comuiqué uitgegeven: “Het kustvaartuig Biesbosch, dat onder Nederlandse vlag voer, is op 10 december in observatie genomen en onderzocht door een toezichthoudende patrouille, buiten de gebruikelijke handelsroutes. Blijkens het onderzoek vervoerde het schip 250 ton t.n.t. naar Libye, een explosiemiddel van militaire aard, dat bestemd was voor de FLN (Algerijns Nationaal Bevrijdingsfront). Dit schip bevindt zich momenteel te Arzew." In het communiqué werden geen andere bijzonderheden gegeven. Het gaf niet de nauwkeurige positie van het schip op het tijdstip dat het werd aangehouden. Ook bevatte het communique geen aanwijzing hoe de militaire autoriteiten konden concluderen dat de explosiemiddelen voor de Algerijnse rebellen bestemd waren. Beschadigd: Verscheidene kisten die de springstof bevatten waren opengesprongen, als gevolg van het zware weer dat kleine coaster op de Middellandse Zee ontmoet heeft. Uit Franse bron wordt vernomen dat uit de papieren van de Biesbosch viel op te maken dat de lading aan boord is genomen te Malaga en gelost moest worden in Tripolis (Libye). De Franse militaire autoriteiten in Algiers verdachten de Biesbosch ervan reeds lang militair materiaal dat voor de Algerijnse rebellen bestemd was te vervoeren. Vanmorgen hebben wij van het scheepvaartkantoor Gruno te Groningen vernomen, dat de directie via de radio het bericht van de aanhouding had gehoord. Het charter in Groningen is volkomen in orde. Men was er niet van op de hoogte, dat de vervoerde explosieven bestemd zouden zijn voor Algerijnse rebellen. Van de kapitein had men tot nu toe niets gehoord. De Biesbosch is nog maar enkele maanden in de Middellandse Zee. Tot nu heeft het schip nog nooit een Noordafrikaanse haven aangedaan, zo werd ons meegedeeld.
De Telegraaf 14-12-1959: Fransen “Kaapten” Kustvaarder. Protest na aanhouding „Biesbosch” Springstof was voor Libië. Amsterdam, maandag: Het Groningse scheepvaartbedrijf “Gruno" zal vandaag in Den Haag protesteren tegen het feit, dat de Nederlandse kustvaarder ..Biesbosch" (330 ton) in de Middellandse Zee is aangehouden en opgebracht door de Franse marine. De „Biesbosch" zal waarschijnlijk vandaag weer uit de Algerijnse haven Arzeu vertrekken, nadat het donderdag door een torpedoboot jager daarheen was gebracht, omdat het oorlogsuitrusting voor de Algerijnse rebellen aan boord zou hebben. In Arzru is 260 ton TNT van boord gehaald. Gisteravond was men nog bezig de bemanning te verhoren. „Het schip had inderdaad een lading springstof aan boord. Die was in Malaga (Spanje) geladen en bestemd voor Tripolis in Libië", vertelde de directeur van de bevrachter „Gruno", de heer A.H. Doek. „Maar het transport van springstof van het ene vrije land naar het andere is niet aan banden gelegd, en bovendien waren alle papieren en vrachtbrieven honderd procent in orde". Voor FNL; Volgens de Franse autoriteiten was de springstof, die uit Duitsland, België en Italië afkomstig was, inderdaad in Malaga geladen en bestemd voor Libië, „Maar in Tripolis zou zij gelost worden voor de Algerijnse rebellcnorganisatie FLN", aldus het Franse communiqué. De Fransen voegden eraan toe dat de „Biesbosch" buiten de gebruikelijke handelsroute voer en dat zij het schip op de zwarte lijst hadden staan. Het had volgens hen de laatste tijd herhaaldelijk Noordafrikaanse havens aangelopen. Volgens de heer Doek is dit onjuist. „De „Biesbosch" maakte zijn eerste reis in dit Middellandse Zeegebied. Het is nog nooit in Noord-Afrika geweest; Tripolls zou de eerste Afrikaanse haven zijn die het ooit aandeed. Dat het schip in Algerijnse wateren terecht is gekomen, kan de schuld zijn van de storm, waarmee het te kampen heeft gehad", aldus de heer Doek. Gunstig: „Ik ben ervan overtuigd, dat schip en reders geen enkele blaam treft. Wat de uiteindelijke bestemming van de springstof betreft, dat moeten do Fransen met onze opdrachtgevers regelen. Wij hebben dit transport aangenomen, omdat de condities gunstig waren". De eigenaars van de kustvaarder zijn aan boord. Het zijn kapitein M. Buitenkamp uit Rotterdam en eerste machinist A. Koopman uit Groningen. De springstof was de enige lading. Er stonden enige kisten aan dek en deze waren beschadigd door overkomend zeewater. ( Op 14-12-1959, liggend te Arzew in Algeria een vereiste romp inspectie uitgevoerd.)
NvhN 15-12-1959: Gruno protesteert tegen aanhouding coaster Biesbosch. Het scheepvaartkantoor Gruno te Groningen heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht via de Nederlandse ambassadeur in Parijs protest aan te tekenen bij de Franse regering tegen het aanhouden van de Groninger coaster Biesbosch en het in beslag nemen van de lading door de Franse marine. Ook heeft Gruno verzocht contact op te nemen met de kapitein-medeeigenaar van het schip, de heer M. Buitenkamp uit Rotterdam. De dichtstbijzijnde Nederlandse consul zal worden verzocht kapitein en bemanning te vragen of zij hulp nodig hebben.
Leeuwarder courant 16-12-1959: Frankrijk laat de Biesbosch gaan. Het Groningse kustvaartuig „Biesbosch" dat zes dagen geleden door de Franse marine op verdenking van munitie-smokkel was aangehouden, is vrijgegeven nadat de lading is gekonfiskeerd. Het schip heeft Arzeu (distrikt Oran) verlaten met bestemming Gibraltar, waar ballast moet worden ingeladen.
NvhN 1-12-1959: Nota over de Biesbosch. (Van onze Haagse correspondent). De Nederlandse ambassadeur in Parijs, mr. J. W. Beyen, heeft een nota ingediend op het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin protest wordt aangetekend tegen de aanhouding van het Groninger schip Biesbosch voor de kust van Algerije. In de nota, die donderdag werd ingediend, wordt gezegd dat de aanhouding buiten de territoriale wateren plaats vond en derhalve in strijd is met het internationale recht. De Nederlandse regering behoudt zich dan ook het recht voor om een eis tot schadevergoeding in te dienen. De regering rekent er op dat de Franse autoriteiten alles in het werk zullen stellen om herhaling te voorkomen.

1967-04-06: NvhN 06-04-1967: Sleep naar Aberdeen. Groninger coaster maakt zware slagzij bij Oost-Schotland. De Nederlandse kustvaarder Biesbosch, 413 ton d.w. uit Groningen, is vandaag op sleeptouw genomen na motorstoring 21 km uit de kust van Peterhead, Oost-Schotland. De sleepboot Milwood, uit Aberdeen, maakte vanmorgen contact met de Biesbosch, 65 km ten oosten van Aberdeen. De kustvaarder lag te rijden bij windkracht 9 en maakte zware slagzij. Verwacht wordt dat de twee schepen later op de dag in Aberdeen zullen aankomen. De Milwood deelde mee, dat de lijn die overgebracht was naar de Biesbosch al drie maal gebroken is. Het scheepvaartkantoor Gruno te Groningen is de makelaar van de Biesbosch.
De Telegraaf 06-04-1967: Kustvaarder in moeilijkheden. Van een onzer verslaggevers: Amsterdam, donderdag: De Nederlandse kustvaarder „Biesbosch" (329 ton) van de Groningse rederij Gruno, meldde gisteravond om 8 uur, dat zij op 45 km uit de Schotse kust ter hoogte van Aberdeen, met zes man aan boord, in moeilijkheden verkeerde. Door de zware zeeën, veroorzaakt door een wind van stormkracht 10, was de stuurmachine onklaar geraakt. Het schip — hierdoor moeilijk onder controle te houden — dreef door de noordoostelijke wind geleidelijk naar de Schotse kust. De reddingboot van Aberdeen ligt klaar om uit te varen als de kustvaarder gevaarlijk dicht onder de kust mocht komen. De motortrawler „Loch Arden" is in de nabijheid van de „Biesbosch" om zonodig de mensen van boord te nemen. De zeesleepboot „Zwarte Zee" van L. Smit en Co. uit Maassluis meldde, dat zij volle kracht onderweg is naar de kustvaarder.
Het Vrije Volk 06-04-1967: Motorstoring. Onder de Oostkust van Schotland raakte vanmorgen de Nederlandse treiler Biesbosch (329 ton) uit Groningen in moeilijkheden door motorstoring. De sleepboot Milwood uit Aberdeen heeft het schip op sleeptouw genomen om het naar deze plaats te slepen. Men verwacht dat de sleper daar in de loop van de dag wel met de Biesbosch zal aankomen, hoewel er moeiiijkheden zijn. De Milwood liet namelük weten dat de lijn al drie maal gebroken was.
NvhN 07-04-1967: „Biesbosch” veilig in haven van Aberdeen. De Groninger coaster Biesbosch, die een motorstoring had, is gistermiddag veilig de haven van Aberdeen binnengebracht. De motor van het 413 ton metende schip stopte zoals gemeld 21 km uit de kust van Peterhead op Oost-Schotland. De coaster maakte bij windkracht 9 zware slagzij. De sleepboot Milwood uit Aberdeen slaagde er in een lijn over te brengen.

1969-11-21: Final Fate: Verkocht aan en gesloopt door Scheepssloperij & Machinehandel 'De Koophandel' te Nieuw Lekkerland.


Ship Masters Data

Images


Description: Bernina 1936 lying at Basel 24.06.1936.
Made By: © Berger, M. (Markus)
Image type: Photo

Description: 'Bernina' - bj 1936
Image type: Photo

Description: 'Bernina'
Image type: Photo

Description: 'Rottum' - bj 1936 (ex 'Bernina')
Image type: Photo

Description: 'Biesbosch' (ex 'Bernina')
Image type: Photo

Description: 'Biesbosch' (ex 'Bernina')
Image type: Photo
Sources