Name ship: CONFIANCE

Terug naar de vorige pagina  |  Print record  |  Nieuwe zoekactie

Identification Data

Year built: 1897
Classification Register: Germanischer Lloyd (GL)
IMO number:
Nat. Official Number:
Category: Cargo vessel
Propulsion: Sailing Vessel
Type: Koff-tjalk
Standard Ship Type:
Type Deck:
Masts:
Rig:
Lift Capacity:
Material Hull: Iron
Decks: 1
Construction Data

Shipbuilder: J.A. Hooites (ook wel Y.A. Hooites), Foxhol, Netherlands
Yardnumber:
Sub-contractor Hull: Niestern & te Velde, Martenshoek, Netherlands
Date Laid Down:
Launch Date:
Delivery Date: 1897-00-00
Technical Data

Ship is not motorized.
 
Gross Tonnage: 93.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 68.00 Net tonnage
Deadweight: 135.00 tonnes deadweight (1000 kg)
 
Length 1:
Length 2: 24.87 Meters Registered
Beam: 5.02 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.12 Meters Depth, moulded
Draught: 1.90 Meters Draught, maximum
 
Configuration Changes

Certificate of Registry
Ship History Data

Date/Name Ship 1897-00-00 CONFIANCE
Manager: Geert Hendriks, Groningen, Netherlands
Owner: Geert Hendriks, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: NKVJ
Additional info:

Date/Name Ship 1901-00-00 CONFIANCE
Manager: Willem Lanting, Gasselternijveen, Netherlands
Owner: Willem Lanting, Gasselternijveen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Gasselternijveen / Netherlands
Callsign: NKVJ
Additional info:

Ship Events Data

1896-03-00: Het casco werd 03.1896 opgeleverd.

1904-04-26: PGC 27.04.1904: Londen, 26 april. Volgens telegram uit Kalmar is de Nederlandse tjalk CONFIANCE, schipper Lanting, van Helsingborg naar Stockholm bestemd, op Oland gestrand. Het schip zit vol water.

1904-05-04: Final Fate: PGC 04.05.1904:Oscarshamn, 30 april. De Nederlandse tjalk CONFIANCE, met 20220 vuurvaste stenen en 53 ton vuurklei naar Stockholm bestemd, is op de Aesby-grond (Öland) gestrand. Op de strandingsplaats staat zes voet water. Het schip, dat volgelopen is, zal vermoedelijk wrak worden.

1904-06-16: Op 25.04.1904 gestrand in de Oostzee op het Zweedse eiland Öland.
Koftjalk “Confiance “ Kapt. W. Lanting. De Raad van Tucht is door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid bij missive van 16 Juni 1904 No 278 Afdeeling Handel en Nijverheid, uitgenodigd om te onderzoeken of er in verband met de stranding van het Nederlandsche koftjalkschip
Confiance den 25 sten April 1904 nabij Ossby op het eiland Öland, termen zijn tot toepassing van artikel 25a 2de lid der Wet van 7 Mei 1856 (Staatsblad N0.32) zooals dit werd vastgesteld bij de Wet van 13 November 1879 (Staatsblad No.190)
De Raad heeft kennis genomen van de scheepsverklaring door den gezagvoerder van voormeld schip W. Lanting en de bemanning, den 28sten April 1904 afgelegd voor de Rechtbank te Kalmar en heeft voorts gehoord de onder eede afgelegde verklaringen van de getuigen C. de Groot en L. Bos en de verklaring van den gezagvoerder W. Lanting, die op de aan hem beteekende dagvaarding voor den Raad is verschenen. Uit de scheepverklaring en de onder eede afgelegde verklaringen van de getuigen, alsmede uit de verklaring van den gezagvoerder, in onderling verband en overeenstemming, is het volgende gebleken. Het Nederlandsche koftjalkschip “Confiance“ waarvan de aangeklaagde W. Lanting gezagvoerder was, was den 15den April 1904,g eladen met tegels en leem en met bestemming naar Stockholm, gereed om naar zee te gaan van uit Helsingborg.
Ten gevolge van tegenwind bleef men te Helsingborg liggen tot 18 April, toen men om 6 uur des morgens van daar vertrok,g esleept door eene sleepboot, die het schip op de reede bracht. Daarop zeilde men naar de bocht van Lorma, waar men om 8 uur des avonds ankerde, wind Oost. Den volgende dag 19 April, zette men de reis voort tot Falsterbö, waar om 2 uur des namiddags geankerd werd, wind O.Z.O. schip lens. Ten gevolge van sterken Oosterlijken wind bleef man daar liggen tot Donderdag 21 April, toen om 12 uur des middag de reis werd voortgezet. Des avonds om 7 uur werd het vuurschip van Falsterbö gepasseerd. Daarop werd gestuurd O.t.Z, wind Z.W. De reis werd voortgezet, zonder dat er iets bijzonders gebeurde, tot Zaterdag 23 April. Dien dag kruiste men in nabijheid van Bornholm wegens een harden Oosterlijken wind. In den nacht van Zondag op Maandag zette men koers N.O.1/2N op Öland aan. Maandag 25 April om 8 uur des avonds werd het vuur van Öland’s zuidelijke punt gepeild N.W.op naar gissing 3 Engelsche mijlen afstand. Men zette daarop koers N.O.t.N. met W.Z.W.wind, reefzeilkoelte. De gezagvoerder verliet om 81/2 uur het dek, nadat hij voormelden koers van N.O.t.N, aan den stuurman had opgegeven. Om 9 uur liep het schip vast op een steenen rif.
Het was binnen 10 minuten vol water en daar ook de kajuit vol water was, konden geene scheepsdocumenten gered worden. De kapitein en verdere bemanning, bestaande uit de stuurman C. de Groot en den matroos L. Bos, bleef den nacht aan boord en seinde den volgende ochtend om assistentie. Om 6 uur kwam er volk van land aan boord, van wie men hoorde, dat het schip gestrand was bij Ossby op Öland. Tevens vernam men van visschers, dat er een stroom was naar land toe. De gezagvoerder schrijft de stranding toe uitsluitend aan verleiding door stroom. De Raad van Tucht is echter van oordeel dat de gezagvoerder niet vrij is van schuld aan de stranding. Hij heeft, afgaande op zijn gegist bestek, den afstand van naar schatting 3 Engelsche mijlen van de zuidelijkste punt van Öland, zich vergenoegd met de koers N.O.t.N.op te geven en dien koers als eenige order achterlatende, het dek verlaten. Zoo er slechts eene geringefout in zijne gissing van den afstand was, liep hij te dicht langs de kust. Hij had buitendien order behooren te geven van tijd tot tijd te looden. Daardoor zou men gewaarschuwd zijn om wat verder uit het land te houden.
Wel is waar, zal vermoedelijk de stroom het schip naar het land gezet hebben, maar door den koers wat ruimer te nemen en het looden niet te verzuimen, had de aangeklaagde vrij van het land kunnen blijven. Het is op deze gronden, dat De Raad van Tucht, gezien artikel 25a lid, der wet van 7 Mei 1856 (Staatsblad No.32 ) zooals het is vastgesteld bij de Wet van 13 November 1879 (Staatsblad No.190)
Rechtdoende, verklaart, dat de stranding van het Nederlandsche Koftjalkschip “Confiance“, waarvan de aangeklaagde W. Lanting gezagvoerder was, op 25 April 1904 nabij Ossby op Öland, hieraan te wijten is, dat de gezagvoerder, te veel vertrouwende op zijn gegist bestek,zonder zich door looden te vergewissen, dat hij niet te dicht bij den wal was, zijn koers niet ruim genoeg heeft genomen, zoodat hij, hoewel de stroom het schip eenigzins kan hebben verleid, niet vrij is van schuld aan de stranding. Schorst den gezagvoerder W. Lanting in zijn bevoegdheid om als schipper op een Nederlandsche koopvaardijschip te varen, gedurende den tijd van eene maand, te rekenen van den dag waarop hem deze uitspraak zal zijn beteekend of bekend gemaakt. Overeenkomstig artikel 144 van het Wetboek van strafvordering. Veroordeeld hem in de kosten op de behandeling van deze zaak gevallen, tot op heden begroot op zes en twintig gulden negentig cent. Verklaart deze uitspraak, wat de kosten betreft, uitvoerbaar bij lijfsdwang. Aldus gewezen door de Heeren Mr. J.G. Vogel, voorzitter,W. Allirol, G.J. Boon, C.M. van Rijn en H.C. Haacke,l eden J.H.Myer en F.T. Schneyder, plaatsvervangerde leden en in het openbaar uitgesproken den 11den Januari 1905 in tegenwoordigheid van den secretaris Mr.Th. Heemskerk.


Ship Masters Data

Images

Sources